Conclusie
eiser tot cassatie
verweerster in cassatie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelneemt (onder 1.1) tot uitgangspunt dat het hof terecht tot ambtshalve toetsing aan (de regeling van art. 6:193a e.v. BW en dus ook) art. 6:193g BW en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken [11] is overgegaan. Volgens het onderdeel (onder 1.2) heeft [verweerster] zich niet op de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken dan wel art. 6:193g BW beroepen. Volgens het onderdeel geldt hetzelfde met betrekking tot het oordeel van het hof dat sprake is van een piramidesysteem in de zin van art. 6:193g, onder n, BW en dat [eiser] dient te worden aangemerkt als handelaar in de zin van art. 6:193a lid 1, onder b, BW. Volgens het onderdeel (onder 1.3) heeft het hof tijdens de comparitie van partijen van 25 mei 2020 ambtshalve de oneerlijke handelspraktijk aan de orde gesteld, maar is daarbij niet gewezen op de mogelijke consequenties/gevolgen hiervan. Het hof heeft daarbij partijen evenmin in kennis gesteld welke informatie het hof ambtshalve in aanmerking heeft genomen. Partijen is enkel gevraagd wat zij daarover kwijt wilden, aldus nog steeds het onderdeel. Dit leidt tot de klacht (onder 1.3) dat een zodanige handelwijze zich niet verdraagt met het recht op hoor en wederhoor wanneer de rechter na ambtshalve beoordeling van een beding van oordeel is dat het beding onredelijk bezwarend is. Partijen dienen dan in de gelegenheid te worden gesteld zich over een en ander uit te laten, en zo nodig, hun stellingen daaraan aan te passen, welke gelegenheid volgens het onderdeel niet althans onvoldoende is geboden.
Hof: daarnaast moet ik ambtshalve de oneerlijke handelspraktijk aan de orde stellen. Wat wilt u daar over kwijt?
Mr. Suk: (…) Er is dus geen sprake van een piramidespel, omdat er wel producten zijn geleverd. (…) Als laatste wil ik nog toevoegen dat [eiser] geen handelaar is en dat er dus geen rechtsgevolgen aan verbonden kunnen worden ten aanzien van [eiser].” [13]
Ambtshalve toetsing III, het herzien rapport van de redactieraad van het LOVCK&T van mei 2018, maar ook daar treft men dat standpunt zo niet aan. [25] Voor de bepleite formele eis zie ik in gevallen als het onderhavige geen grond, nu die eis daarin (veel) verder kan gaan dan nodig is en dus ook de procesvoering meer kan belasten (qua tijd en kosten) dan nodig is (zie hierna in 3.13 en 3.14).
subonderdelen 2.2-2.6klagen dat het oordeel van het hof in rov. 5.11 dat [eiser] dient te worden gekwalificeerd als handelaar in de zin van art. 6:193a lid 1, onder b, BW rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Geen van deze subonderdelen is mijns inziens gegrond. Ik bespreek de subonderdelen hierna kort afzonderlijk in de volgorde waarin ze zijn aangevoerd.
subonderdeel 2.3dient een onderscheid te worden gemaakt tussen degene die de handelspraktijk vormt (in dit geval OneLife) en degene die ten behoeve van deze handelspraktijk handelt. De reikwijdte van laatstgenoemde uitbreiding dient volgens het subonderdeel beperkt te blijven.
(…) Bij een natuurlijk persoon zonder handelsregisterinschrijving zal de regelmatigheid/kwantiteit een rol spelen bij de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. (…)
Een consument die zich laat verleiden tot deelneming aan een piramide-verkoopsysteem, blijft blijkens letter
nvan art. 6:193g BW (overeenkomend met nr. 14 van bijlage I bij Richtlijn 2005/29) een consument. Immers: ‘het opzetten, beheren of aanbevelen [van een piramidesysteem] waarbij
de consumenttegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van goederen’ (cursivering toegevoegd) wordt daar tot een onder alle omstandigheden misleidende handelspraktijk bestempeld.”
bBW gelijkgesteld: degene die ten behoeve van een handelaar handelt.
In de MvA I (30928, C, p. 9) heeft de regering nog aangegeven: ‘Dit is bijvoorbeeld de gevolmachtigde in de zin van artikel 3:60 lid 1 BW Pro’ (d.w.z. iemand die van een volmachtgever de bevoegdheid heeft verkregen om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten). Om wie het nog méér zou kunnen gaan, heeft de regering niet aangegeven.
Het lijkt te gaan om een vertegenwoordiger of een (andere) tussenpersoon die door de handelaar in verband met de onderhavige handelspraktijk is ingeschakeld. Dit laatste staat iets duidelijker in de Richtlijn dan in de Nederlandse wettekst; in art. 2 onder Pro
bvan de Richtlijn staat: ‘degene die in naam of voor rekenschap van [de handelaar] handelt’.
De reikwijdte van dit voorschrift is vooralsnog onduidelijk.” [30]