Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
4-8klaagt de toelichting dat het oordeel van het hof dat [eisers] hun stelling niet aan de hand van de administratie van [eiseres 2] hebben onderbouwd, feitelijk onjuist is. Daartoe verwijst de toelichting onder 5 naar een aantal uitlatingen van [eisers] in de procedure, een aantal van de door hen overgelegde producties en een vaststelling van de rechtbank.
20-23van de toelichting wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat deze grond vormt, kennelijk berust op de onjuiste rechtsopvatting dat geen sprake is van onrechtmatigheid zolang [eiseres 2] niet heeft gewezen op de gebrekkige wijze van totstandkoming van het boekenonderzoek (door te stellen dat de volgens de belastingdienst ontbrekende stukken gewoon in het dossier aanwezig waren zodat de belastingdienst daarvan kennis had kunnen en moeten nemen).
24-27klaagt de toelichting dat het door het hof bij dit oordeel gekozen uitgangspunt, dat [eiseres 2] zich pas in beroep bij de rechtbank heeft beroepen op stukken waaruit de gestelde onjuistheid van een aantal bevindingen van de belastingdienst blijkt, in zijn onvolledigheid feitelijk onjuist is, nu [eisers] ook hebben gesteld dat de juistheid van de bewuste inkoopfacturen reeds uit de door de belastingdienst onderzochte administratie van [eiseres 2] viel af te leiden.
28-30voert de toelichting aan dat de rechtbank en het hof niet hebben vastgesteld dat de Staat verweer heeft gevoerd tegen de in 5 van de toelichting genoemde stellingen van [eisers], zodat op de voet van art. 149 lid 2 Rv Pro, althans bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag, moet worden geconcludeerd dat deze stellingen feitelijk juist zijn. De toelichting vervolgt dat het hof dus had moeten vaststellen dat de volgens de belastingdienst ontbrekende stukken gewoon in de administratie aanwezig waren zodat de belastingdienst daarvan kennis had kunnen en moeten nemen, dat het boekenonderzoek derhalve onzorgvuldig is uitgevoerd en dat het op grond van dat onderzoek opleggen van aanslagen onrechtmatig is, zoals [eisers] hebben betoogd.
32-36van de toelichting wordt de verwerping door het hof aangevallen van de stelling van [eisers] dat [eiseres 2] zich niet eerder op de in rov. 6.10 bedoelde stukken kon beroepen omdat haar administratie in beslag was genomen. De toelichting bevat op dit punt een herhaling van hetgeen daarin onder 23-30 wordt aangevoerd.
3en
5-9keert de toelichting zich tegen de vaststelling van het hof dat [eisers] de in rov. 6.10 bedoelde stelling eerst bij pleidooi in hoger beroep hebben aangevoerd.
10-18bestrijdt de toelichting dat áls [eisers] die stelling eerst bij pleidooi in hoger beroep hebben aangevoerd, dat in strijd was met de tweeconclusieregel. De toelichting neemt tot uitgangspunt dat uit de verwijzing van het hof naar de tweeconclusieregel kan worden opgemaakt dat het hof heeft gemeend dat [eisers] “
op het onderhavige punt een grief hadden moeten opwerpen om ervoor te zorgen dat het debat op het hier aan de orde zijnde punt had kunnen worden gevoerd”. Deze gedachte is volgens de toelichting onjuist, omdat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep gehouden was “
de hier aan de orde zijnde stellingen” van [eisers] inhoudelijk te bespreken. De toelichting stelt, kort gezegd, dat het hof grief I (veronderstellenderwijs) gegrond heeft geacht, nu deze grief inhield dat de rechtbank bij zijn oordeel in rov. 4.15 van het vonnis ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de vaststellingsovereenkomst en het hof, anders dan de rechtbank, die overeenkomst niet bij zijn oordeel betrekt. De toelichting vervolgt dat het hof derhalve diende te oordelen over het debat dat de rechtbank met haar aldus vernietigde overwegingen had afgesloten en dat onderdeel van dat debat de stelling is dat de volgens de belastingdienst ontbrekende stukken gewoon in het dossier aanwezig waren en dat de onderzoeker die het boekenonderzoek heeft uitgevoerd dit had kunnen zien. Omdat het hof, in strijd met zijn gehoudenheid daartoe, heeft verzuimd die stelling inhoudelijk te bespreken “
en omdat die stellingen alsnog dienen te worden besproken, kunnen de hier bestreden beslissingen en daarmee het arrest in zijn geheel, niet in stand blijven”, zo besluit de toelichting dit betoog.