Conclusie
Inleiding
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Toezending en inzage stukken
Verlenging termijnen
Stcrt. 2008, 147). De onduidelijkheid in de praktijk over de uitleg en toepassing van het derde lid van art. IV van het voormalig Procesreglement (betreffende de regeling voor de situatie dat de in het cassatiegeding optredende raadsman die bevindt dat het procesdossier niet compleet is), bracht de Hoge Raad er in zijn arrest van 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704,
NJ2011/495, m.nt. Borgers toe daaraan voorafgaande beschouwingen te wijden. Ik heb geen reden aan te nemen dat deze beschouwingen mutatis mutandis niet zouden gelden voor het huidige art. 4.3.6.3 Procesreglement. Dat betekent dat ook deze regeling onder meer strekt tot een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. En dat dit meebrengt dat ingeval hetzij de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, heeft verzuimd het volledige procesdossier aan de Hoge Raad te zenden, hetzij de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd om tijdig een afschrift van de (destijds in art. IV, eerste lid; thans in art. 4.3.6.1) bedoelde stukken aan de raadsman toe te sturen, zo een verzuim zo spoedig mogelijk aan het licht dient te komen zodat alsdan de gelegenheid kan worden geboden tot onverwijld herstel van het verzuim. Van de raadsman mag worden verlangd dat hij tijdig zo een tekortkoming ontdekt in de aan hem toegezonden afschriften. [2]
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Redelijke termijn