Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat ’s hofs oordeel dat de betrokkene een bedrag van € 5.420,- aan wederrechtelijk voordeel (mede) heeft verkregen uit ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans niet zonder meer begrijpelijk is.
Dit dossier houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:
de politierechter leest: [betrokkene]), geboren op [geboortedatum] 1097 (
de politierechter leest: 1974), legitimatienummer [001] .
Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel - waaronder begrepen de besparing van kosten - heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit, dan wel van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.