Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
[eiseres] is eigenaar van een product voor de desinfectie van drinkwater. Dit product is een 0.45% CL02 oplossing in water, 99.9% zuiver en geen chloriet genererend in de bereiding. Het product wordt gemaakt uit een innovatief twee- componentensysteem.
gebiedt eOx International c.s. om met onmiddellijke ingang het gebruik (productie en commercialisatie) van de formule van [eiseres] en daarop gebaseerde producten, voor zover deze formule als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bij eOx International c.s. bekend is geworden, te staken en gestaakt te houden”
4.1. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of eOx International c.s. bij de vervaardiging van haar producten gebruik maakt van de formule van [eiseres] . [eiseres] heeft verklaringen in het geding gebracht waaruit dit naar haar mening blijkt. Nu de betekenis van de verklaringen door eOx International c.s. zijn betwist, kan daaraan (mede gelet op wat onder 4.5 nog wordt overwogen) geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Wel staat echter vast dat [eiseres] in het verleden aan eOx Productie de inhoud van de formule (onder geheimhouding) bekend heeft gemaakt en dat eOx International een zustervennootschap is van eOx productie, aan wie alle activa en passiva van eOx Productie zijn overgedragen. Ook kan op grond van de in België gewezen vonnissen als vaststaand worden aangenomen dat eOx Productie haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Verder kan in het vonnis in appel zoals dat door de Belgische rechter is gewezen, een erkenning worden gelezen van het door eOx International gebruik maken van de formule van [eiseres] . (...) eOx International c.s. heeft daarnaast weliswaar aangevoerd dat zij thans gebruik maakt van een formule die zij van [betrokkene 1] heeft verkregen, maar dit verweer is na betwisting door [eiseres] niet nader onderbouwd. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk acht dat eOx International c.s. gebruik maakt van de formule van [eiseres] .
2.13. eOx International c.s. stelt verder dat de voorzieningenrechter feitelijk heeft geoordeeld dat niet is aangetoond dat eOx International c.s. gebruikmaakt van de formule, en dat zij daarom de vordering had moeten afwijzen (en het hof, zo bedoelt eOx International c.s. klaarblijkelijk, de tenuitvoerlegging van het vonnis nu moet schorsen). Deze stellingname berust op een onjuiste lezing van het vonnis van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk voorshands voldoende aannemelijk geacht dat eOx International c.s. gebruik maakt van de formule, onder meer omdat eOx Productie, aan wie de formule bekend is gemaakt, alle activa en passiva heeft overgedragen [aan] eO[x] International en eOx International niet had onderbouwd dat zij op dat moment [gebruik] maakte van een formule die zij van [betrokkene 1] heeft verkregen (r.o. 4.1). De voorzieningenrechter heeft slechts het opgelegde verbod beperkt, omdat het eventueel alsnog autonoom ontwikkelen en daarna gebruiken van de formule door eOx International c.s. niet onrechtmatig zou zijn (r.o. 4.5).
de formule van [eiseres] en daarop gebaseerde producten’ vervangen door: ‘
de formule van [eiseres] voor Dioxid SP (0,75%) zoals gespecificeerd in rov. 2.7 van dit arrest en de daarop gebaseerde producten’ (hierna ook: de [eiseres] Formule). Voor zover het door de voorzieningenrechter opgelegde gebod ruimer was geformuleerd, is dit vernietigd. [5] Daarnaast heeft het hof de opgelegde dwangsom gemaximeerd op € 1.000.000,-. [6] In het gebod-arrest heeft het hof onder meer als volgt overwogen:
2.12. Voorshands is voldoende aannemelijk dat eOx International producten op de markt heeft gebracht waarin de geheime formule van [eiseres] is toegepast. CCL en eOx International erkennen dat eOx International chloordioxide producten verhandelt (…). [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het gaat om onder meer het product Eoxide LQ 75. (...)
4.40. De stelplicht en de bewijslast van de stelling dat eOx International de [eiseres] mengverhouding (heeft) gebruikt bij de productie van eOxide LQ (0,75%) en/of een opvolgend/ander chloordioxideproduct, rusten op [eiseres] , die zich op het rechtsgevolg van deze stelling beroept. De rechtbank ziet voldoende aanknopingspunt om deze stelling voorshands als vaststaand aan te nemen. De rechtbank baseert dit bewijsvermoeden op de onder 4.35, 4.37 en 4.38 bedoelde stukken [‘material safety data sheets’ en (analyse-)rapporten – toevoeging hof] waaruit volgt dat bij de mengverhouding die wordt gebruikt voor eOxide LQ (0,75%) twee componenten in dezelfde verhouding worden toegevoegd aan water als bij de [eiseres] -mengverhouding voor DIOXID 0.75%, hetgeen na zeven uur leidt tot eenzelfde concentratie chloordioxide als in de [eiseres] -mengverhouding voor DIOXID 0.75%. De rechtbank neemt hier voorts in aanmerking dat:
3.Procesverloop
de formule van [eiseres] en daarop gebaseerde producten, voor zover deze formule als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bij [eOx c.s.] bekend is geworden’ en dat [eiseres] niet aannemelijk maakt dat eOx c.s. ‘
de formule van [eiseres] en daarop gebaseerde producten’ gebruikt. [10] Volgens eOx c.s. maakt eOx International bij de productie en verkoop van chloordioxiden gebruik van de formule die CCL uit hoofde van een overeenkomst van 14 maart 2007 van [betrokkene 1] heeft verkregen. [11] Voor zowel CCL als eOx International geldt dat zij nooit gebruik hebben gemaakt van de formule van [eiseres] , aldus eOx c.s. [12]
het aan [eiseres] op te leggen verbod om zonder het vervuld te zijn van de in rov. 4.5 van het [gebod-vonnis] genoemde voorwaarden, aanspraak te maken op volgens haar verbeurde dwangsommen’, wordt toewijsbaar geacht, waarbij de voorzieningenrechter overweegt aanleiding te zien om aan dit verbod een dwangsom te verbinden (rov. 4.4).
mengverhouding’) van [eiseres] voor de productie van Dioxid SP (0,75%) nooit heeft toegepast bij de bij de fabricage van chloordioxideproducten, in het bijzonder niet bij de productie van Eoxide LQ 0,75%. Bij de fabricage van die producten is gebruik gemaakt van de formule van [betrokkene 1] , die is verkregen uit hoofde van (licentie)overeenkomsten en die niet identiek is aan de formule van [eiseres] voor de productie van Dioxid SP (0,75%). [eiseres] heeft geen enkel bewijs overgelegd van de gestelde schendingen van het gebod zoals dat volgt uit het gebod-arrest, aldus steeds eOx c.s. [14] Daarnaast is aangevoerd dat zo al dwangsommen zouden zijn verbeurd, heeft te gelden dat die dwangsommen zijn verjaard (art. 611g Rv). Gelet op de verjaring van de dwangsommen, heeft [eiseres] geen belang (meer) bij het hoger beroep en ligt het in de rede dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard, aldus eOx c.s. [15]
het Gebod’ – waarmee het hof kennelijk doelt op het gebod zoals dat volgens het gebod-arrest luidt [17] – heeft overtreden, waarbij het hof vooropstelt dat van een overtreding sprake is ‘
indien eOx c.s. na betekening van het gebod-vonnis op de [eiseres] Formule gebaseerde producten heeft geproduceerd en/of gecommercialiseerd, voor zover deze formule als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bij eOx International c.s. bekend is geworden’ (rov. 4.2).
4.3 Als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in het gebod-vonnis en het hof in het gebod-arrest hebben geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat eOx International producten op de markt heeft gebracht waarin de geheime formule van [eiseres] is toegepast (r.o. 2.12 van het gebod-arrest), dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eOx International voor haar Eoxide LQ 75 een formule heeft gebruikt die gelijk is aan de geheime formule die [eiseres] heeft ontwikkeld voor haar Dioxid SP (0,75%) (r.o. 2.13 van het gebod-arrest), dat voldoende aannemelijk is dat eOx International de formule heeft gekregen van eOx Productie (r.o. 2.17 van het gebod-arrest) en dat ook CCL onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de [eiseres] Formule (r.o. 2.19 van het gebod-arrest).
4.Juridisch kader
onverminderd zijn overige bevoegdheden’). [29] Zo heeft de voorzieningenrechter op grond art. 438 Rv Pro de bevoegdheid om desgevorderd de executie te schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist en kan hij beslagen opheffen, al of niet tegen zekerheidstelling.
schorsen(of verbieden [30] ) van de tenuitvoerlegging van een uitspraak gold tot enkele jaren geleden de maatstaf uit het standaardarrest
Ritzen/Hoekstra [31] . Die maatstaf luidt als volgt:
Ritzen/Hoekstrabestaat in een executiegeschil in kort geding dus slechts grond voor schorsing indien – kort gezegd – de executant
misbruik maakt van zijn bevoegdheidom een uitspraak ten uitvoer te leggen (art. 3:13 BW Pro). [32] Daarvan kan ook sprake zijn buiten de in het arrest genoemde gevallen – de te executeren uitspraak berust klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag, [33] respectievelijk de executie zal door na deze uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan [34] –, zo is nadien door de Hoge Raad benadrukt. Er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid, aldus de Hoge Raad. [35]
Strandhotel-arrest van 20 december 2019 [36] is de Hoge Raad gedeeltelijk teruggekomen van zijn met
Ritzen/Hoekstraingezette rechtspraak, [37] namelijk voor zover het gaat om een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat. In dat geval is niet langer de toetsingsmaatstaf uit
Ritzen/Hoekstravan toepassing, maar geldt dat de vordering aan de hand van dezelfde maatstaf moet worden beoordeeld als een incidentele vordering of een incidenteel verzoek tot schorsing als bedoeld in art. 351 Rv Pro respectievelijk art. 361 lid 2 Rv Pro. [38] De
Ritzen/Hoekstra-maatstaf is ingevolge het
Strandhotel-arrest alleen nog aan de orde als de schorsingsvordering in kort geding betrekking heeft op een uitspraak waartegen géén rechtsmiddel (meer) openstaat. Daarvoor geldt dus ook na het
Strandhotel-arrest nog onverkort – in de woorden van de Hoge Raad – ‘
dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren’. [39]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
4.1 Het hof stelt voorop dat [eiseres] belang heeft bij haar hoger beroep en daarin ontvankelijk kan worden verklaard. eOx c.s. erkent dat zij de brief van [eiseres] van 10 augustus 2018 heeft ontvangen waarin de verjaring van de dwangsommen waarop aanspraak wordt gemaakt is gestuit. De verjaringstermijn die daarna is gaan lopen is door het Vonnis geschorst. Naar het oordeel van het hof moet een situatie als de onderhavige, waarin de voorzieningenrechter executoriale beslagen heeft opgeheven die waren gelegd ter verhaal van verbeurde dwangsommen en een verbod heeft opgelegd om aanspraak te maken op verbeurde dwangsommen, net als de situatie waarin de tenuitvoerlegging van dwangsommen op grond van artikel 438 lid Pro 2 [oud; A-G] Rv wordt geschorst (vgl. HR 29 juni 2013, ECLI:NL:HR:2012:BW1259), worden aangemerkt als een wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom als bedoeld in artikel 611g Rv, waardoor de verjaring wordt geschorst. Dat het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod alleen geldt als [eiseres] aanspraak op dwangsommen maakt zonder te voldoen aan de in r.o. 4.5 van het gebod-vonnis genoemde voorwaarden, inhoudende – samengevat – dat [eiseres] bewijst dat het Gebod is overtreden, maakt dat niet anders. Bij het vonnis heeft de voorzieningenrechter namelijk geoordeeld dat [eiseres] die overtreding (nog) niet voldoende aannemelijk had gemaakt en daarom geen aanspraak mocht maken op dwangsommen.”
klacht 1(procesinleiding, onder 6) geeft het oordeel in rov. 4.1, dat een situatie als de onderhavige, waarin de voorzieningenrechter executoriale beslagen heeft opgeheven die waren gelegd ter verhaal van verbeurde dwangsommen en een verbod heeft opgelegd om aanspraak te maken op verbeurde dwangsommen, moet worden aangemerkt als een wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom als bedoeld in art. 611g Rv waardoor de verjaring wordt geschorst, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat het hof heeft miskend dat de onderhavige situatie niet hetzelfde is als die in het arrest
[…] /Auto-Campingsport Deurnewaarnaar het hof verwijst, omdat het verbod om aanspraak te maken op verbeurde dwangsommen in de onderhavige zaak voortvloeit uit de voorwaarde die in het in rov. 4.5 van het gebod-vonnis is gesteld.
Kratos/Gulf Oilheeft de Hoge Raad geoordeeld dat de ratio van de korte verjaringstermijn niet alleen is gelegen in het bezwaar van het onevenredig hoog oplopen van de dwangsommen door stilzitten van de schuldeiser, maar ook in het doel van de dwangsom om als prikkel tot nakoming te fungeren. Wil de dwangsom daadwerkelijk beantwoorden aan zijn doel van prikkel tot nakoming, dan moet kort na het (gestelde) verbeuren aanspraak op betaling worden gemaakt, zodat degene aan wie de dwangsom is opgelegd, binnen korte tijd duidelijk is gemaakt dat hij naar het oordeel van zijn wederpartij dwangsommen heeft verbeurd of verbeurt, mede met het oog op zijn bewijspositie. [52]
en ieder ander wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom. Deze bepaling vindt eveneens haar grondslag in art. 7 van Pro de Eenvormige wet, althans voor wat betreft de schorsingsgronden ‘faillissement’ en ‘ieder ander wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom’. In het derde lid van art. 611g Rv, dat ook op art. 7 van Pro de Eenvormige wet is terug te voeren, is bepaald dat de verjaring ook wordt geschorst zolang degene die de veroordeling verkreeg met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijs niet bekend kon zijn.
[…] /Auto-Campingsport Deurne(waarnaar het hof verwijst) heeft de Hoge Raad bepaald dat ook een door de voorzieningenrechter uitgesproken schorsing van de tenuitvoerlegging van dwangsommen op de voet van art. 438 lid Pro 2 (oud) Rv (thans: art. 438 lid 3 Rv Pro) een wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom als bedoeld in art. 611g lid 2 Rv vormt. [54] De Hoge Raad verwierp daarbij het cassatiemiddel waarin was betoogd dat de schorsing van de mogelijkheid tot executie van de dwangsommen niet rechtstreeks uit art. 438 Rv Pro voortvloeit, maar uit het vonnis van de voorzieningenrechter.
nieuweverjaringstermijn is dan ook, anders dan de klacht kennelijk veronderstelt, niet aan de orde. [57] Ook daarom kan de klacht niet slagen.
gebod-arrest’ (bedoeld zal zijn: het gebod-
vonnis). Immers, het gebod in het gebod-vonnis komt neer op een verbod zonder specificatie van de formule van [eiseres] , terwijl het gebod in het gebod-arrest wel een specificatie bevat door de verwijzing naar rov. 2.7 van het gebod-arrest. De klacht vervolgt dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat er geen grond is voor de schorsing van de executie van de aangezegde dwangsommen dan ook onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het hof een onbegrijpelijke uitleg geeft aan het gebod-arrest, door aan de herformulering van het gebod in het gebod-arrest terugwerkende kracht toe te kennen en daaraan met terugwerkende kracht de dwangsommen van het eerdere gebod-vonnis te verbinden.
Telfort/Scaramea. [58] In die zaak was Telfort in eerste aanleg in kort geding op straffe van een dwangsom veroordeeld om een interconnectie-capaciteit ter grootte van 5000 poorten ter beschikking te stellen aan Scaramea. Deze veroordeling – waaraan Telfort niet heeft voldaan [59] – werd in het door Telfort ingestelde hoger beroep door het hof bekrachtigd, met uitzondering van het in het dictum van het kort gedingvonnis genoemde aantal van 5000 poorten; dat aantal werd door het hof teruggebracht tot 1656 poorten, omdat het naar het oordeel van het hof voor Telfort destijds feitelijk onmogelijk was om meer dan 1656 poorten te leveren. [60] Dit oordeel van het hof hield in cassatie geen stand. Volgens de Hoge Raad is de veroordeling tot levering van 1656 poorten in het hofarrest een andere veroordeling dan die tot levering van 5000 poorten in het kort gedingvonnis, en komt bekrachtiging van de in eerste aanleg opgelegde dwangsom in dat geval erop neer dat met terugwerkende kracht een dwangsom wordt verbonden aan een andere veroordeling (dan de veroordeling tot levering van 5000 poorten waaraan die dwangsom was verbonden), hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid en niet strookt met het karakter van de dwangsom als prikkel tot nakoming van de veroordeling. [61] In de woorden van de Hoge Raad (rov. 3.5; mijn onderstrepingen):
3.5 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het Hof, uitgaande van zijn opvatting omtrent de rechtsstrijd in hoger beroep, geen uitspraak behoefde te doen over de vraag of Telfort alsnog 1656 poorten aan Scaramea diende te leveren. Ofschoon het zich bij de beoordeling van het hoger beroep derhalve kon beperken tot de vraag in hoeverre Telfort terecht was veroordeeld tot de levering van 5000 poorten, had het, nu het deze vraag ontkennend beantwoordde en de door de President uitgesproken veroordeling wijzigde in die zin dat Telfort destijds 1656 poorten had moeten leveren, het vonnis van de President behoren te vernietigen (vgl. HR 22 januari 1999, nr. 16771, NJ 1999, 381).Zou het Hof de grond voor zijn inkleding van het dictum, te weten bekrachtiging van het bestreden vonnis van de President, met dien verstande dat het aantal te leveren poorten is bepaald op het door het Hof juist geachte aantal, hebben gezocht in de gedachte dat aldus de aan de veroordeling verbonden dwangsom in stand zou blijven, dan geeft deze gedachtengang blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu Telfort in de onmogelijkheid verkeerde ten aanzien van de veroordeling tot levering van 5000 poortenen zij naar het oordeel van het Hof destijds slechts aan een andere veroordeling kon voldoen, te weten die tot levering van het aantal van 1656 poorten,zou immers bekrachtiging van het vonnis wat betreft de dwangsom erop neerkomen dat met terugwerkende kracht een dwangsom wordt verbonden aan een andere veroordeling, hetgeen niet alleen in strijd is met de te dezen vereiste rechtszekerheid, maar ook niet strookt met het karakter van de dwangsom als prikkel tot nakoming van de veroordeling. (…).”
Telfort/Scarameavolgt dat de klacht op zichzelf terecht aanvoert dat het de appelrechter niet is toegestaan om met terugwerkende kracht de in eerste aanleg opgelegde dwangsom te verbinden aan een ándere veroordeling in hoger beroep [62] . De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. Daartoe geldt het volgende.
een (gedeeltelijke) bekrachtiging’ is gegeven van het gebod dat de voorzieningenrechter had opgelegd (voor zover het ziet op de [eiseres] Formule), en dat daarmee een dwangsom is verbonden ‘
aan een andere veroordeling dan is opgelegd in het ‘gebod-vonnis’. In rov. 2.16 overweegt het hof immers dat het hof in het gebod-arrest het ‘Gebod’ in enigszins aangepast vorm in stand heeft gelaten, namelijk met de toevoeging dat de formule van [eiseres] Dioxid SP (0,75%) betreft. Hiermee is het hof er kennelijk vanuit gegaan dat geen sprake was van een ándere veroordeling in hoger beroep, maar dat het ging om dezelfde veroordeling, waarbij slechts een precisering is gegeven van wat bedoeld is met ‘de formule van [eiseres] ’. Reeds hierop stuit de klacht af.
uitlegdie het hof geeft aan het gebod-arrest (en daarmee het oordeel in rov. 4.7 dat er geen grond is voor schorsing van de executie van de aangezegde dwangsommen) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, omdat die uitleg – die volgens de klacht inhoudt dat het gebod in het gebod-arrest een (gedeeltelijke) bekrachtiging vormt voor zover het ziet op gebruik van de [eiseres] Formule (zie onder 5.17) [63] – erop neerkomt dat met terugwerkende kracht de dwangsommen uit het gebod-vonnis worden verbonden aan een andere veroordeling (nu het gebod in het gebod-arrest een andere inhoud en strekking heeft dan het gebod in het gebod-vonnis [64] ). De door het hof aan het (dictum van het) gebod-arrest gegeven uitleg is echter feitelijk van aard en kan in cassatie derhalve niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst (zie onder 4.10).
het gebod-arrestgrond biedt voor de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven. Als die uitleg (voldoende begrijpelijk) uit het gebod-arrest volgt, dan is er geen grond om het uitlegoordeel van het hof als onbegrijpelijk aan te merken (alleen omdat ’s hofs uitleg de door de klacht bedoelde terugwerkende kracht zou inhouden).
omdat het hof het gebod-arrest zou hebben opgevat als een (gedeeltelijke) bekrachtiging– erop neer zou komen dat met terugwerkende kracht een dwangsom wordt verbonden aan een andere veroordeling, niet het gevolg van de uitleg van het hof, maar van de beslissingen in het gebod-arrest waarop die uitleg ziet.
klacht 2(onder 10) heeft het hof althans miskend dat sanctionering van het gebod-vonnis met een dwangsom in de gegeven omstandigheden onredelijk is en strijd met de rechtszekerheid oplevert, omdat [eiseres] onduidelijk was over de inhoud van haar geheime formule, waarom eOx c.s. daarop inbreuk maakte en om welke producten van eOx c.s. het precies ging. De klacht vervolgt dat hierover pas met de specificatie in rov. 2.7 van het gebod-arrest (enigszins meer) duidelijkheid is verkregen, waardoor er geen of nauwelijks debat heeft plaatsgevonden over de vraag of en hoe de in rov. 2.7 van het gebod-arrest gespecificeerde mengverhouding door eOx c.s. is toegepast en ten aanzien van welke producten.
executiegeschil geen sprake is – en ook niet kan zijn – van een sanctionering door het hof van het gebod-vonnis met een dwangsom en geen plaats is voor een discussie over de redelijkheid van de dwangsomveroordeling.
klacht 3(onder 11) wordt aangevoerd dat de oordelen van het hof in rov. 4.6 en 4.7 van het bestreden arrest erop neerkomen dat eOx c.s. € 1.000.000,- aan dwangsommen zou hebben verbeurd in de periode dat de formule van [eiseres] nog niet door [eiseres] is gespecificeerd en enkel omdat zij dezelfde producten verhandelde, terwijl de formule van [eiseres] nog niet was omschreven en dus door de rechter nog niet kon worden vastgesteld of met betrekking tot die producten gebruik van die formule was gemaakt. Dit terwijl, zo vervolgt de klacht, ‘
de veroordeling in het relevante tijdvak vanaf het kort geding vonnis tot 23 januari 2018 waaraan de aangezegde dwangsommen waren verbonden, moet worden gelezen in het licht van rov. 4.5 van het gebod-vonnis’. In dit licht is het oordeel van het hof volgens de klacht onaanvaardbaar. Zonder nadere toelichting zou dit oordeel althans onbegrijpelijk zijn, omdat het hof verzuimt te motiveren waarom het redelijk is om [eiseres] toe te staan zich met terugwerkende kracht op de herformulering in het gebod-arrest te beroepen, terwijl zij verzuimt gegevens te verschaffen op basis waarvan kan worden beoordeeld of de producten van eOx c.s. gebruikmaken van het bedrijfsgeheim waarvan de bescherming wordt ingeroepen.
2.29 Voor zover CCL en eOx International hebben bedoeld te betogen dat hen ook niet duidelijk was dat het bevel (mede) betrekking had op de formule van Dioxid SP (0,75%), moet het betoog worden verworpen. Gelet op de gronden waarop [eiseres] het bevel had gevorderd en de voorzieningenrechter het bevel heeft toegewezen was voldoende duidelijk dat het bevel in ieder geval betrekking had op de formule die ten grondslag ligt aan de door eOx Productie voorheen onder de merknaam Dioxid SP (0,75%) verhandelde producten.
klachten 1-4richten zich, naar ik begrijp, tegen het in rov. 4.7 vervatte oordeel van het hof dat ‘
eOx c.s. het Gebod heeft overtreden en nog immer overtreedt en derhalve dwangsommen heeft verbeurd en (tot het vastgestelde maximum) verbeurt’.
klacht 2(onder 13) aangevoerd dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom het enkele verhandelen van dezelfde producten als ten tijde van het gebod-vonnis als een schending van het gebod moet worden aangemerkt, terwijl het hof niet duidelijk maakt om welke producten het gaat en hoe daarmee inbreuk is gemaakt op de formule van [eiseres] .
4.2 In deze procedure gaat het erom vast te stellen of eOx c.s. het Gebod heeft overtreden op grond waarvan eOx c.s. dwangsommen heeft verbeurd. Van overtreding van het Gebod is sprake indien eOx c.s. na betekening van het gebod-vonnis op de [eiseres] Formule gebaseerde producten heeft geproduceerd en/of gecommercialiseerd, voor zover deze formule door contractbreuk door eOx Productie bij eOx International c.s. bekend is geworden.”
in enigszins aangepaste vorm in stand [is] gelaten, namelijk met de toevoeging dat het de formule van [eiseres] Dioxid SP (0,75%) zoals in r.o. 2.7 van dat arrest gespecificeerd (hierna ook: de [eiseres] Formule), betreft’. Uit deze overweging is op te maken dat waar het hof in rov. 4.2 e.v. spreekt van ‘het Gebod’, kennelijk wordt bedoeld het gebod zoals dat volgens het gebod-arrest luidt. [66] Dit is ook af te leiden uit het feit dat het hof in rov. 4.2 e.v. steeds spreekt van ‘de [eiseres] Formule’, waaronder blijkens rov. 2.16 is te verstaan ‘de formule van [eiseres] (voor [67] ) Dioxid SP (0,75%), zoals gespecificeerd in rov. 2.7 van het gebod-arrest’.
eOx c.s, naar zij zelf stelt, nog immer dezelfde producten verhandelt als die waarvan reeds is geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat daarmee door eOx c.s. gebruik wordt gemaakt van de als gevolg van contractbreuk van eOx Productie bij eOx c.s. bekend geworden [eiseres] Formule’ en dat bij die stand van zaken ‘
moet worden geoordeeld dat eOx c.s. het Gebod heeft overtreden en nog immer overtreedt’ (rov. 4.7).
geen ándere producten is gaan verhandelendan die waarvan reeds voorshands voldoende aannemelijk is geoordeeld
dat daarmee gebruik wordt gemaakt van de (via eOx Productie bekend geworden) [eiseres] Formule. Van miskenning van de door de eerste klacht genoemde maatstaf (vgl. onder 4.10) is geen sprake. Het hof stelt in rov. 4.2 immers expliciet voorop wat ‘het Gebod’ inhoudt, om vervolgens te onderzoeken hoe eOx c.s. heeft gehandeld (in welk kader het hof vaststelt dat eOx c.s geen ándere producten is gaan verhandelen) en of zij zich daarmee heeft gehouden aan de veroordeling (‘
het Gebod’ zoals weergegeven in rov. 4.2 van het bestreden arrest). Daarmee faalt de eerste klacht van onderdeel III.
enkeleverhandelen van dezelfde producten als ten tijde van het gebod-vonnis moet worden aangemerkt als een overtreding van ‘het Gebod’. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat volgens het hof sprake is van een overtreding omdat eerder is geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat – in de woorden van het hof – ‘
door eOx c.s. gebruik wordt gemaakt van de als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bij eOx c.s. bekend geworden [eiseres] Formule’ (rov. 4.7) en dit óók geldt voor de nadien door eOx c.s. verhandelde producten, nu deze producten dezelfde zijn als de producten waarop dit voorshands oordeel ziet. Het gaat er in de overwegingen van het hof dus niet (slechts) om dat dezelfde producten zijn verhandeld, maar om het feit dat – kort gezegd – voor die producten al voorshands is aangenomen dat eOx c.s. ‘
daarmee’ gebruik maakt van de door contractbreuk verkregen [eiseres] Formule. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk in de door de klacht voorgestane zin.
eOx c.s. het Gebod heeft overtreden’, dat ‘
als uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter in het gebod-vonnis en het hof in het gebod-arrest hebben geoordeeld dat (…)’, waarna een opsomming volgt van enkele oordelen uit het gebod-
arrest, met daarbij vermeld de rechtsoverwegingen waarin deze oordelen zijn gegeven (‘
r.o. (…) van het gebod-arrest’). Nu het hof in rov. 4.3 alleen oordelen noemt die uit het gebod-arrest afkomstig zijn, moet m.i. worden aangenomen dat het hof kennelijk bedoeld heeft alleen deze oordelen tot uitgangspunt te nemen bij het beantwoorden van de vraag of eOx c.s. ‘het Gebod’ heeft overtreden, en niet ook de (niet nader genoemde) overwegingen uit het gebod-vonnis, niettegenstaande de overweging dat ‘de voorzieningenrechter in het gebod-vonnis heeft geoordeeld dat’.
klachten 5 en 6zien op rov. 4.6 van het bestreden arrest, waarin het hof het volgende heeft overwogen (onderstreping overgenomen):
4.6 Anders dan waar eOx c.s. vanuit gaat (in par. 14 MvA), geldt ten aanzien van producten die hetzelfde zijn en op dezelfde wijze worden vervaardigd als de door eOx c.s. ten tijde van gebod-vonnis verhandelde producten, niet dat [eiseres] voordat zij aanspraak zou kunnen maken op dwangsommen, (verder) bewijs zou moeten bijbrengen dat daarmee gebruik wordt gemaakt van de contractueel beschermde [eiseres] Formule. Dat reeds eerder door eOx c.s. ingenomen standpunt heeft het hof verworpen in zijn arrest in het incident (zie r.o. 2.15 hiervoor) en daarbij (in r.o. 2.13 van dat arrest) nadrukkelijk overwogen: “(...) De voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk voorshands voldoende aannemelijk geacht dat eOx International c.s. gebruik maakt van de formule (...). De voorzieningenrechter heeft slechts het opgelegde verbod beperkt, omdat het eventueelalsnogautonoom ontwikkelen en daarna gebruiken van de formule door eOx International c.s. niet onrechtmatig zou zijn (r.o. 4.5)” (onderstreping toegevoegd – hof)”
klacht 5(onder 16) wordt betoogd dat het hof miskent dat het niet is gebonden aan de beslissing in het incident. Volgens de klacht diende het hof in het onderhavige geding (zelfstandig) te beoordelen wat de voorzieningenrechter met het gebod-vonnis, in het bijzonder met rov. 4.5 van dat vonnis, heeft bedoeld. Daarnaast wordt geklaagd dat ’s hofs beslissing om het oordeel in het incident te volgen zonder nader toelichting onbegrijpelijk is, nu het oordeel in het incident over de uitleg van het gebod-vonnis is gebaseerd op stukken die in hoger beroep zijn aangevoerd en niet op het processuele debat voorafgaand aan het gebod-vonnis. Door te verwijzen naar het incident kiest het hof voor een onvoldoende begrijpelijke benadering voor de uitleg van het gebod-vonnis. Wat het hof immers niet vermeldt (hetgeen zijn redenering onvoldoende begrijpelijk maakt), zo vervolgt de klacht, is dat de formule van [eiseres] in het gebod-vonnis niet (voldoende specifiek) is omschreven, zodat daarin nog niet kon worden beslist welke producten van eOx c.s. inbreuk maken en eOx c.s. er op basis van rov. 4.5 van het vonnis vanuit mocht gaan dat [eiseres] dit eerst aannemelijk moest maken.
gebondenzou hebben geacht, zoals klacht 5 stelt, is uit rov. 4.6 van het bestreden arrest niet op te maken. ’s Hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk in de door de klacht voorgestane zin. Daarbij is nog op te merken dat, anders dan de klacht veronderstelt, de door het hof geciteerde overweging uit het arrest in het incident niet berust op het debat dat in het hoger beroep in die procedure is gevoerd, maar, mede gelet op de verwijzing in die overweging naar ‘
r.o. 4.5’, op de tekst van (rov. 4.5 van) het gebod-vonnis. [68]
hieraan’ voorbijgaat.
kennelijk (blijkens het gebruik van het woord ‘thans’ in r.o. 4.3 van het Vonnis [het executievonnis; A-G]) aldus [heeft] begrepen dat eOx c.s. zich op het standpunt stelde dat zij na het gebod-vonnis gebruik is gaan maken van een door [betrokkene 1] ontwikkelde formule’. Geklaagd wordt dat die uitleg van het executievonnis onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof genoemde stellingen uit de pleitnotities in eerste aanleg van eOx c.s. [69] en bovendien strijdig is met het vervolg van rov. 4.3 van het executievonnis, nu uit dat vervolg blijkt dat volgens de voorzieningenrechter eOx c.s. al voor het gebod-vonnis gebruik is gaan maken van de door [betrokkene 1] ontwikkelde formule.
derhalve nadrukkelijk niet op het standpunt [stelt] dat de na het gebod-vonnis door haar verhandelde producten andere, dan wel op basis van een andere formule of mengverhouding vervaardigde, producten zijn, dan die zij voorafgaand aan het gebod-vonnis verhandelde’ en dat eOx c.s. zich ‘
integendeel, nog steeds op het standpunt [blijft stellen] dat zij geen gebruik maakt(e) van de via eOx Productie bekend geworden [eiseres] Formule, maar van een formule die zij van [betrokkene 1] heeft verkregen’.
eOx International stelt dat zij thans gebruik maakt van een formule die door [betrokkene 1] is ontwikkeld’. Gelet op zijn onder 5.55 weergegeven overwegingen heeft het hof deze overweging uit het executievonnis kennelijk zo geïnterpreteerd, dat volgens de voorzieningenrechter het standpunt van eOx c.s. inhoudt dat zij
pasná het gebod-vonnis gebruik is gaan maken van een door [betrokkene 1] ontwikkelde formule en (dus) voordien wél gebruik maakte van de bewuste formule van [eiseres] . Die lezing van de voorzieningenrechter is volgens het hof onjuist.
ook de bodemrechter in het Tussenvonnis de vraag of eOx c.s. als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bekend is geworden met de [eiseres] Formule en zij deze (heeft) gebruikt voor de door haar verhandelde producten, voorshands bevestigend heeft beantwoord’ (rov. 4.5 van het bestreden arrest). De klachten nemen daarbij tot uitgangspunt dat deze overweging ten overvloede is gegeven (procesinleiding, onder 19).
klacht 2(onder 20) toegevoegd dat zonder nader motivering, die ontbreekt, althans niet begrijpelijk is waarom het enkele feit dat in het tussenvonnis voorshands wordt aangenomen dat eOx c.s. (ooit) gebruik heeft gemaakt van de formule als daad kan worden aangemerkt waardoor feitelijk geen uitvoering is gegeven aan het gebod, aangezien het hof niets overweegt over de inbreukmakende producten die zijn verhandeld, in welke periode dat is gebeurd en waarom die handelingen onder het gebod vallen, waardoor dwangsommen zouden zijn verbeurd.
3.2 (…) de gevraagde voorziening strekt tot opheffing van een conservatoire maatregel of tot een verbod tot het treffen van een dergelijke maatregel, en de uitspraak van de bodemrechter over de vordering ter verzekering waarvan de conservatoire maatregel strekt, nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. In een zodanig geval dienen de belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden betrokken.”
Staat/NVV c.s.zich op het standpunt gesteld dat die gebondenheid óók geldt als sprake is van een voorlopige beslissing in een bodemprocedure: [77]
2. Kortgedingvoorziening na inmiddels gegeven oordeel in hoofdzaak
Staat/NVV c.s.niet zonder meer ervan uit te gaan dat de afstemmingsregel ook onverkort geldt voor voorlopige beslissingen van de bodemrechter. Bakels schrijft – na te hebben uiteengezet dat, kort gezegd, de kortgedingrechter in beginsel alleen mag afwijken van het oordeel van de bodemrechter als diens vonnis klaarblijkelijk op een misslag berust of als sprake is van nieuwe feiten die de bodemrechter tot een ander beslissing zouden hebben geleid indien hij daarmee bekend was geweest – dat het voor de hand ligt dat ‘
de kortgedingrechter eerder een beslissing dient te volgen waarop de rechter die haar wees, in beginsel niet meer kan terugkomen, dan een slechts voorlopig oordeel van de bodemrechter’. [78]
bewijsvermoeden’ dat eOx c.s. door middel van toegelaten tegenbewijslevering kan ontkrachten, [81] het hof van een ‘
voorshands’ oordeel (rov. 4.5 van het bestreden arrest)). In navolging van Snijders (zie onder 5.67) is aan te nemen dat ook in zo’n geval moet worden aangenomen dat de bodemprocedure in hiërarchie boven de kortgedingprocedure staat.
na betekening van het gebod-vonnis op de [eiseres] Formule gebaseerde producten heeft geproduceerd en/of gecommercialiseerd, voor zover deze formule als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bij eOx International c.s. bekend is geworden’ (rov. 4.2 van het bestreden arrest). Uit de door onderdeel V bestreden overweging volgt dat óók in de bodemprocedure voorlag of – in de woorden van het hof – ‘
eOx c.s. als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bekend is geworden met de [eiseres] Formule en zij deze (heeft) gebruikt voor de door haar verhandelde producten’. [82] Daarbij geldt volgens de (in cassatie als zodanig onbestreden) vaststellingen van het hof in rov. 4.5 en 4.7 van het bestreden arrest – kort gezegd – dat eOx c.s. na het gebod-vonnis geen andere producten is gaan verhandelen (rov. 4.5) en dat eOx c.s. nog steeds dezelfde producten verhandelt als die waarvan reeds is geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat daarmee gebruik wordt gemaakt van de via eOx Productie bekend geworden [eiseres] Formule (rov. 4.7, dat kennelijk ook ziet op het tussenvonnis), [83] dat producten van eOx c.s. waarop het oordeel in het tussenvonnis ziet, dezelfde zijn als de producten waarover in het onderhavige executiegeschil moet worden geoordeeld. Nu (uit het cassatiemiddel) niet blijkt dat de door de Hoge Raad aanvaarde uitzonderingen op de afstemmingsregel (zie onder 5.64) zich in deze zaak voordoen, diende het hof op grond van de afstemmingsregel aan te sluiten bij het antwoord dat de bodemrechter op de eerdergenoemde vraag heeft gegeven.
eOx c.s. als gevolg van contractbreuk door eOx Productie bekend is geworden metde [eiseres] Formuleen zijdeze (heeft) gebruikt voor de door haar verhandelde producten’ (rov. 4.5; mijn onderstrepingen). Te noemen is ook de onder 5.72 reeds aangehaalde overweging van het hof in rov. 4.7, waarin eveneens besloten ligt dat in het tussenvonnis en in dit executiegeschil dezelfde producten van eOx c.s. ter beoordeling voorliggen.
nu reeds op grond van de onder 4.35, 4.37 en 4.38 bedoelde stukken als vaststaand kan worden aangenomen dat eOx International de [eiseres] -mengverhouding is (heeft) gebruikt voor de productie van eOxide LQ (75 %) en/of een opvolgend/ander chloordioxideproduct’. Dit weerhield de bodemrechter er echter niet van om vervolgens in rov. 4.41 – mede op basis van ‘
de onder 4.35, 4.37 en 4.38 bedoelde stukken’ – te overwegen, kort gezegd, dat zij voldoende aanknopingspunt ziet om de stelling van [eiseres] dat eOx International de [eiseres] -mengverhouding (heeft) gebruikt voorshands als vaststaand aan te nemen.
klachten 1 en 2zien op de overweging van het hof dat, samengevat, in dit executiegeschil moet worden uitgegaan van de juistheid van de verwerping in zowel het gebod-vonnis als het gebod-arrest van het standpunt van eOx c.s. dat zij geen gebruik maakt(e) van de via eOx Productie bekend geworden [eiseres] Formule, maar van een formule die zij van [betrokkene 1] heeft verkregen.
in dit executiegeschil’ moet worden uitgegaan van de juistheid van de oordelen in het gebod-vonnis en het gebod-arrest – waarmee het hof, gelet op de woorden ‘in dit executiegeschil’, kennelijk toepassing heeft gegeven aan voornoemd uitgangspunt – geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat in deze zaak uiteindelijk een andere vraag voorligt dan in het eerste kort geding, zoals klacht 1 aan het slot opwerpt, doet aan het voorgaande niet af. Staan blijft immers dat het standpunt van eOx c.s. reeds is beoordeeld in het gebod-vonnis en het gebod-arrest, waarin overigens (voor dezelfde producten) evenzeer de vraag voorlag of door eOx c.s. gebruik werd gemaakt van de formule van [eiseres] .
klacht 2(onder 23) heeft het hof althans onvoldoende inzicht verschaft in zijn beoordeling, omdat het hof heeft nagelaten (kenbaar) te onderzoeken of eOx c.s. de formule van [eiseres] voor Dioxid SP (0,75%), zoals gespecificeerd in rov. 2.7 van het gebod-arrest, of een ander formule heeft gebruikt.
klachten 3 en 4richten zich tegen de overweging van het hof dat ‘
eOx c.s. (…) in deze procedure overigens ook geen nieuwe of andere onderbouwing [heeft] aangevoerd’.
Cooperation and Disclosure agreement Chlorine dioxide’ van 14 maart 2007 en de verklaring van [betrokkene 1] van 14 februari 2018.
voornoemde (nieuwe) stukken’ die door eOx c.s. zijn overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat eOxide LQ (0,75) is gebaseerd op de formule van [betrokkene 1] , aldus de klacht.
om een chloordioxine van hoge kwaliteit te maken op basis van twee componenten, hetzij twee vloeistoffen, hetzij twee poeders, hetzij een vloeistof en een poeder’. In deze uiteenzetting op zich valt geen onderbouwing te lezen van het bewuste standpunt van eOx c.s. (in paragraaf 8 wordt ook niet aan dat standpunt gerefereerd), zodat het hof daaraan in dat kader voorbij kon gaan.
in zijn gebod-arrestart. 24 Rv Pro heeft miskend en dus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Voor een beoordeling van die stelling is in deze cassatieprocedure echter geen plaats. Ook hierop strandt de vierde klacht.
klacht 5(onder 26) is het rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het hof in zijn beoordeling in rov. 4.5 niet heeft betrokken het door eOx c.s. gestelde en door [eiseres] onvoldoende weersproken feit dat eOx c.s. de formule van [betrokkene 1] niet eerder en niet nader kon onderbouwen vanwege de vertrouwelijkheid van die formule.
Ritzen/Hoekstra(zie hiervóór, onder 4.5) althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het gebruik van de formule van [eiseres] voor Dioxid SP (0,75%) door eOx c.s. (nog) niet (voldoende) onderbouwd is door [eiseres] , waardoor eOX c.s. werd bemoeilijkt in haar verweer, althans in aanmerking genomen de door eOx c.s. gestelde onevenredigheid tussen het belang van [eiseres] bij de onmiddellijke uitoefening van de executiebevoegdheid [85] en het belang van eOx c.s. dat de bodemprocedure wordt afgewacht waarin op basis van deskundigenonderzoeken beoordeeld wordt of eOx c.s. gebruik maakt van de formule van [eiseres] .
eOx c.s. het Gebod heeft overtreden op grond waarvan eOx c.s. dwangsommen heeft verbeurd’ (rov. 4.2), en niet (ook) heeft getoetst of sprake was van misbruik van bevoegdheid.
althans’ wordt gebruikt, [87] kennelijk ervan uit dat het hof wél heeft beoordeeld of sprake is van misbruik van bevoegdheid. Dat is echter niet het geval, zodat de motiveringsklacht feitelijke grondslag mist. Daarbij valt ten aanzien van ‘
de door eOx gestelde onevenredigheid’ tussen het belang van [eiseres] en het belang van eOx c.s. waarnaar de motiveringsklacht verwijst, nog op te merken dat op de door de klacht genoemde vindplaats in de dagvaarding (onder 20) – voor zover hier van belang – slechts is te lezen dat ‘
de onrechtmatige beslagen (…) een ernstige bedreiging [zijn] voor de continuïteit van de onderneming(en) van eOx International en [CCL]’, waarbij bovendien geldt dat deze stelling in de sleutel staat van het spoedeisend belang van eOx c.s. bij het gevorderde. [88]