Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
3.De standpunten van de klager en het openbaar ministerie
1) [betrokkene 1] voor een bedrag van € 348,96 (€ 300,00 immateriële schade en €48,96 materiële schade nieuwe sleutels);
2) [betrokkene 2], voor een bedrag van € 500,00 (€ 300,00 immateriële schade en € 200,00 materiële schade voor een nieuw alarm en een camera).
De totale schade bedraagt dus € 848,96. Het in beslaggenomen bedrag (€ 880,00) overstijgt daarmee het bedrag van de verzochte schade. Ten aanzien van dit overschot verzoekt klager dan ook om het klaagschrift deels gegrond te verklaren en het verschil aan hem terug te geven.
Blijkens informatie van het Openbaar Ministerie rust op het voertuig enkel conservatoir beslag. Zoals hiervoor uiteengezet is het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel echter reeds 'gedekt' door het beslag op het geldbedrag. Er is dan ook geen reden om zowel conservatoir beslag te leggen op het geldbedrag als de auto. Daar komt bij dat klager een belang heeft bij teruggave van de auto. Hij gebruikt het voertuig voor zijn werk als elektromonteur en om dit werk goed uit te kunnen voeren is het van belang dat klager zich eenvoudig en snel kan vervoeren. Klager stelt zich dan ook op het standpunt dat het beslag dient te worden opgeheven en dat in ieder geval het voertuig en een deel van het geldbedrag aan hem dienen te worden teruggegeven.”
4.De beschikking
In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag en een personenauto die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager, een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen (artikel 94a lid 3 Sv).
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken is de rechtbank in dit stadium van het onderzoek en gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, van oordeel dat - nu sprake is van een verdenking ter zake diefstal in vereniging gepleegd, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd - het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.”