ECLI:NL:PHR:2021:853

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
20/02297
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 6:6:21 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende hechtenis bij taakstraf mag duur voorwaardelijke gevangenisstraf niet overschrijden

In deze zaak bevestigde het gerechtshof Den Haag de veroordeling van verdachte wegens bedreiging en eenvoudige belediging, maar wijzigde de strafoplegging door een taakstraf op te leggen in plaats van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof legde een taakstraf van 60 uur op, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 30 dagen, wat langer is dan de niet tenuitgevoerde gevangenisstraf van twee weken.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelde dat deze vervangende hechtenis de duur van de niet tenuitgevoerde straf niet mag overschrijden, conform de uitleg van de wet en eerdere jurisprudentie. Dit vormt een onmiddellijk kenbare fout die door het hof zelf had moeten worden hersteld.

Daarnaast werd een middel verworpen dat stelde dat het recht op een redelijke termijn was geschonden, omdat de overschrijding van de inzendtermijn onvoldoende was om strafvermindering te rechtvaardigen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de duur van de vervangende hechtenis betreft en bepaalde dat deze maximaal twee weken mag bedragen, gelijk aan de niet tenuitgevoerde gevangenisstraf. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van het arrest dat de duur van de vervangende hechtenis betreft en beperkt deze tot twee weken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02297

Zitting28 september 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 juli 2020 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2019, waarbij de verdachte wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en wegens 2. en 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” is veroordeeld, bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering tenuitvoerlegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof, in plaats van de tenuitvoerlegging van de eerder bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
Namens de verdachte hebben mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel klaagt over de vervangende hechtenis die bij de omzetting van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in een taakstraf aan deze taakstraf is gekoppeld, nu de duur van de vervangende hechtenis de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt.
4. De bestreden uitspraak houdt als beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf het volgende in:
“Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2016 met parketnummer 22-002684-12, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.”
5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:383, het volgende overwogen:
“Ingevolge art. 14g, eerste lid, Sr kan de rechter gelasten dat de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden tenuitvoergelegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd die van langere duur is dan de niet tenuitvoergelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrij staat om, indien hij ter vervanging van een vrijheidsstraf een taakstraf gelast, een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt.” [1]
6. Met de invoering op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) is art. 14g Sr vervallen, maar in overeenstemming met art. 14g, tweede lid, Sr voorziet ook het per diezelfde datum ingevoerde art. 6:6:21 Sv Pro erin dat de rechter in plaats van het alsnog ten uitvoer leggen van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel ervoor kan kiezen de tenuitvoerlegging van een taakstraf te gelasten.
7. Aan de verdachte is eerder een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twee weken. Het hof heeft in plaats van de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Dat overstijgt de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf, hetgeen in strijd is met de uitleg die de Hoge Raad aan de wet heeft gegeven.
8. Hoewel naar het oordeel van de Hoge Raad het opleggen van een vervangende hechtenis die de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt een onmiddellijk kenbare fout vormt die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten en deze wijze van herstel de voorkeur verdient, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging, [2] is mij niet gebleken dat het hof deze fout zelf heeft hersteld.
9. Het eerste middel is daarmee terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak in zoverre zelf afdoen.

Het tweede middel

10. Het tweede middel klaagt dat in cassatie inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht zoals is neergelegd in art. 6, eerste lid, EVRM doordat de stukken van het geding op 19 april 2021 door de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen nadat op 24 juli 2020 beroep in cassatie is ingesteld. Dit moet leiden tot strafverlaging, aldus de stellers van het middel.
11. De (redelijke) inzendtermijn van acht maanden is in deze zaak met bijna een maand overschreden. [3] Indien de Hoge Raad evenwel arrest wijst vóór 24 november 2021 wordt de schending van de redelijke termijn door een voortvarende behandeling in cassatie voldoende gecompenseerd. Ook overigens leidt de overschrijding van de inzendtermijn niet tot strafvermindering. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke inzendtermijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel kunnen volstaan. [4] Daaraan doet niet af dat het hof naast de opgelegde taakstraf en in plaats van de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf nog een taakstraf heeft opgelegd voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voor de beoordeling door de Hoge Raad van de vraag of korting wordt toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn, is alleen de opgelegde hoofdstraf relevant.
12. Het middel faalt.

Slotsom

13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt.
14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf bevolen vervangende hechtenis ten aanzien van de zaak met parketnummer 22-002684-12, tot het bevelen dat de vervangende hechtenis twee weken beloopt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie ook HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, r.o. 3.4; HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2012, r.o. 2.4; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:834, r.o. 2.4 en HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:989, r.o. 2.4.
2.Zoals recentelijk nogmaals is benadrukt in HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:989, r.o. 2.6.
3.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.6.2 onder C en 3.23.