Conclusie
In dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.”
Zeeschepen die niet worden gebruikt voor de uitoefening van een beroep op bedrijf kunnen op aanvraag eveneens een zeebrief krijgen.
pleziervaartuigen”. Beide partijen gaan ervan uit dat met deze wijziging in het verplichtstellingsbesluit 2015 ten opzichte van de eerdere verplichtstellingsbesluiten, niet is beoogd de reikwijdte van de verplichtstelling te wijzigen. Partijen verbinden hieraan echter verschillende conclusies: Bpf Koopvaardij stelt dat, waar de schepen van Greenpeace niet onder de werkingssfeerbepalingen van de eerdere verplichtstellingsbesluiten vielen, zij evenmin vallen onder het verplichtstellingsbesluit 2015. Greenpeace stelt dat haar schepen onder de uitzondering van “pleziervaartuigen” in het verplichtstellingsbesluit 2015 vallen, en dat dit met zich brengt dat haar schepen ook vóór 2015 al niet vielen onder de werkingssfeerbepaling van de verplichtstellingsbesluiten. Beide partijen voeren argumenten aan voor hun zienswijze. Nu een schriftelijke toelichting op het verplichtstellingsbesluit 2015 ontbreekt, kan hierin geen aanknopingspunt worden gevonden voor de juistheid van de ene dan wel de andere zienswijze. Het hof zal daarom de werkingssfeerbepaling uit het verplichtstellingsbesluit 2015 zelfstandig beoordelen. Het hof verenigt zich met het door beide partijen aanvaarde uitgangspunt dat met de toevoeging van een uitzondering voor “pleziervaartuigen” in 2015 niet is beoogd de reikwijdte van de verplichtstelling te wijzigen. Daarom zal het hof zich beperken tot een uitleg van het verplichtstellingsbesluit 2015.
naast(onderstreping hof) plezierjachten kan worden gedacht aan schepen van organisaties zoals Greenpeace”.
pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt”.
Een aantal categorieën schepen wordt van de werkingssfeer van de wet uitgesloten. Plezierjachten die als zodanig worden gebruikt, vallen niet onder de wet.”
pleziervaartuigen welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd, voor zover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren”.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelbevat een rechtsklacht tegen de uitleg die het hof in rov. 3.13-3.31 geeft aan de verplichtstellingsbesluiten 1989, 2014 en 2015. Greenpeace licht toe dat de werkingssfeerbepalingen van die besluiten aldus moeten worden begrepen dat zeevarenden op schepen die worden ingezet door een ideële natuur- en milieucampagneorganisatie zoals Greenpeace, niet onder die verplichtingstellingbesluiten vallen. Dit mede gelet op de naam van het fonds en de doelstelling van de Wet Bpf. De schepen van Greenpeace zouden niet zijn aan te merken als onderdeel van de koopvaardij, maar veeleer kwalificeren als pleziervaartuigen, althans op één lijn te stellen zijn met schepen die worden ingezet in de openbare dienst.
tweede onderdeelricht Greenpeace een rechtsklacht tegen rov. 3.17 waarin het hof volgens de klacht heeft overwogen zich te beperken tot een uitleg van het verplichtstellingsbesluit 2015. Het hof moet ook de besluiten van 1989 en 2014 zelfstandig en objectief uitleggen, ondanks het feit dat partijen en het hof het eens zijn dat met het verplichtstellingsbesluit 2015 niet is beoogd de reikwijdte van de werkingssfeer van de opeenvolgende besluiten te wijzigen.
derde onderdeelricht Greenpeace zich tegen rov. 3.29 waar het hof heeft overwogen dat de afwachtende houding van het fonds in het kader van de uitleg van de werkingssfeerbepaling geen rol kan spelen. Volgens Greenpeace kan de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de verplichtstellingsbesluiten een gezichtspunt vormen en dus een rol spelen bij de uitleg conform de cao-norm.
vierde onderdeelklachten aan tegen rov. 3.33 waarin het hof heeft overwogen dat Greenpeace onvoldoende belang heeft bij haar voorwaardelijk ingestelde reconventionele vorderingen, de (negatieve) verklaringen voor recht (zie hiervoor in 2.2). Dit oordeel is volgens de klacht
ten eersteonbegrijpelijk in het licht van het betoog van Greenpeace dat en waarom van concrete schade sprake is.
In de tweede plaatsheeft het hof miskend dat voor het bestaan van een belang in de zin van art. 3:303 BW Pro niet is vereist dat het fonds al een vordering tot vergoeding van schade heeft ingesteld. Het is volgens Greenpeace voldoende dat de (reële) mogelijkheid bestaat dat het fonds een claim kan gaan instellen.
In de derde plaatsis volgens dit onderdeel het oordeel dat van een ter zake gepretendeerde vordering nog geen sprake is, onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Greenpeace.
Staatscourantof het
Staatsbladzijn opgenomen. Een verwijzing naar een cao voor de omschrijving van de werkingssfeer is niet mogelijk. Indien eenzelfde werkingssfeer als een bepaalde cao gewenst wordt, zal in plaats van een verwijzing de werkingssfeer van die cao uitgeschreven moeten worden in de werkingssfeer van de verplichtstelling. […].”
ten eersteop de
naamvan het fonds waarin deelname verplicht is gesteld: Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Koopvaardij. [39] Greenpeace, en daarmee ook de zeeschepen die door Greenpeace worden gebruikt (en de zeevarenden op die schepen), zijn niet aan te merken als deel uitmakend van de koopvaardij, nu de koopvaardij bestaat uit schepen die worden ingezet voor commercieel vervoer van goederen en/of personen.
niet aan den aard van het bedrijf waarin de werknemers werkzaam zijn doch aan den aard der door de werknemers verrichte werkzaamheden, valt aan te nemen dat men niet slechts de arbeiders werkzaam in ondernemingen op het gebied van het grondborings- en buizenleggersbedrijf, doch mede de in enig andere onderneming werkzame arbeiders, wier arbeid uitsluitend of in hoofdzaak bestaat in grondborings- en buizenleggerswerkzaamheden, onder de werkingssfeer der c.a.o. heeft willen brengen;
alleen in de aanhefdaarvan (“het deelnemen in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij is verplicht gesteld voor: […].”). Pas na deze inleidende passage begint de afbakening van de werkingssfeer (zie ook dupliek in cassatie onder 8). Voor zover de klacht ervan uitgaat dat de naam van het fonds “ […] onderdeel uitmaakt van de werkingssfeerbepalingen […]”, mist dit in zoverre feitelijke grondslag.
in de tweede plaatsop dat de
doelstellingvan de Wet Bpf en de Wet Bpf 2000 in belangrijke mate is gelegen in voorkoming van concurrentie in één bedrijfstak op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Nu Greenpeace geen onderdeel is van de bedrijfstak koopvaardij, vallen de voor Greenpeace werkende zeevarenden ook niet onder het verplichtstellingsbesluit.
belangbij deze rechtsklacht te ontbreken, omdat het hof in rov. 3.8 – onbestreden in cassatie – tegen de achtergrond van met name deze sociale doelstelling heeft overwogen dat het woord ‘bedrijfstak’ niet zo beperkt kan worden uitgelegd dat alleen organisaties met een winstoogmerk en/of concurrerende activiteiten daaronder vallen. Deze overweging strookt met de ruime betekenis die de regering aan het woord ‘bedrijfstak’ wilde geven in de Wet Bpf [42] .
pleziervaartuigen, althans
op één lijnzijn te stellen met schepen die worden ingezet in de
openbare dienst– en dus: ten algemenen nutte, twee categorieën die beide zijn uitgezonderd in het verplichtstellingsbesluit 2015. Dit zou zo zijn, omdat de schepen van Greenpeace niet zijn aan te merken zijn als deel uitmakend van de koopvaardij, en te meer gelet op:
geenpleziervaartuigen zijn in de door Greenpeace bedoelde zin, omdat haar schepen nevengeschikt worden gebruikt met pleziervaartuigen, zodat de wetgever in het kader van art. 311 WvK Pro de schepen van Greenpeace niet als plezierjachten [45] beschouwt (rov. 3.21). Na in rov. 3.22 te hebben aangegeven dat de Zeebrievenwet, de Wet zeevarenden en de Schepenwet niet worden genoemd in de
werkingssfeerbepalingvan het verplichtstellingsbesluit 2015 [46] , zodat aan de betekenis van het begrip ‘pleziervaartuig’ in deze wetten slechts indirect betekenis toekomt, gaat het hof op de betreffende wetgeving in. Het citeert uit de memorie van toelichting bij de door Greenpeace aangehaalde definitie van ‘pleziervaartuig’ uit de Wet zeevarenden, waaruit blijkt dat pleziervaartuigen alleen niet binnen de werkingssfeer van die wet vallen als het gaat om plezierjachten
die als zodanig worden gebruikt [47] , terwijl in art. 2 lid 3 Wet Pro zeevarenden bepaalde delen van de wet niet van toepassing worden verklaard op ‘
niet commercieel gebruikte schepen’. Ook op grond van de Wet zeevarenden ligt het dus – ondanks de wettekst waarop Greenpeace op wijst – gelet op de wetsgeschiedenis en de systematiek niet direct voor de hand dat een niet in het kader van beroep of bedrijf gebruikt schip gelijk kan worden gesteld met een pleziervaartuig (rov. 3.24 en de eerste rov. 3.25 [48] ).
op één lijn te stellenzijn met schepen die worden ingezet
in de openbare dienst(en dus: ten algemene nutte) en dat haar schepen daarom onder de uitzondering in het vaststellingsbesluit ‘schepen in openbare dienst’ vallen, heeft volgens mij het volgende te gelden. Deze op één lijn stelling wordt niet verder onderbouwd (ook niet in de s.t. van Greenpeace onder 101), maar kennelijk bedoelt Greenpeace door de toevoeging ‘en dus: ten algemenen nutte’ dat de schepen van Greenpeace, net als schepen in openbare dienst, van algemeen nut zijn.
stilzitten(geen ‘handhaving’) door een bedrijfstakpensioenfonds tegenover
een enkeleorganisatie. Dat past niet binnen een uitleg naar objectieve maatstaven van een verplichtstellingsbesluit. Zo’n stilzitten is bij uitstek een subjectief gegeven (op het individuele subject Greenpeace betrokken). De cao-norm strekt er nu juist toe te verzekeren dat het verplichtstellingsbesluit voor alle onder de werkingssfeer daarvan vallende partijen op dezelfde wijze wordt uitgelegd (zie hiervoor in 3.177). Bovendien en belangrijker gaat het bij een verplichtstellingsbesluit om wetgeving in materiële zin (en niet om een privaatrechtelijke rechtshandeling) [60] die bij uitstek objectief moet worden uitgelegd en waarvan de inhoud in dat licht niet kan worden bepaald door de afwachtende houding van het fonds. Dat zou de rechtszekerheid voor wat betreft de uitleg van het besluit geweld aan doen, alleen al omdat het bijvoorbeeld voor de werknemers van Greenpeace en andere ideële organisaties niet of nauwelijks objectief kenbaar zal zijn of het fonds al dan niet bij Greenpeace heeft aangeklopt (zo ook de s.t. van het fonds onder 5.10). Uit stilzitten iets afleiden komt per saldo in gevallen als deze neer op een
a contrario-redenering, die niet in hoog aanzien staat en slechts bij uitzondering opgaat [61] .
uitzonderingvoor pleziervaartuigen – en dit volgt dus op het voorafgaande oordeel dat de Greenpeaceschepen onder de werking van de verplichtstellingsbesluiten 1989 en 2014 vallen. Daar is niets onjuist aan, nu dit neerkomt op de regel dat een uitzondering een eerder vastgestelde inhoud van een algemene regel niet in algemene zin kan weerleggen, maar in een individueel geval wel tot een andere uitkomst kan leiden bij toepasselijkheid van de betreffende uitzondering. Het hof baseert zich vervolgens in rov. 3.18, eerste zin ook daadwerkelijk op de eerder gegeven uitleg van de verplichtstellingsbesluiten 1989 en 2014 in de passage (mijn onderstreping, A-G): “
Zoals hiervoor overwogenvallen de schepen van Greenpeace onder het begrip “zeeschepen” in de aanhef van B van de werkingssfeerbepaling.” [62] Vervolgens kijkt het hof of de
uitzondering‘pleziervaartuigen’ (die ontbrak in de oudere verplichtstellingsbesluiten) toepassing vindt in onze zaak en komt daarmee toe aan beantwoording van kernvraag (ii) uit rov. 3.9 in rov. 3.18 vanaf de tweede zin (antwoord: nee). De klacht vertrekt zodoende vanuit een onjuiste veronderstelling dat het hof de uitleg van de besluiten uit 1989 en 2014 alleen baseert op uitleg van het besluit uit 2015 of zich voor de uitleg van die eerdere besluiten zou baseren op ‘verduidelijkingen’ in het besluit van 2015. Hier ketst onderdeel 2 op af.
ten eerstedat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van Greenpeace dat en waarom van concrete schade sprake is (spreekaant. eerste aanleg, 3 e.v. en akte 2 december 2019, 24-25). Dit betoog is een reactie op de betwisting van het fonds van het belang van Greenpeace bij haar vorderingen in reconventie. Het hof verwijst in rov. 3.33 naar deze betwisting van het fonds uit de cva in reconventie, die als volgt luidt:
dathet fonds concrete schade heeft geleden als gevolg van de (eventuele) schending van wettelijke verplichtingen door Greenpeace. Dat is ook (nog) niet het geval en Greenpeace weet dat ook. De raadsman van BpfK heeft de verzending van de geciteerde brief [van 22 mei 2019, A-G] namelijk aangekondigd in een e-mail van 17 mei 2019 (productie 28 bij cva in conventie), waarin hij aan de raadsvrouwe van Greenpeace schrijft:
aannemelijkis dat er daadwerkelijk (ex-)werknemers van Greenpeace zijn die aanspraken hebben opgebouwd in de voor de verklaring voor recht relevante periode. Dat lijkt weliswaar geen aanstonds aansprekend argument, omdat mag worden aangenomen dat alle onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallende werkenden van rechtswege pensioenaanspraken verwerven jegens het fonds (zie hiervoor in 3.6). Of de werknemers zijn aangemeld of anderszins bekend zijn bij het fonds, is daarvoor geen voorwaarde [65] . Bovendien betekent het niet tijdig aansluiten van werkgevers in potentie een premieverhoging voor alle actieve deelnemers, aldus het fonds (MvG 8).
zonder meer aannemelijk, of de individuele bemanningsleden uit de betreffende periode onder de werking van het verplichtstellingsbesluit vallen (zie cva in reconventie, 37-38 [66] ). Greenpeace benadrukt zelf bijvoorbeeld dat individuele keuzevrijheid van pensioenregeling gewenst is, omdat zij gebruik maakt van buitenlandse (en in het buitenland wonende) bemanningsleden (cva 16 en mva 20) [67] . Deze vallen niet per se onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, aldus Greenpeace (mva 160). Het gaat dan om de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit 1989 [68] , omdat de vordering in reconventie ziet op de periode vóór 23 mei 2014 [69] , ik citeer:
zou kunnen lijdenomdat aanspraken van werknemers
zouden kunnen bestaanwaarvoor Greenpeace geen premie heeft afgedragen en dat Greenpeace dat bovendien ook niet meer
zou hoeven te doenvanwege verjaring (spreekaant. eerste aanleg, 3 e.v. en akte 2 december 2019, 24-25). Gelet op de betwisting door het fonds en het (internationale) personeelsbestand van Greenpeace, lag het echter op de weg van Greenpeace om aan te voeren dat er aanwijzingen zijn dat er daadwerkelijk (ex-)werknemers zijn waarvoor opbouw had moeten plaatsvinden in de relevante periode. Daarmee is het fonds blijkens haar stellingen niet bekend en deze gegevens liggen in het domein van Greenpeace [70] . Bij deze stand van zaken is het goed te volgen dat het hof heeft geoordeeld dat Greenpeace onvoldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, omdat van enige concrete schade nog geen sprake is.
Umsonstwordt niet geprocedeerd, zo A-G Langemeijer [71] :
Umsonstwordt niet geprocedeerd.”
in het algemeenkan worden afgeleid dat schade is geleden [73] . Dan zou deze klacht mogelijk kunnen slagen, maar ik bepleit dat niet. Ook dan is namelijk nog steeds niet onbegrijpelijk te achten in cassatie-technisch opzicht dat zelfs deze lage drempel in de specifieke omstandigheden van deze zaak niet is geslecht, waarbij dan meer gewicht toekomt aan de stelplicht van Greenpeace op dit punt (vgl. punt 2.61 uit mijn in de laatste voetnoot bedoelde conclusie voor in de verte verwante problematiek).
ingesteld. Het hof overweegt alleen dat van een gepretendeerde vordering van het fonds nog geen sprake is en dat is wat anders (zo ook de s.t. van het fonds onder 6.13).
nietheeft bedoeld te doen, zoals blijkt uit de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie waar het hof naar verwijst in rov. 3.33 (zie het citaat in 3.40, m.n. onder 4). Het fonds behoudt zich het recht voor om eventuele schade te verhalen. Een verbintenis tot schadevergoeding die zij geldend kan maken pretendeert zij daarmee nog niet, want die moet volgens het fonds nog ontstaan, omdat het wettelijke element ‘schade’ ontbreekt (vgl. art. 6:1 BW Pro en het daarin neergelegde uitgangspunt dat een verbintenis slechts kan ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit).