ECLI:NL:PHR:2021:971

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
12 oktober 2021
Zaaknummer
20/01911
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 420bis.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit eenvoudig witwassen en diefstal

In deze zaak staat de toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht centraal, waarbij de ontnemingsmaatregel betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel uit zowel bewezenverklaarde als andere strafbare feiten. De betrokkene werd veroordeeld voor diefstal en eenvoudig witwassen van elektrisch gereedschap, en het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 5.420,-.

De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte ook niet bewezen verklaarde feiten als basis nam voor de ontnemingsmaatregel, en dat niet was vastgesteld dat deze feiten hetzelfde rechtsbelang beschermden als het gronddelict. De Hoge Raad oordeelde dat sinds 1 juli 2011 ook andere strafbare feiten kunnen worden betrokken bij de ontnemingsmaatregel, mits voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, ongeacht of deze feiten 'soortgelijk' zijn aan het bewezenverklaarde delict.

Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat de betrokkene regelmatig nieuwe elektrische gereedschappen aan een winkel verkocht, goederen die sterk leken op de gestolen voorwerpen, zonder aannemelijke verklaring over de herkomst. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld en de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van € 5.420,- wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstal en eenvoudig witwassen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01911 P
Zitting31 augustus 2021

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juni 2020 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2019 bevestigd waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 5.420,00 en aan betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat voordeel.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat ’s hofs oordeel dat de betrokkene een bedrag van € 5.420,- aan wederrechtelijk voordeel (mede) heeft verkregen uit ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans niet zonder meer begrijpelijk is.
Het hof heeft overwogen dat het zich verenigt ‘met het vonnis en de redengeving waarop dit berust’. Het hof heeft voorts aanvullende overwegingen geformuleerd. Daarmee heeft het hof het vonnis bevestigd met overneming en aanvulling van gronden.
Aan het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter op 21 februari 2019 ontleen ik het volgende (met weglating van verwijzingen):
‘De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
1. Een dossier van de politie eenheid Oost-Brabant/District ’s-Hertogenbosch/Basisteam 's-Hertogenbosch, (…), afgesloten d.d. 25 juli 2018, (…).
Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.
Dit dossier houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:
Het relaas van verbalisant [verbalisant 1] (…):
Op 11 juli 2018 omstreeks 12:30 uur kreeg ik het verzoek te gaan naar de winkel Used Products, gevestigd op de Kruisstraat 30 te Oss. Aldaar zouden verschillende stukken elektrisch handgereedschap van het merk Bosch en Makita aangeboden zijn. Het verzoek van de hulp officier van justitie was om goederen zoals beschreven op de door hem verstrekte lijst ter waarheidsvinding in beslag te nemen. Op 11 juli 2018 omstreeks 13:05 uur ben ik samen met mijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , ter plaatste gaan Kruisstraat 30 in Oss. Aan de bedrijfsleider genaamd [betrokkene 1] heb ik onze komst medegedeeld. Ik zag achterin de winkel verschillende vitrines met elektrisch handgereedschap staan. [betrokkene 1] heeft de vitrines voor ons geopend. Na controle bleek dat verschillende stuks gereedschap dat in de vitrines lag van het merk Bosch en Makita op de lijst ter inbeslagname stonden. Deze goederen zijn door ons inbeslaggenomen. Door de bedrijfsleider [betrokkene 1] werd een uitdraai gemaakt van het opkoopregister. Op deze lijsten is te zien dat het elektrisch handgereedschap aan de winkel werd aangeboden door [betrokkene] (
de politierechter leest: [betrokkene]), geboren op [geboortedatum] 1097 (
de politierechter leest: 1974), legitimatienummer [001] .
Op 20-06-2018 heeft [betrokkene] 4 nieuwe boormachines en 1 nieuwe multitool aangeboden.
Op 21-06-2018 heeft [betrokkene] 2 nieuwe accuboormachines ingeleverd.
Op 28-06-2018 heeft [betrokkene] 6 nieuwe accuboormachines, 2 nieuwe afstandsmeters, 1 nieuwe multitool en 1 nieuwe digitale detector ingeleverd.
Op 06-07-2018 heeft [betrokkene] 6 nieuwe accuboormachines ingeleverd.
De winkel Used Product heeft alle goederen gekocht.
Het relaas van verbalisant [verbalisant 4] (…):
Ik was belast met het onderzoek rondom verdachte [betrokkene] , welke verdacht werd van diefstal elektrisch gereedschap van onder ander accuboormachines met oplader en accu's het merk Makita uit bouwmarkten. Uit onderzoek bleek dat soortgelijk gereedschap van Makita werd aangeboden op de internet site van Used Products. Via opvragen van het opkoopregister van Used Products op naam van verdachte [betrokkene] van [geboortedatum] 1974 zag ik dat hij vanaf 16 augustus 2017 tot en met 6 juli jl., met grote regelmaat meerdere nieuwe elektrische gereedschappen verkocht aan Used Products. In de eerste maanden verkocht hij in Arnhem, Oss, Eindhoven en Den Bosch, waarna hij vanaf 7 april 2018 alleen nog maar in Oss aan Used Products verkocht. In totaal heeft hij voor een bedrag van € 5420,00 aan hen verkocht.’
6. Aan het in dat proces-verbaal aangetekende mondeling vonnis van de politierechter ontleen ik het volgende:

Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
De inhoud van het procesdossier, voor zover hiervoor onder 1 is weergegeven.
De beoordeling.
Bij vonnis van de politierechter van 21 februari 2019 onder bovengenoemd parketnummer is veroordeelde onder meer voornoemd veroordeeld ter zake "Eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd", gepleegd in de periode 2 juni 2018 tot en met 6 juli 2018.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel - waaronder begrepen de besparing van kosten - heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit, dan wel van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De politierechter ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten alsook uit soortgelijke feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel voor veroordeelde moet worden geschat op € 5420,00.’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):
‘Niet ter discussie staat dat betrokkene door hem gestolen goederen ten verkoop heeft aangeboden bij ‘Used Products'.
De raadsman heeft echter aangevoerd dat de lijst met goederen waarvan het totale aankoopbedrag € 5.420,- bedraagt (…), op welk bedrag de vordering tot ontneming is gebaseerd, niet kan worden geverifieerd aan de hand van onderliggende stukken, aangezien door de betrokkene ondertekende aankoopfacturen ontbreken.
Het hof overweegt als volgt.
Bedoelde lijst bevat een overzicht uit het opkoopregister van de winkel ‘Used Products’ met de van de betrokkene aangekochte goederen in de periode van 14 juni 2016 tot en met 6 juli 2018. Anders dan de naam van deze winkel doet vermoeden, gaat het blijkens de omschrijving van die goederen op bijgevoegde stukken nagenoeg alleen om (gloed)nieuwe in plaats van ‘used’ goederen.
Het politiedossier bevat ter ondersteuning van deze lijst een aantal andere lijsten, waarop meer specificaties van de aangekochte goederen staan vermeld (…), onderverdeeld in kolommen met de aanduiding ‘reg datum’, ‘gek van’, ‘merk’ en ‘aank prijs’, die het hof achtereenvolgens verstaat als ‘registratiedatum’ (inclusief tijdstip), ‘gekocht van’, ‘merk’ en ‘aankoopprijs’. Het gaat hier steeds om goederen die volgens het registratiesysteem van dezelfde koper, een zekere ‘ [betrokkene] ’, zijn aangekocht.
Het hof stelt vast dat de goederen op deze andere lijsten alle vermeld worden op de eerstgenoemde lijst, behoudens een viertal messen die op 14 juni 2016 en 8 november 2016 van deze [betrokkene] zijn aangekocht. Ook de op de lijsten vermelde aankoopprijzen komen overeen. De aankoopbedragen van de messen zijn derhalve niet begrepen in het totaalbedrag van € 5.420,-.
Het politiedossier bevat daarnaast een aantal inkoopfacturen in de periode van 4 juni 2018 tot en met 6 juli 2018. Hierop staan onder meer vermeld de naam van de aankoper, de naam van de verkoper, de datum van de aankoop, het goed dat of de goederen die worden aangekocht en de inkoopprijs (…).
Het hof stelt na vergelijking van de hier bedoelde lijsten met de eerder genoemde overzichten van bijlage 6 vast, dat de goederen vermeld op de inkoopfacturen van 19 juni 2018 en 21 juni 2018 op de eerdergenoemde lijsten ontbreken. Mogelijk zijn deze inkoopfacturen niet in het registratiesysteem ingevoerd. Ook ontbreekt van de inkoopfactuur van 15 juni 2018 het goed met registratienummer 20724, en van de inkoopfactuur van 20 juni 2018 het goed met registratienummer 20771, in beide gevallen een nieuwe Makita TM30D Multitool op accu.
Op alle inkoopfacturen wordt als verkoper vermeld [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1974, zijnde de betrokkene. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inkoopfacturen, ook al ontbreekt daarop de handtekening van de verkoper en die van de inkoper. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de betrokkene bij arrest van het hof van heden is veroordeeld voor de diefstal van een aantal van de ingekochte goederen die op de lijsten worden vermeld.
Anders dan door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde lijst met goederen. Voor zover die lijst niet compleet is, strekt dat bovendien niet ten nadele van de betrokkene.
Het bedrag van € 5.420,- als het totaal van de aan de betrokkene betaalde bedragen is bovendien de correcte optelsom van alle afzonderlijk vermelde inkoopbedragen.
Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat, indien de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde lijst met goederen als juist wordt gezien, niet kan worden vastgesteld dat voor al die goederen voldoende aanwijzingen bestaan dat die van misdrijf afkomstig zijn, en betrokkene derhalve daaruit wederrechtelijk voordeel heeft behaald.
Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de aangekochte goederen van misdrijf afkomstig zijn. Uit het opkoopregister van “Used products” blijkt dat in de periode van 14 juni 2016 tot en met 6 juli 2018 veelvuldig dezelfde soorten goederen zijn aangeboden, waarbij deze -nagenoeg- alle de vermelding hebben verkregen van “NIEUWE”, “NIEUW IN DOOS” of “GLOEDNIEUWE”. Tevens zijn de veelvuldig voorkomende goederen op de lijst gelijkend aan de gestolen goederen waarvoor verdachte bij onderliggend strafarrest is veroordeeld. Verder heeft betrokkene geen aannemelijke verklaring afgelegd over de herkomst van de door hem aan “Used products” verkochte goederen. Het hof verwerpt zodoende het verweer van de verdediging en is, met de politierechter, van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de door betrokkene aangeboden, en door “Used products” ingekochte, goederen van misdrijf afkomstig zijn. Betrokkene heeft derhalve uit de verkoop van de van misdrijf afkomstige goederen wederrechtelijk voordeel behaald.
Gelet op al het vorenstaande, zal het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigen.’
8. Uit ‘s hofs overweging volgt dat het hof de uitspraak van de politierechter in de ontnemingszaak bevestigt, terwijl in hoger beroep ook in de strafzaak arrest is gewezen. Omtrent de inhoud van dat arrest creëert de overweging geen volledige duidelijkheid. Het arrest behoort evenwel tot de stukken van het geding. Uit het arrest volgt dat het hof de betrokkene – net als de politierechter – in de strafzaak heeft veroordeeld wegens (onder 1) diefstal van vijf boormachines, twee accu’s en een acculader, alsmede wegens het (onder 2) eenvoudig witwassen van deze voorwerpen.
9. De steller van het middel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de betrokkene een bedrag van in totaal € 5.420,- aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (mede) uit ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in art. 36e Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans niet zonder meer begrijpelijk is. Hij voert aan dat het hof in het bestreden arrest niet heeft vastgesteld dat sprake is van feiten die hetzelfde rechtsbelang beschermen als het bewezenverklaarde gronddelict. En het hof zou in het bestreden arrest evenmin hebben vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze soortgelijke feiten ‘door de veroordeelde zijn begaan’ en/of niet (begrijpelijk) hebben vastgesteld dat deze feiten voor de betrokkene tot het vastgestelde voordeel hebben geleid.
10. De politierechter heeft in het door het hof bevestigde vonnis overwogen dat de betrokkene in de strafzaak op 21 februari 2019 onder meer is veroordeeld ter zake van ‘eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd’, in de periode van 2 juni 2018 tot en met 6 juli 2018. Uit het vonnis in de strafzaak, dat zich bij de stukken van het geding bevindt, blijkt – als gezegd – dat de bewezenverklaring van feit 1 ziet op de diefstal van vijf boormachines, twee accu’s en een acculader en dat de bewezenverklaring onder 2 ziet op het eenvoudig witwassen van deze voorwerpen.
11. Uit het relaas van verbalisant [verbalisant 1] , dat samen met het relaas van verbalisant [verbalisant 4] door de politierechter aan de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag is gelegd, volgt dat de betrokkene bij de winkel Used Products in Oss tussen 20 juni 2018 en 6 juli 2018 in totaal achttien nieuwe boormachines, waarvan veertien accuboormachines, twee nieuwe afstandsmeters, twee nieuwe multitools en één nieuwe digitale detector heeft ‘ingeleverd’. Uit het relaas van verbalisant [verbalisant 4] volgt dat hij via het opvragen van het opkoopregister van Used Products op naam van betrokkene zag dat betrokkene ‘vanaf 16 augustus 2017 tot en met 6 juli jl, met grote regelmaat meerdere nieuwe elektrische gereedschappen verkocht aan Used Products. (…) In totaal heeft hij voor een bedrag van € 5.420,00 aan hen verkocht’. De politierechter heeft aan de inhoud van ‘voormelde bewijsmiddelen’ het oordeel ontleend dat de betrokkene ‘door middel van het begaan van voormelde feiten alsook uit soortgelijke feiten’ wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten dat moet worden geschat op € 5.420,00’. Uit de context volgt dat de verwijzing naar de ‘voormelde feiten’ ziet op de veroordeling wegens ‘eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd’. In aanmerking genomen dat voor een veroordeling wegens eenvoudig witwassen vereist is dat het voorwerp ‘onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf’ (vgl. art. 420bis.1 Sr) ligt in deze verwijzing besloten dat de politierechter van oordeel is dat ook de andere goederen die zijn ‘ingeleverd’ door eigen misdrijf verkregen zijn.
12. Het hof heeft vastgesteld dat in de periode van 14 juni 2016 tot en met 6 juli 2018 ‘veelvuldig dezelfde soorten goederen’ zijn aangeboden’, dat bij nagenoeg alle aangeboden goederen is vermeld dat zij nieuw waren, dat de ‘veelvuldig voorkomende goederen op de lijst gelijkend (zijn) aan de gestolen goederen waarvoor verdachte bij onderliggend strafarrest is veroordeeld’, en dat de betrokkene ‘geen aannemelijke verklaring (heeft) afgelegd over de herkomst van de door hem aan “Used products” verkochte goederen’. Het hof overweegt vervolgens dat het ‘met de politierechter, van oordeel (is) dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de door betrokkene aangeboden, en door “Used products” ingekochte, goederen van misdrijf afkomstig zijn’. Uit ‘s hof overwegingen en de omstandigheid dat het hof zich heeft verenigd met de redengeving waarop het vonnis van de politierechter berust, kan worden afgeleid dat ook het hof bij de andere dan de bewezenverklaarde feiten ‘waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan’ het oog heeft op (eenvoudig) witwassen. Daarmee ligt ook in ’s hofs overwegingen besloten dat de andere goederen die zijn ingeleverd eveneens door eigen misdrijf verkregen zijn.
13. De steller van het middel signaleert met juistheid dat het hof niet heeft vastgesteld dat de strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan hetzelfde rechtsbelang beschermen als het bewezenverklaarde gronddelict. Ik meen evenwel dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Voor de toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr zoals dat sinds 1 juli 2011 luidt [1] , is niet van belang of de andere strafbare feiten ‘soortgelijk’ zijn. Nu het gaat om het in de periode van 14 juni 2016 tot en met 6 juli 2018 ‘inleveren’ van nieuwe boormachines, nieuwe afstandsmeters, nieuwe multitools etc., meen ik dat het hof niet gehouden was vast te stellen dat de andere (niet tenlastegelegde) strafbare feiten ‘soortgelijk’ waren aan het bewezenverklaarde feit. In zoverre het hof, door de overwegingen van de politierechter over te nemen, tot uitdrukking heeft gebracht dat het ervanuit gaat dat de niet tenlastegelegde feiten soortgelijk zijn aan de bewezenverklaarde feiten, meen ik dat het gaat om een overweging ten overvloede, die niet dragend is voor de vaststelling van het wederrechtelijk genoten voordeel.
14. De steller van het middel vestigt er voorts de aandacht op dat de enkele omstandigheid dat goederen voorwerp van witwassen zijn niet meebrengt dat zij daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel zijn.
15. In HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077 heeft Uw Raad overwogen:
‘2.3 Als algemeen uitgangspunt geldt dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364.) Daaronder kan ook worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het in artikel 36e Sr bedoelde strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel opleverde, maar kennelijk ertoe strekte en geëigend was voordeel te genereren (vgl. HR 25 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AK1546).
2.4.1 Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat door de betrokkene is verkregen “door middel van of uit de baten van” het in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit of een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de betrokkene is begaan. Als in de strafzaak witwassen bewezen is verklaard of als voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene het misdrijf van witwassen heeft begaan, is voor de toepassing van artikel 36e lid 2 Sr het volgende van belang.
2.4.2 De Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak overwogen dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt (vgl. onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217.) Aan deze rechtspraak ligt het volgende ten grondslag. De strafbaarstellingen van witwassen betreffen in de kern steeds het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet ertoe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict (bijvoorbeeld de verkoop van drugs) is behaald, toeneemt (vgl. in dit verband HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194).
2.4.3 Het vorenstaande sluit niet uit dat het verrichten van witwashandelingen wel op andere wijze tot daadwerkelijk voordeel voor de betrokkene heeft geleid. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de betrokkene voor het verrichten van de betreffende handelingen een beloning heeft ontvangen. Een ander geval waarin het verrichten van witwashandelingen tot daadwerkelijk voordeel kan leiden, doet zich voor als uit misdrijf verkregen voorwerpen worden omgezet en daardoor een vermogensvermeerdering optreedt. Wanneer bijvoorbeeld investeringen worden gedaan met uit misdrijf verkregen gelden, kan een positief rendement als voordeel van witwassen worden aangemerkt.
2.4.4 Het vorenstaande komt er dus op neer dat het uit misdrijf afkomstige voorwerp ten aanzien waarvan witwasgedragingen worden verricht, niet kan gelden als voordeel dat met het verrichten van die witwasgedragingen wordt verkregen. Dat voorwerp is immers al uit misdrijf afkomstig – en vormt dus de opbrengst van dat misdrijf – maar is niet verkregen door middel van het verrichten van witwasgedragingen. Dat sluit niet uit dat het verrichten van witwasgedragingen op een andere wijze wederrechtelijk voordeel oplevert voor de betrokkene. Daarvan kan sprake zijn als bij de betrokkene als gevolg van het verrichten van witwasgedragingen een vermogensvermeerdering optreedt, bijvoorbeeld in de vorm van een beloning of een positief rendement.’
16. Deze overwegingen zien op ‘witwassen’. In de onderhavige strafzaak is sprake van ‘eenvoudig witwassen’. Een veroordeling wegens eenvoudig witwassen is, zo kwam al aan de orde, slechts mogelijk als sprake is van een voorwerp dat ‘onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf’. Dat eigen misdrijf (diefstal) is in eerste aanleg en in hoger beroep eveneens bewezenverklaard. Er is geen reden om een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, en dat uit dien hoofde als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt, bij de berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel niet in aanmerking te nemen op grond van de enkele omstandigheid dat het tevens het voorwerp is waarmee – noodzakelijkerwijs daarop volgend – het misdrijf eenvoudig witwassen is gepleegd. [2] De door de bewezenverklaarde diefstallen verkregen voorwerpen vormen wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover in de overwegingen van het hof besloten ligt dat bij de ingeleverde voorwerpen die niet tot de bewezenverklaarde diefstallen te herleiden zijn van ‘eenvoudig witwassen’ sprake is, kan daaruit worden afgeleid dat ook bij die voorwerpen sprake is van ‘eigen misdrijven’ waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
17. Daarmee resteert de klacht over ’s hofs oordeel dat de niet tot de bewezenverklaarde diefstallen te herleiden voorwerpen verkregen zijn door strafbare feiten waaromtrent ‘voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan’. Dat oordeel berust in de eerste plaats op de door het hof overgenomen overwegingen uit het vonnis van de politierechter, waarin besloten ligt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen door eigen misdrijf verkregen zijn. En ’s hofs oordeel berust voorts op de vaststellingen dat het bij de goederen die van de betrokkene gekocht zijn nagenoeg alleen om (gloed)nieuwe goederen gaat, dat deze goederen gelijkend zijn aan ‘de gestolen goederen waarvoor verdachte bij onderliggend strafarrest is veroordeeld’, en dat betrokkene geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de door hem aan ‘Used products’ verkochte goederen. ‘s Hofs oordeel is in het licht van deze vaststellingen niet onbegrijpelijk en toereikend met redenen omkleed. Daaraan doet niet af dat het hof niet heeft vastgesteld dat (er voldoende aanwijzingen zijn dat) de betrokkene ook deze andere goederen heeft gestolen. In de onderhavige zaak doet zich niet een geval voor waarin ‘niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan’. [3] Ik neem daarbij in aanmerking dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad om aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
18. Een en ander brengt mee dat het middel faalt.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Wet van 31 maart 2011,
2.Vgl. in dit verband ook HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1680,
3.Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523,