Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
om dezelfde reden” wordt verworpen.
3.Juridisch kader
verzoek” van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel, en of het hof de door [eisers] gedane aanbiedingen tot getuigenbewijs van de hand heeft mogen wijzen. Voordat ik op de daarop gerichte cassatieklachten inga, schets ik eerst het toepasselijke juridisch kader.
vooralsnog de indruk [bestaat] dat de praktijk aan zodanige voorschriften (nog) geen behoefte heeft”. Als mogelijke verklaring hiervoor noemt de parlementaire geschiedenis enerzijds dat “
in het burgerlijk proces deze technische produkten nog niet vaak als bewijsmiddelen in het geding worden gebracht” en anderzijds de omstandigheid dat “
bij de hantering van deze bewijsmiddelen de op de gangbare bewijsmiddelen betrekking hebbende processuele voorschriften, voor zover deze zich althans daarvoor lenen, reeds naar analogie dan wel rechtstreeks [worden] toegepast”. [20]
voldoende specifiekis, hangt volgens vaste rechtspraak af van de omstandigheden van het geval. De rechter zal daarbij, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. In het algemeen zal echter niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, kan de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn, meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [23] Aangenomen wordt wel dat deze eis ertoe strekt dubbel werk door de appelrechter te voorkomen. [24] Bakels, Hammerstein en Wesseling-Van Gent merken op dat het antwoord op de vraag of het daadwerkelijk nodig is dat nader wordt toegelicht wat de getuigen meer of anders kunnen verklaren, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en dat die noodzaak niet snel mag worden aangenomen. [25] Als sprake is van een bewijsaanbod tot het horen van nieuwe getuigen, geldt volgens de Hoge Raad dat niet hoeft te worden toegelicht in welk opzicht de verklaringen van deze nog niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen. [26]
ter zake dienendals het betrekking heeft op feiten die voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering of de gegrondheid van het verweer van belang kunnen zijn. [27] Zijn de feiten waarop een bewijsaanbod ziet niet relevant voor de beoordeling van het geschil, dan kan de rechter het aanbod als niet ter zake dienend passeren. [28] Een bewijsaanbod is evenmin ter zake dienend indien het ziet op de juridische waardering van feiten, omdat een rechtsoordeel zich niet leent voor bewijslevering. [29]
een bewijsaanbod [niet] mag (…) worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de inhoud van de verklaring of de waarde die deze zal blijken te hebben”. [30] Dit zogenoemde prognoseverbod, waarvan de ratio door Asser is samengevat als “
eerst horen, dan waarderen”, [31] is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [32] Dit verbod geldt ook indien van de te horen getuigen al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd of wanneer deze getuigen al zijn gehoord. [33]
goede rechtsbedeling. Het spreekt wel vanzelf dat dat belang het best wordt gediend als de rechter zich ruimhartig opstelt bij het kennisnemen van alle relevante informatie die beschikbaar is, en niet om procestechnische redenen weigert om kennis te nemen van bepaalde informatie.
procedurele rechtvaardigheid. [45] Daarmee wordt bedoeld dat een partij de procedure als minder rechtvaardig zal beschouwen als de rechter weigert gelegenheid te bieden nog bepaalde schriftelijke stukken in het geding te brengen als een partij daarom verzoekt.
op zijn verzoekniet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. [53] In de wetgeschiedenis is te lezen dat hiermee is aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003. [54] Als voor de rechter onduidelijk is wat het doel is van, bijvoorbeeld, het bekijken of afluisteren van beeld- of geluidsmateriaal, kan de rechter daar dus naar vragen
.Hoewel de wetsgeschiedenis een andere kant op lijkt te wijzen, [55] ga ik ervan uit dat de rechter niet
onder alle omstandighedenom opheldering hoeft te vragen, maar alleen als daar aanleiding voor bestaat. Dat sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad uit 2003, waarin is overwogen dat de rechter ‘afhankelijk van de omstandigheden van het geval’ gehouden kan zijn om opheldering te vragen. Vergelijk ook Asser, die het volgende schrijft in zijn noot bij het arrest (mijn onderstreping; cursiveringen overgenomen): [56]
moetde rechter opheldering of medewerking van de deponerende partij vragen als onduidelijk is of het materiaal relevant kan zijn voor de beslissing. De rechter moet immers recht doen op de gedingstukken.
Maar hijkandat nalaten als hij, gelet op de context waarbinnen het materiaal door de deponerende partij is gepresenteerd, zelf al tot het oordeel is gekomen dat het materiaal niet relevant kan zijn voor de beslissing (er wordt bijvoorbeeld op een geheel ander punt beslist dan waarop het materiaal kennelijk betrekking heeft). (…)”
wellichtsprake is van bewijsmateriaal dat van belang is voor de feitenvaststelling en daarmee voor de rechterlijke beslising. Vergelijk ook Lindijer, die schrijft dat, gelet op het fundamentele belang van de mogelijkheid voor partijen om bewijs te kunnen leveren van hun stellingen – een mogelijkheid die verband houdt met het recht op hoor en wederhoor en het recht op een effectieve toegang tot de rechter – de rechter niet te snel bewijsmateriaal buiten beschouwing mogen laten, omdat voor hem niet duidelijk was tot bewijs waarvan het materiaal diende of welke onderdelen daarvan tot bewijs dienden. [57]
in aanwezigheid van en tezamen met partijen. De partij die zich op de beelden beroept, kan dan onder de aandacht van de rechter brengen wat er precies is te zien op de beelden, waarop gelet moet worden, en wat de beelden betekenen voor haar stellingen. De wederpartij zal uiteraard de gelegenheid moeten worden geboden om zich eveneens uit te laten over de beelden en de genoemde punten. Het doet zich regelmatig voor dat partijen het niet eens zijn over wat er nu precies te zien is op de beelden en dat zij bovendien van mening verschillen over de betekenis van die beelden voor de door hen ingenomen stellingen. Als de rechter tezamen met partijen de beelden bekijkt, kan de rechter daarover vragen stellen en helderheid proberen te krijgen over de bewijswaarde van de beelden.
tezamen met partijennaar kijkt (of luistert), zou ook kunnen worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis van het nieuwe bewijsrecht. Naar aanleiding van vragen van Kamerleden of in de wet een bepaling zou moeten worden opgenomen dat voor ‘overige bewijsmiddelen’ geldt dat een in het geding gebracht bewijsmiddel wordt gewaarmerkt en dat dit gewaarmerkte exemplaar onder de rechter blijft, is in de memorie van antwoord het volgende opgemerkt (mijn onderstrepingen): [59]
Bewijsmiddelen als geluidsbanden en videofilms ontlenen hun waarde eerst aan hun «hantering», dat wil zeggen deze banden zullen zo nodig ter zitting worden afgedraaid of vertoond, waarbij de inhoud zoveel mogelijk op zodanige wijze zal worden vastgelegd in het proces-verbaal dat de mogelijke betekenis van dit bewijsmiddel voldoende vaststaat. Ook is denkbaar dat daartoe een, al dan niet voorlopige, bezichtiging wordt georganiseerd, eveneens met adequate vastlegging in het proces-verbaal. Het punt van nader onderzoek van bijvoorbeeld videoband of geluidsband komt pas bij twijfel over de authenticiteit van deze «informatiedragers» aan de orde. Het ligt dan echter eerder voor de hand dat het gerecht aan door hem benoemde deskundigen een onderzoeksopdracht geeft en deze in hun rapportage een beschrijving van de hoedanigheid en inhoud van de informatiedrager geven, waardoor vervolgens de rechter in staat wordt gesteld over de vraag of het betreffende bewijsmiddel als «echt» moet worden beschouwd een oordeel te geven.
Het in het burgerlijk procesrecht geldende beginsel van hoor en wederhoor, brengt met zich mee dat ook indien een partij een technisch bewijsmiddel als videoband of geluidsband in het geding wil brengen, de wederpartij in de gelegenheid moet worden gesteld niet alleen om de vertoning of afdraaiing van die banden ten overstaan van de rechter bij te wonen, maar ook om zich vervolgens daarover uit te laten en zonodig deskundigenonderzoek daarover uit te lokken. Het spreekt daarbij vanzelf dat ter gelegenheid van bedoelde vertoning of bezichtiging of bijvoorbeeld bij gelegenheid van een daaropvolgende comparitie van partijen de resultaten daarvan door partijen kunnen worden besproken, waarbij dan ook overeenkomstig de daarbij in acht te nemen regels partijen elkaar vragen zullen kunnen stellen. Wat betreft de vraag van deze leden of een wederpartij op een zitting ineens met een videoband kan worden geconfronteerd, zal het niet zo vaak voorkomen dat een partij ineens, ter gelegenheid van een processuele verrichting waarbij beide partijen in persoon aanwezig zijn, zijn wederpartij met zo'n band zal kunnen confronteren. Veelal zal de desbetreffende partij deze band reeds in zijn voorafgaande schriftelijke stellingname als mogelijk bewijsmiddel hebben aangekondigd of in het geding hebben gebracht. Indien de rechter vervolgens tot vertoning besluit, zal in ieder geval die vertoning geen afbreuk mogen doen aan het recht van die wederpartij zich daarover vervolgens hetzij direct hetzij eventueel eerst na aanhouding uit te laten.
een geluidsband om de redenen zoals vermeld in het door deze leden aangehaalde vonnis van de rechtbank te Groningen van 15 december 1972 (N.J. 1973, nr. 324) kan worden geweigerd. Die redenen hielden immers geen verband met de aard van de geluidsband als technisch bewijsmiddel, maar waren gelegen in de specifieke processuele omstandigheden van het gegeven geval, op grond waarvan de rechtbank blijkbaar het bezigen van die geluidsband als bewijsmiddel niet meer relevant achtte.” [60]
ten overstaan van de rechterworden vertoond of afgeluisterd, omdat zij hun waarde als bewijsmiddel ontlenen aan hun ‘hantering’. Dit is in lijn met de praktijk: als de rechter achter zijn of haar bureau camerabeelden gaat bekijken, is het bijzonder moeilijk om op waarde te schatten wat er nu precies te zien is op de beelden en dus wat de bewijswaarde (‘de betekenis’) daarvan is voor de stellingen die een partij inneemt. Dit geldt in feite ook al voor foto’s; ook die bekijkt de rechter bij voorkeur – en dat is ook praktijk – op de zitting, in aanwezigheid van partijen.
in aanwezigheid van partijenter plaatse kijken en doet dat natuurlijk nooit in zijn of haar eentje.
in extensoin woorden te omschrijven wat er op de beelden is te zien.
tussenkomstvan de rechter nodig is. Hoewel het – in beginsel – mogelijk is dat een partij als bijlage bij haar processtuk beeldopnames in het geding brengt, net als zij dat doet met schriftelijke bewijsstukken, geldt dat de beeldopnames
als bewijsmiddelpas tot hun recht kunnen komen als de rechter die gezamenlijk met partijen bekijkt. Een partij die gebruik wil maken van beeldopnamen is in dit opzicht afhankelijk van de rechter: zonder toestemming kan een partij immers op de zitting geen beeldopnames laten zien.
kunnenzijn voor de feitenvaststelling en
kunnenbijdragen aan de beslissing van de zaak, zal de rechter in beginsel een verzoek tot het vertonen van beeldmateriaal moeten honoreren. Uit de slotpassage van het hiervoor weergegeven citaat uit de memorie van antwoord en uit de passage in de Handelingen EK is af te leiden dat het ontbreken van relevantie een valide reden kan zijn om geen toestemming te geven voor het bekijken van beeldopnames. Het ligt echter in de rede dat als de beeldopnames wél relevant
kunnenzijn voor de onderbouwing van een stelling, de rechter het verzoek om beeldopnames te bekijken moet honoreren. Als een partij zelf niet heeft toegelicht wat de relevantie is, zal de rechter daarnaar moeten vragen, tenzij direct duidelijk is dat de beeldopnames elke relevantie missen.
desgewenstde beelden kan laten zien. Het is ook mogelijk dat er hoge kosten zijn verbonden aan het verkrijgen of bewerken van de beelden om deze voor vertoning geschikt te maken. Gelet op deze gerechtvaardigde belangen van een partij om te volstaan met een aanbod om beelden in het geding te brengen, ligt het in de rede dat de rechter met partijen bespreekt wat het belang van het bekijken van de beelden is en hoe eventueel tegemoet kan worden gekomen aan gerechtvaardigde belangen van de wederpartij of derden (vgl. de regeling in art. 22b Rv). In de uitspraak die is besproken onder 3.20 [66] is dit aspect naar mijn mening onderbelicht gebleven.
de meest passende bewijsverrichtingis. Zo betoogt ook Asser dat bewijslevering op een andere manier zou moeten worden benaderd. Hij bepleit dat “
een systematisch stelsel van case management wordt ingevoerd met betrekking tot bewijsaanbieding”. In zo’n systeem bespreekt de rechter met partijen hoe de door hen gewenste informatie zo snel en goedkoop mogelijk kan worden verkregen, in plaats van de huidige praktijk, waarin “
als uitgangspunt” wordt gehanteerd “
dat tijdrovende en kostbare bewijsverrichtingen zo veel mogelijk moeten worden vermeden”. [69]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
het verzoek” van [eisers] tot het bekijken van de camerabeelden van het verblijf van [eiser 1] in de politiecel (rov. 1.1, 4.3-4.7). Onderdeel 2 klaagt over het passeren van een getuigenbewijsaanbod (rov. 4.7). Onderdeel 4 ziet op het oordeel van het hof dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [eiser 1] bij aankomst op het politiebureau op te sluiten in een politiecel en [eiser 1] daar te houden tot 00:13 uur (rov. 4.26). De onderdelen 3, 5 en 6 bevatten voortbouwklachten. Voor het geval de voortbouwklacht van onderdeel 5 niet zou slagen, werpt onderdeel 5 nog een klacht op tegen het oordeel van het hof dat de noodzaak tot ingrijpen pas rond 23:30 uur ontstond (rov. 4.21).
III. Bewijsaanbod
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] c.s. een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv. [Appellant] c.s. heeft tijdens het pleidooi in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat er op de beelden meer te zien is dan beschreven in het rapport van de Rijksrecherche. De enkele stelling van de Politie dat de camerabeelden niets toevoegen, faalt bij gebrek aan onderbouwing.
Met de stelling dat het gedrag van [appellant] niet ter discussie staat en daarvan geen bewijs nodig is, miskent de Politie dat [appellant] c.s. met de beelden zijn stelling wil onderbouwen dat de situatie en de gesteldheid van [appellant] ten tijde van het incident dusdanig waren dat de Politie eerder had moeten ingrijpen. De stelling van de Politie over het toetsingskader van de Wpg faalt op de gronden als overwogen in rovv. 18-19.
Het gestelde risico dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na aanschouwing van de camerabeelden een mede door emotie bepaalde beslissing neemt, is niet onderbouwd.
Het door de Politie genoemde bezwaar dat verstrekking van een kopie van de beelden aan [appellant] c.s. ertoe kan leiden dat de beelden “een eigen leven gaan leiden” kan worden ondervangen door geen afgifte van de beelden te bevelen, maar te bepalen dat de Politie de beelden tijdens een zitting in de bodemprocedure moet (laten) vertonen. Op die wijze heeft de Politie ook een voldoende ruime tijdspanne om de beelden desgewenst te anonimiseren en te bewerken om te zorgen dat het beeld niet doorloopt terwijl de tijd stilstaat, er geen herhaling van dezelfde beelden is en de chronologie zoveel mogelijk kloppend wordt gemaakt. De (eerstvolgende) zitting vindt immers pas plaats op 19 mei 2020. Aldus wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de belangen van beide partijen. [Appellant] c.s. heeft tijdens de comparitie in het onderhavige beroep overigens ook verklaard te kunnen instemmen met deze wijze van “verstrekking”. Het hof zal met toepassing van artikel 843a lid 2 Rv de vordering in die zin toewijzen. Om geschillen over de bewerking van het beeldmateriaal te voorkomen, zal het hof bepalen dat de Politie de camerabeelden zoals die nu op de dvd staan, dus ongeanonimiseerd en onbewerkt, moet tonen tijdens de zitting in de bodemprocedure, indien en voor zover de rechter in de bodemprocedure dat toestaat. Desgewenst kan de Politie aanbieden om daarnaast of in plaats daarvan een geanonimiseerde en/of bewerkte versie te laten zien.
Het is aan de rechter in de bodemprocedure om te bepalen of de beelden daadwerkelijk worden getoond en, zo ja, in welke versie(s).”
verzoek” in rov. 1.1 en 4.3-4.7 als zijn oordeel tot uiting zou hebben gebracht dat [eisers] niet een
bewijsaanbodzouden hebben gedaan dat is gericht op het aan het hof tonen van de camerabeelden, dit oordeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Volgens het subonderdeel ziet het hof er in dat geval aan voorbij dat [eisers] een voldoende specifiek en relevant bewijsaanbod tot het bekijken van de camerabeelden hebben gedaan.
nietheeft geoordeeld dat het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken, moet worden afgewezen omdat [eisers] uit eigen beweging die beelden in het geding hadden moeten brengen. Dat kón het hof ook niet oordelen, omdat [eisers] niet beschikten over de camerabeelden. Vaststaat dat [eisers] de beelden niet in hun macht hebben. Het door het hof Den Haag in de kortgedingprocedure opgelegde gebod aan de Politie om de beelden ter beschikking te stellen (in die zin dat de Politie de beelden op eerste verzoek van [eisers] ter zitting in de bodemprocedure moet (laten) vertonen), bevat immers het voorbehoud “
indien en voor zover de rechter tijdens een zitting in de bodemprocedure tussen [eisers] en de Politie vertoning van de camerabeelden toestaat” (zie onder 4.7); aan die voorwaarde is niet voldaan. [74]
kondende camerabeelden niet uit eigen beweging in het geding brengen. De Politie had dat wel kunnen doen, maar heeft daarvan afgezien.
nietbevestigend heeft beantwoord. Subonderdeel 1.4.2 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.7, dat [eisers] zelf al de gelegenheid hebben gehad om de camerabeelden te bekijken en dat ook hebben gedaan.
partij; het recht van de advocaat van een partij om eveneens kennis te nemen van die stukken is een daarvan afgeleid recht. Dat sprake is van een recht van de partij
zelf, blijkt bijvoorbeeld uit art. 22a Rv, waarin is geregeld dat de rechter kan bepalen dat de kennisneming van stukken is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is (dan wel een gemachtigde die daarvoor bijzondere toestemming van de rechter heeft gekregen), indien de vrees bestaat dat kennisneming van die stukken door een partij de lichamelijke of geestelijke gezondheid van die partij zou schaden (lid 1) of de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden (lid 2). Indien kennisneming van stukken door een partij de bescherming van een bedrijfsgeheim onevenredig zou schaden, kan de rechter op grond van art. 22a Rv voorts bepalen dat die kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen (lid 3). Hiermee geeft art. 22a Rv bijzondere regels, in afwijking van het uitgangspunt dat
partijenrecht hebben op de inzage van de processtukken Ook in het kortgedingarrest van het hof Den Haag is ervan uitgegaan, zo blijkt uit rov. 26 en het dictum van het arrest (zie hiervoor onder 4.7 en 4.8), dat het gaat om een
recht op verstrekking van de beelden aan [eisers]Vergelijk ook rov. 19 van het kortgedingarrest, waarin (naar aanleiding van het beroep van de Politie op de geheimhoudingsplicht van art. 7 Wet Pro politiegegevens) wordt overwogen dat het in de onderhavige zaak gaat “
om verstrekking aan de betrokkene zelf” en dat daarmee “
vanzelfsprekend geen inbreuk [wordt] gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer”.
concreet [hadden] kunnen aangegeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling”, en dat “
dit ook van [eisers] verwacht [had] mogen worden ter onderbouwing van het verzoek, maar [eisers] [dit] hebben (…) nagelaten”. In de hierop volgende overweging is weliswaar vermeld dat “
het bekijken van de camerabeelden, die volgens de Politie ook nog eens – als gevolg van een overzetting – incompleet en niet chronologisch in tijd zijn, bij deze stand van zaken niets [toevoegt] aan de (completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden”, maar uit de woorden ‘bij deze stand van zaken’ blijkt duidelijk dat met deze overweging wordt teruggegrepen op de vorige zinnen, waarin is vermeld, kort gezegd, dat [eisers] ten onrechte hebben nagelaten om concreet aan te geven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Met andere woorden, de overweging van het hof dat het bekijken van de camerabeelden
niets toevoegtis geheel gebaseerd op de constatering over het nalaten van [eisers] op dit punt.
(completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden” (mijn onderstreping). In het kortgedingarrest van 3 september 2019 heeft het hof Den Haag de (enkele) stelling van de Politie dat de camerabeelden niets toevoegen juist als niet onderbouwd terzijde geschoven (rov. 26). Het verzoek van [eisers] om de beelden te bekijken is natuurlijk juist gedaan om na te gaan óf de beschrijving compleet is en om, samen met de rechter en de wederpartij, vast te stellen wat er precies te zien is op de beelden. Overigens denk ik dat zelfs als er een volledige beschrijving van beelden beschikbaar is, een partij nog steeds een gerechtvaardigd belang kan hebben bij een verzoek aan de rechter om beelden te bekijken (zie onder 3.37).
subonderdelen 1.2 en 1.3gaan ervan uit dat het verzoek van [eisers] om de camerabeelden te bekijken moet worden gekwalificeerd als een bewijsaanbod en behandeld moet worden volgens de regels die gelden voor het aanbod van getuigenbewijs. Dat betekent volgens de klachten dat zo’n verzoek moet worden toegewezen als het voldoende specifiek is en kan bijdragen aan de beslissing van de zaak. Voorts zou het tot gevolg hebben dat de rechter het verzoek niet mag afwijzen op grond van een prognose van wat er op de beelden is te zien (vgl. onder 3.6-3.10). Concreet houden de klachten van de subonderdelen in, kort samengevat, dat het hof het verzoek om de camerabeelden te bekijken niet had mogen afwijzen, omdat deze beelden van belang zijn voor de beoordeling van de vorderingen van [eisers] , waarbij immers centraal staat wat zich precies heeft afgespeeld in de cel waarin [eiser 1] was opgesloten. Het argument van het hof dat het bekijken van de beelden niet noodzakelijk is omdat in het proces-verbaal (completer en) gedetailleerd is beschreven wat er op de camerabeelden is te zien, is onbegrijpelijk, omdat zonder het bekijken van de beelden niet kan worden beoordeeld wat er op de beelden is te zien, en dus ook niet of die iets toevoegen aan de beschrijving van de beelden in het proces-verbaal, aldus de klachten.
in aanwezigheid van partijen(zie onder 3.27-3.32). Dat is een belangrijk argument om aan te nemen dat de rechter een verzoek tot het bekijken van camerabeelden in beginsel moet honoreren, als er aanknopingspunten zijn dat de beelden relevant
kunnenzijn voor de feitenvaststelling en
kunnenbijdragen aan de beslissing van de zaak.
III. Bewijsaanbod
het horen van [betrokkene 4] als [getuige] (…) om dezelfde reden [wordt] verworpen”. Dit oordeel is volgens het onderdeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdeel 2.1geldt hetgeen waarover onderdeel 1 klaagt ook ten aanzien van de door onderdeel 2 bestreden beslissing.
dat de situatie en de gesteldheid van [eiser 1] ten tijde van het incident dusdanig waren dat de Politie eerder had moeten ingrijpen” (zie onder 4.8) – ligt het vanuit het perspectief van waarheidsvinding bepaald voor de hand dat een van de personen die het incident heeft onderzocht en die de camerabeelden heeft bekeken (de voorgedragen getuige dus) daarover door partijen en de rechter kan worden bevraagd. Dat geldt ook als niet in detail is aangegeven wélke vragen [eisers] willen stellen.
tot het moment van insluiting, waarbij geldt dat de in dat verband door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden niet ter discussie staan (zie ook hierna, onder 4.52). Ook rov. 4.12, waarin het bewijsaanbod van [eisers] om twee agenten als getuige te horen ter zake de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] wordt gepasseerd, heeft op deze periode betrekking. De rechtsoverwegingen 4.13-4.25 zien op de periode dat [eiser 1]
in de politiecel was ingesloten. De slotsom waartoe het hof in rov. 4.26 komt, heeft betrekking op beide periodes.
“Conclusie”) dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [eiser 1] in de politiecel te houden tot 00:13 uur, in het bijzonder voor zover dit oordeel inhoudt dat de Politie in het tijdvak van 22:20 uur tot 23:03 uur steeds niet hoefde in te grijpen. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Deze klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in drie subonderdelen.
subonderdeel 4.2.2en
subonderdeel 4.2.3, die gericht zijn tegen rov. 4.12. Daarin heeft het hof het bewijsaanbod van [eisers] om twee agenten te horen over de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] naar het politiebureau gepasseerd.
“grapje”. Er was geen contact met hem te krijgen. Toen hij gesommeerd werd om te staan, liet hij zich slap met zijn hoofd voorover op de grond vallen. Hij verzette zich hevig tegen elke poging om hem in bedwang te krijgen. Eenmaal in de politieauto geplaatst, trapte hij daarvan de autoruit kapot. In de politieauto gaf agent [betrokkene 2] [eiser 1] een elleboogstoot tegen zijn hoofd.”
ter zake de aanhouding en overbrenging van [eiser 1] op 4 en 5 mei 2010”. [78]
ter zake de aanhouding en overbrenging” van [eiser 1] inderdaad, zoals subonderdeel 4.2.2 stelt, betrekking heeft op de feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd in punt 11, geldt dat beide subonderdelen bij deze stand van zaken niet tot cassatie kunnen leiden. De feiten en omstandigheden waarop dit bewijsaanbod ziet, worden immers door het hof onverkort tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van voornoemd betoog van [eisers] Bovendien wordt de verwerping van dit betoog in cassatie (anders dan als voortbouwklacht van de onderdelen 1 en 2) niet bestreden. Zowel subonderdeel 4.2.2 als subonderdeel 4.2.3 stuiten hierop af.