Conclusie
adv.: mr. M.E. Bruning
adv.: mr. D.Th.J. van der Klei
1.Feiten en procesverloop
fl. 250.000x huidige waarde tuin- & loonbedrijf
Met de in cassatie relevante
grief Ikomt de man op tegen de feitenvaststelling; met
grief IVwordt betoogd dat de rechtbank het bedrijf van de man ten onrechte in de verrekening heeft betrokken.
Met de in cassatie relevante
incidentele grief 4wordt opgekomen tegen het oordeel dat de vrouw aanspraak kan maken op 33,25% van de (huidige) waarde van het loonbedrijf en van de activa en passiva van het voormalige tuinbedrijf.
Voorhuwelijks vermogen en de onderneming van de man
2.Bespreking van het cassatiemiddel
niette verrekenen vermogen behoort, welke stelling de vrouw heeft betwist (art. 149 lid Pro 1, tweede volzin, Rv), en dat alleen indien hij slaagt in dat
tegenbewijs(tegen het vermoeden van art. 1:141 lid 3 en Pro art. 1:136 lid Pro 2 [17] BW), de vrouw alsnog moet bewijzen dat het tuinbouwbedrijf en het perceel tuinland behoort tot het te verrekenen vermogen.
subonderdeel 1bheeft het hof bovendien, of althans, ten onrechte verzuimd om het vermoeden uit art. 1:136 lid 2 BW Pro toe te passen. Daartoe wordt aangevoerd dat, nu naar ’s hofs oordeel niet is vast te stellen dat de door vrouw gestelde lening is aangewend ter financiering van de onroerende zaken dan wel voor andere investeringen, de man ook niet werd geacht te zijn geslaagd in zijn tegenbewijs dat het tot het tuinbouwbedrijf behorend vermogen en het tuinland moeten worden gerekend tot het
niette verrekenen vermogen.
alsnog te bewijzendat het tuinbouwbedrijf van de man, althans het daarvan deel uitmakende perceel tuinland, tot het te verrekenen vermogen behoort, c.q. dat het aanwezige vermogen te verrekenen vermogen is in de zin van art. 1:141 lid 1 en Pro art. 1:136 lid 1 BW Pro.
subonderdeel 2cdat, indien het hof heeft aangenomen dat er
geen akte van hypothecaire geldlening is [18] , dit oordeel kennelijk onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van de vrouw en haar bewijsaanbod tijdens de mondelinge behandeling op 22 februari 2019. Het hof heeft dan bovendien miskend dat het volgens art. 149 lid Pro 1, tweede volzin, Rv niet zonder de vrouw tot bewijs toe te laten als vaststaand feit kon en mocht nemen dat er geen akte van hypothecaire geldlening was.
bewijzendat aanwezig vermogen niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Uit eerdere en latere rechtspraak van uw Raad valt af te leiden dat het er bij dit tegenbewijs om gaat te stellen en, zo nodig,
aannemelijkte maken dat de waarde van een vermogensbestanddeel op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden resp. niet tot het te verrekenen vermogen behoort. In de uitspraak van 16 oktober 2020 wordt daaraan toegevoegd dat van de verrekenplichtige echtgenoot in het kader van de weerlegging van het wettelijk vermoeden mag worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen. [32]
Artikel 6.
ten huwelijk wordt aangebracht zijn vermogen van het (…) aan het [a-straat] gevestigde tuindersbedrijf (…).”
grief I, gesteld dat de man een langlopende schuld had aan zijn vader van fl. 250.000 per 1 januari 1981 en dat die schuld per 1 januari 1982 was gedaald naar fl. 245.000. [67] Met
grief IVheeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de activa van het voormalige tuinbouwbedrijf en van het loonbedrijf tot het te verrekenen vermogen behoren. In de toelichting op deze grief is, voor zover relevant, het volgende gesteld:
Stand lening bij vader:De man heeft een lening afgesloten bij zijn vader van oorspronkelijk f. 250.000. Zoals te zien uit de jaarrekening 1981 [69] , was per 1-1-1982 die schuld al afgenomen tot f. 245.000 (zie de balans). Per halverwege 1982, datum van het sluiten van het huwelijk, was die schuld verder afgenomen met nog f. 2.500 eraf, waar f. 5.000 per jaar werd afgelost. Derhalve is niet f. 250.000 het uitgangspunt maar f. 242.500 het uitgangspunt. Die lening heeft de Rechtbank ten onrechte gekoppeld aan het bedrijf. Zoals uiteengezet hiervoor, vader was al betaald en had al gekweten voor overdracht van de gronden aan de man bij akte van 31-12-1980.”
incidentele grief 4aangevoerd dat de waarde van de activa van het tuinbouwbedrijf en het loonbedrijf geheel in de verrekening moet worden betrokken, zodat de vrouw aanspraak maakt op 50% in plaats van de door de rechtbank berekende 33,25% van de waarde van de activa van de onderneming. [72] De vrouw heeft in dit verband, samengevat, aangevoerd:
klaarblijkelijkom de koopsom mee te betalen. [75]
toev. A-G]: (…) De lening van € 250.000,- [77] was voor de teelt en materialen. Daar zijn tractors etc. van gekocht.
toev. A-G]: Zoals ik het heb gezien is er een hypothecaire geldlening. Gelijktijdig een lening bij de vader van de man en een hypotheekakte volgens de vrouw. Daar bied ik bewijs van aan.
nietaan te merken is/zijn als te verrekenen vermogen aan de zijde van de man. De relevante rov. 11 is hiervoor onder 1.14 geciteerd.
vast staatdat de man reeds voor aanvang van het huwelijk een onderneming had waartoe vermogen behoorde. Het hof spreekt in dit verband van een ‘voorhuwelijkse’ onderneming en haar vermogen, waaronder de onroerende zaken (tweede volzin). Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de onderneming met de daartoe behorende onroerende zaken door de man aangebracht vermogen betreft. Tegen deze vaststelling door het hof zijn geen klachten gericht. [79] In cassatie staat derhalve vast dat de tot de onderneming van de man behorende onroerende zaken
aangebrachtvermogen van de man betreffen. Als zodanig behoeven deze dus in beginsel niet in de verrekening te worden betrokken.
in verband met de verwervingvan het aangebrachte goed (ii) een
schuldaangegaan, (iii) welke schuld (gedeeltelijk) is
afgelostuit te verrekenen vermogen.
onvoldoende aannemelijkheeft gemaakt dat een deel van het vermogen van de door de man gedreven voorhuwelijkse onderneming, waaronder de daarvan deel uitmakende onroerende zaken,
is gefinancierd met te verrekenen vermogen.
de koopsom is gekweten;
gekoppeldaan de
verwervingvan het onroerend goed, aangezien:
waarvandeze geldlening is verstrekt niet in het geding is gebracht, en
niet kan vaststellen dat de onroerende zaken met die lening zijn gefinancierd(dan wel dat de lening is aangewend voor andere investeringen, zoals de man stelt).
staat niet vast(i) dat de verkrijging van de onroerende zaak is gefinancierd met een ten tijde van het aangaan van het huwelijk bestaande
geldleningen (ii) dat op die geldlening is
afgelostmet overgespaarde niet gedeelde inkomsten, zodat
nietzijn aan te merken als te verrekenen vermogen aan de zijde van de man.
voor de verwervingvan (‘kan worden gekoppeld aan’) de onroerende zaken (vereiste (i)). Daarmee
is niet vast komen te staandat de verkrijging van deze onroerende zaken is gefinancierd met een ten tijde van het huwelijk bestaande geldlening en evenmin dat op die geldlening is afgelost met overgespaarde inkomsten, aldus het hof.
bewijzen.
nietis gefinancierd met een lening die met te verrekenen inkomen is afgelost. [80]
onderdeel 1terecht is voorgesteld.
subonderdelen 2a en 2bbij gebrek aan feitelijke grondslag.
dat er geen hypothecaire akte van geldlening is, zodat ook
subonderdeel 2cfeitelijke grondslag ontbeert. Het hof heeft slechts geoordeeld dat er geen hypotheekakte (of andere informatie)
in het geding is gebrachtwaaruit volgt ten behoeve waarvan de geldlening is verstrekt.