ECLI:NL:PHR:2022:103
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over gezag van gewijsde Belgisch verstekvonnis en toepassing art. 3:301 lid 2 BW
Deze zaak betreft het gezag van gewijsde van een door de Belgische rechter gewezen verstekvonnis dat in Nederland erkend is op grond van art. 33 EEX Pro-Verordening. ABC c.s. werd in België veroordeeld tot nakoming van een investeringsovereenkomst met ATI c.s. Later vorderde ABC c.s. in Nederland vernietiging van deze overeenkomst wegens bedrog. Het hof oordeelde dat het gezag van gewijsde van het Belgische vonnis erkend moest worden, maar dat dit niet aan de Nederlandse procedure over vernietiging wegens bedrog in de weg stond.
Daarnaast speelde de vraag of het hoger beroep van ABC c.s. niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het niet was ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals vereist door art. 3:301 lid 2 BW Pro jo. art. 433 Rv Pro. Het hof oordeelde dat dit voorschrift niet van toepassing was omdat de eigendom van de onroerende zaken geacht werd steeds bij ATI te zijn gebleven, zodat de veroordeling tot teruglevering niet in de plaats trad van een leveringsakte.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. Hij stelt dat het gezag van gewijsde van het Belgische vonnis volgens de EEX-Verordening in Nederland erkend moet worden en dat dit gezag in principe ook geldt voor de procedure over vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog, omdat het om dezelfde rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen gaat. Verder bevestigt de Hoge Raad dat het inschrijvingsvereiste van art. 3:301 lid 2 BW Pro alleen geldt voor rechtsmiddelen tegen uitspraken die in de plaats treden van een leveringsakte, en dat het hof dit correct heeft toegepast. De klachten over het niet-inschrijven van het hoger beroep falen daarom. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.