ECLI:NL:PHR:2022:1047

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
11 november 2022
Zaaknummer
21/01535
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens belaging met dreiging openbaarmaking naaktfoto's via e-mail en Facebook

De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens belaging en mishandeling, waarbij het hof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bevestigde, behalve op het punt van schadevergoeding. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Het cassatieberoep richtte zich op vier middelen, waaronder de bewijsvoering van het stelselmatige karakter van de belaging, de interpretatie van een verklaring van verdachte, het verzoek tot nader onderzoek van IP-adressen en de overschrijding van de redelijke termijn.

De bewezenverklaring baseerde zich op meerdere e-mails en Facebookberichten in een korte periode in oktober 2014, waarin verdachte dreigde naaktfoto's van het slachtoffer openbaar te maken. De rechtbank en het hof oordeelden dat deze gedragingen een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormden, mede door de inhoud en frequentie van de berichten. Het cassatieberoep faalde in het betwisten van deze bewijsvoering en motivering.

Ook het verweer dat de verklaring van verdachte was gedenatureerd werd verworpen, aangezien het hof oordeelde dat de verklaring een duidelijke bekennende strekking had. Het verzoek tot nader onderzoek naar IP-adressen werd afgewezen omdat het hof zich voldoende geïnformeerd achtte en het alternatieve scenario van hacking niet aannemelijk was gemaakt. Ten slotte werd het middel over overschrijding van de redelijke termijn verworpen, omdat het hof het tijdsverloop niet onredelijk achtte gezien de omstandigheden en vertragingen.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat alle middelen falen en het cassatieberoep verworpen moet worden. De uitspraak bevestigt daarmee de veroordeling van verdachte voor belaging met dreiging en mishandeling, inclusief de opgelegde straf en schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling wegens stelselmatige belaging met dreiging openbaarmaking naaktfoto's bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01535

Zitting15 november 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 1 april 2021 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2018 bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, het vonnis in zoverre vernietigd, beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest bepaald. De rechtbank Amsterdam had bij voornoemd vonnis de verdachte wegens 1. “belaging” en 2. “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van feit 1, met name wat betreft het bestanddeel “stelselmatig”, niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat hij:
“op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2014 tot en met 9 oktober 2014 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] , met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen, via email en Facebook contact gezocht en de woorden toegevoegd:
- "Ik geef je twee uur de tijd” en
- "Ik kan heel makkelijk dingen regelen dat jij doet wat ik zeg. Er zijn genoeg middelen voor dat. Nu ga ik een van die sturen" en
- "Al je foto’s word te zien van iedereen en iedereen krijgt een details over jouw vreemdgaan. In het biggen met [naam 1] en ik en nu met jouw [naam 2] ".
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 7 maart 2018.

[e-mailadres 1] is een e-mailadres van mij. Ik heb een Facebook profiel onder de naam [verdachte] .

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2014226815-5 van 9 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 20 - 23).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [aangeefster] , zakelijk weergegeven:
Op 06-10-2014 heb ik meerdere mailberichten van [verdachte] ontvangen, hierbij zat een naaktfoto van mij. Hij heeft mij bedreigd met de volgende tekst: ‘Ik kan heel makkelijk dingen regelen dat jij doet wat ik zeg. Er zijn genoeg middelen voor dat. Nu ga ik een van die sturen’.
Op 08-10-2014 heb ik een mailbericht van [verdachte] ontvangen. Hierin heeft hij onder andere geschreven dat al mijn foto’s voor iedereen te zien zullen zijn.
De genoemde [verdachte] heeft 46 reacties geplaatst op de Facebookpagina van [A] .
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2014226815-14 van 12 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 70 - 75).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
V: Op 6 oktober komt er een mailbericht binnen: “ik kan heel gemakkelijk dingen regelen, dat jij doet wat ik zeg, er zijn genoeg middelen voor dat. Nu ga ik een van die sturen”, en dan stuurt u een naaktfoto van [aangeefster] mee. Wat heeft u daarop te zeggen?
A: ik heb die brieven (de rechtbank begrijpt: mailbericht) wel gestuurd. Zij moet stoppen met mij, maar zij stopt niet.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2014226815-15 van 13 maart 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 76 - 77).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Dreigmail 6 oktober 2014 10:07 uur: ik geef 2 uur tijd. Dan volgt een berichtenuitwisseling van [aangeefster] en [verdachte] . Een JPG fotobijlage is in de dreigmail bijgevoegd. Deze is door mij, verbalisant geopend en de foto, waarop aangeefster [aangeefster] is afgebeeld in pornografische pose, is bijgevoegd.
8 oktober 2014 07:04 uur: all je foto ’s word te zien van iedereen en iedereen krijgt een details over jouw vreemd gaan. In het biggen met [naam 1] en ik en nu met jouw [naam 2] .
5. Een geschrift, zijnde een printscreen van e-mailcorrespondentie (doorgenummerde pag. 36 - 37).
Van: [verdachte] < [e-mailadres 1]
Datum: 8 oktober 2014 07:04:54
Aan: [aangeefster] < [e-mailadres 2] >
All je foto’s word te zien van iedereen en iedereen krijgt een details over jouw vreemdgaan. In het biggen met [naam 1] en ik en nu met jouw [naam 2] .
Verstuurd vanaf mijn iPhone
6. Een geschrift, zijnde een printscreen van een Facebookpagina (doorgenummerde pag. 24-25).
De printscreen betreft de Facebookpagina [A] en het [B] , waarop op 7 oktober door een profiel met de naam [verdachte] diverse malen is geplaatst: ‘ [aangeefster] is de grootste huur in Nederland!!! ’.
6. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde vonnis de volgende bewijsoverweging opgenomen:

Bewezenverklaring van feit 1
De rechtbank acht de onder feit 1 ten laste gelegde stalking […] bewezen. Uit de aangifte en klacht van [aangeefster] blijkt dat vanuit het e-mailadres van verdachte, [e-mailadres 1] , in een relatief korte periode verschillende e-mailberichten naar aangeefster zijn verstuurd, waarin de afzender dreigde naaktfoto’s van haar openbaar te maken. Daarnaast zijn vanuit het Facebook-account op naam van verdachte in diezelfde periode berichten geplaatst over aangeefster op de Facebook-pagina van haar werkgever, [A] , waarvan zij ook lid was en melding van kreeg. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het mailadres [e-mailadres 1] door hem wordt gebruikt en hij een Facebookprofiel onder de naam [verdachte] heeft. De aangifte wordt tevens ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat met het bovengenoemde mailadres dreigende berichten zijn verstuurd naar aangeefster.
[…]
De rechtbank zal niet bewezen verklaren dat de stalking ook heeft bestaan uit het contact zoeken via Skype, Linkedln, telefoon en Google Drive. Daarvoor bevat het dossier onvoldoende bewijs. Het bekijken van een Linkedln-profiel en het uploaden van foto’s op een eigen Google Drive-account (mogelijk gekoppeld aan dat van aangeefster) kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als het zoeken van contact. De printscreen van de gemiste Skype-oproep vermeldt geen datum, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of dit heeft plaatsgevonden in de periode dat verdachte heeft gedreigd naaktfoto’s van aangeefster te delen. Tot slot geldt voor het telefonisch contact dat uit het dossier volgt dat verdachte aangeefster twee keer heeft gebeld, namelijk op 3 en 13 oktober 2014. Aangeefster heeft de telefoon op 3 oktober 2014 niet opgenomen. Niet kan worden vastgesteld of verdachte op dat moment het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets (niet) te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen. Het telefoongesprek op 13 oktober 2014 vond plaats buiten de ten laste gelegde periode.
Alhoewel e-mail- en Facebookberichten in een relatief korte periode door verdachte zijn verstuurd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [aangeefster] . Het betrof immers berichten van een zeer dreigende aard, die kort op elkaar en op steeds meer indringende wijze aan aangeefster zijn verzonden.”
7. Art. 285b lid 1 Sr luidt als volgt:
“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”
8. Het is vaste jurisprudentie dat voor de beoordeling of sprake is van een stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 285b lid 1 Sr van belang zijn “de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer”. [1]
9. De vraag kan worden gesteld of het zo is dat elk van deze gezichtspunten van belang is voor het bestanddeel ‘stelselmatig’, of dat enkele hiervan – in het bijzonder kan gedacht worden aan het laatste (de invloed op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer) – slechts betrekking hebben op het bestanddeel ‘inbreuk op eens anders persoonlijke levenssfeer’. Het arrest van 29 juni 2004 van de Hoge Raad lijkt steun te bieden aan de gedachte dat niet elk van de genoemde gezichtspunten relevant is voor het bestanddeel ‘stelselmatig’. In dit arrest wordt de bewijsvoering ter zake van specifiek dit bestanddeel apart beoordeeld en worden hierbij door de Hoge Raad, naast de ontstaansgeschiedenis van art. 285b Sr, alleen de “aard, duur en frequentie van de gedragingen van de verdachte” en de uit die gedragingen af te leiden bedoeling betrokken. AG Jörg lijkt er in zijn conclusie van 22 maart 2011 echter vanuit te gaan dat ook de invloed op het persoonlijk leven als een gezichtspunt voor het bepalen van de stelselmatigheid moet worden beschouwd. [2] Dit standpunt lijkt daarna in de literatuur te zijn overgenomen. [3]
10. De Hoge Raad neemt klachten over de bewijsvoering van beide bestanddelen doorgaans samen, in die zin dat hij beoordeelt of het oordeel van de rechter dat sprake is van een “stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” begrijpelijk is of toereikend gemotiveerd.
11. In het algemeen wordt aangenomen dat de hierboven onder randnummer 8 genoemde gezichtspunten zich tot elkaar verhouden als ‘communicerende vaten’, zodat bijvoorbeeld gedragingen van een geringe duur of frequentie toch belaging kunnen opleveren indien sprake is van een ernstige aard en/of intensiteit van de gedragingen van de verdachte. [4] In de onderhavige zaak wordt ook geklaagd over de bewijsvoering van de bewezenverklaarde belaging in haar geheel (en slechts “met name” voor wat betreft het bestanddeel ‘stelselmatig’).
12. De verschillende gezichtspunten die bij de beoordeling een rol spelen en de grote diversiteit aan gedragingen die strafbare belaging kunnen opleveren – van het bestellen van pizza’s en/of rouwboeketten, het plaatsen van contactadvertenties, het sturen van mails en/of brieven met uiteenlopende inhoud tot het fysiek benaderen van het slachtoffer – heeft geleid tot een veelkleurige casuïstiek die in de jurisprudentie van de Hoge Raad aan de orde is gekomen. Dit maakt het moeilijk om tot een gevalsvergelijking te komen tussen deze zaak en eerdere zaken die aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zijn geweest. Ondanks dat lijken mij de volgende zaken relevant.
13. In het arrest van 12 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3625) ging het om een zaak waarin was bewezen verklaard dat de verdachte “op zeer indringende wijze en zonder zijn identiteit prijs te geven een aantal sms’jes [had] gestuurd waaruit [het slachtoffer] opmaakte dat hij, verdachte, haar voortdurend in de gaten hield en over persoonlijke informatie van haar, [het slachtoffer], beschikte.” Het slachtoffer in deze zaak was een politieagent die betrokken was bij een grootschalig onderzoek en die naar aanleiding van de bewezenverklaarde gedragingen enige tijd in het buitenland was ondergebracht. De belagingshandelingen bestonden uit een drietal sms’jes verzonden in een periode van een week, die de volgende zinnen inhielden: "Every breath you take, every move you make, every step you take...I'll be watchin' you!"; "Methodiekenspelletje: "Zoek het pijlbaken". You never walk alone. Shalom with [naam betrokkene]"; en "Uitkomst 1e spelletje 48.19'29.25 N 16.25'55.03 Naaldwijkse [initialen slachtoffer]'s Brother in arms." De Hoge Raad vond dat het hof door de verdachte te veroordelen geen blijk had gegeven van een onjuiste uitleg van art. 285b, eerste lid, Sr, en achtte het oordeel van het hof tevens als toereikend gemotiveerd. Daarbij nam het in aanmerking dat “het Hof heeft vastgesteld dat de drie anoniem verzonden sms-berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van [slachtoffer] bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen, en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk, en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland is ondergebracht.”
14. In het tussenarrest van 30 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:418) ging het – althans voor zover in cassatie nog aan de orde – om medeplegen van belaging jegens drie verschillende personen. De verdachte had een eerste slachtoffer een e-mail gestuurd waarin stond dat fraude was gepleegd met haar (bank)gegevens, had twaalf verschillende voedselbezorgers bestellingen laten afleveren bij haar woning en had het slachtoffer nadat zij telefonisch verhaal had gehaald telefonisch bedreigd. Een tweede slachtoffer had door toedoen van de verdachte eerst zes pizzabezorgers en vervolgens – in de nacht – een taxichauffeur aan de deur gekregen, terwijl de verdachte tevens telefonisch beledigende dingen had gezegd over hem en zijn dochter en voorts per e-mail de ex-partner van het slachtoffer had uitgescholden en bedreigd. Het derde slachtoffer, ten slotte, was door de verdachte en/of medeverdachte gebeld met de mededelingen dat op haar naam een rekening was geopend waarmee vervolgens leningen waren afgesloten. Voorts was een drietal pizzabezorgers een bestelling komen afleveren, waren er vier taxi’s bij de woning van het slachtoffer verschenen alsmede een glas- en slotenmaker. In alle drie de gevallen vonden de gedragingen op één dag, althans binnen een tijdsbestek van 24 uur plaats. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat de verdachte zich tegenover elk van de drie slachtoffers schuldig had gemaakt aan belaging niet zonder meer begrijpelijk en overwoog: “Dat de gedragingen zich binnen een kort tijdsbestek hebben afgespeeld, staat op zichzelf niet in de weg aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar de vaststellingen die het hof heeft gedaan met betrekking tot telkens de aard, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte zijn niet toereikend voor zijn oordeel.”
15. Tot slot vermeld ik het arrest van 15 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:174), waarin de verdachte onder meer was veroordeeld wegens belaging van medewerkers van een advocatenkantoor door gedurende één dag “meermalen” – in de bewijsmiddelen wordt het aantal geschat op ongeveer 100 en minimaal 80 keer – naar dat kantoor te bellen. Het oordeel van het hof dat dit een ‘stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’ van de betrokkenen opleverde, vond de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Hij voegde daar nog aan toe dat het feit “[d]at het gedrag van de verdachte als storend voor de organisatie van het advocatenkantoor is ervaren en de daar werkzame personen door die verstoring gedurende één werkdag niet onbelemmerd aan hun professionele werkzaamheden toekwamen, (…) dat niet anders [maakt].”
16. Dan kom ik nu toe aan het beoordelen van de motivering van de bewezenverklaring van de belaging in de onderhavige zaak. Hierbij ga ik uit van de feiten en omstandigheden, zoals die door het hof zijn vastgesteld. Blijkens de bewezenverklaring heeft de verdachte in een tijdsbestek van vier dagen “meermalen, via email en Facebook contact gezocht” met [aangeefster] (hierna: het slachtoffer). Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 6 oktober 2014 “meerdere” e-mails door de verdachte aan het slachtoffer zijn gestuurd (bewijsmiddel 2), dan wel dat die dag sprake was van een
berichtenuitwisseling” tussen de verdachte en het slachtoffer (bewijsmiddel 4), en dat op 8 oktober 2014 één e-mailbericht door de verdachte is verstuurd (bewijsmiddel 2). Wat betreft de woorden die door de verdachte zijn gebruikt, zijn in de bewezenverklaring drie fragmenten uit e-mails opgenomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een van de door de verdachte verzonden e-mails van 6 oktober 2014 de volgende tekst bevatte: “Ik kan heel makkelijk dingen regelen dat jij doet wat ik zeg. Er zijn genoeg middelen voor dat. Nu ga ik een van die sturen.” Als bijlage bij deze e-mail was een naaktfoto van het slachtoffer meegestuurd (bewijsmiddel 2). Daarnaast blijkt de verdachte in een e-mail van 6 oktober 2014 als tekst te hebben opgenomen: “Ik geef je twee uren de tijd.” De JPG fotobijlage die bij deze e-mail was gevoegd, is door een verbalisant geopend en daarop bleek de aangeefster te zijn afgebeeld in een pornografische pose. In een e-mail van 8 oktober 2014 heeft de verdachte verder als tekst opgenomen: “all je foto’s word te zien van iedereen en iedereen krijgt een details over jouw vreemd gaan. In het biggen met [naam 1] en ik en nu met jouw [naam 2] .” De inhoud van de berichtgeving die via Facebook heeft plaatsgevonden is in de bewezenverklaring niet nader uitgewerkt. Uit bewijsmiddel 6 volgt evenwel dat de verdachte “diverse malen” op de Facebookpagina van [A] en het [B] de tekst “‘ [aangeefster] is de grootste huur in Nederland!!!” heeft geplaatst. Verder blijkt uit bewijsmiddel 2 (de verklaring van het slachtoffer) dat de verdachte “46 reacties [heeft] geplaatst op de Facebookpagina van [A] ”.
17. Dat de verdachte “contact heeft gezocht” via Facebook maakt naar het mij voorkomt nog niet dat daarmee zelfstandig de drempel om te kunnen spreken van “een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” wordt gehaald, mede omdat mij onvoldoende duidelijk wordt wat dit contact zoeken precies heeft behelst. Indien iemand 46 keer op verschillende Facebook-pagina’s een bericht met een pejoratieve lading aan en/of over iemand anders plaatst, levert dit naar mijn idee eerder een stelselmatige inbreuk op het persoonlijk leven van die persoon op dan wanneer – bijvoorbeeld – slechts 46 keer hetzelfde bericht als reactie onder een bericht van iemand anders geknipt en geplakt wordt. Over de wijze waarop de verdachte in de onderhavige zaak welke berichten op Facebook heeft geplaatst, verschaft de bewijsvoering geen duidelijkheid, terwijl een blik achter de papieren muur mij de indruk geeft dat hetgeen hij heeft gedaan meer op het laatste lijkt. [5]
18. Doorslaggevend voor de rechtbank – en daarmee ook voor het hof – om tot een bewezenverklaring van belaging te komen, zijn gelet op de bewijsmotivering kennelijk de door de verdachte verzonden e-mails geweest nu zij immers berichten betreffen “van een zeer dreigende aard, die kort op elkaar en op steeds meer indringende wijze aan aangeefster zijn verzonden”. Dat deze berichten in een relatief korte periode van drie dagen door de verdachte zijn verstuurd, heeft aan het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, niet afgedaan. Mede gelet op de inhoud van de e-mailberichten en de bijlagen daarbij acht ik de bewezenverklaring toereikend en voldoende gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat de ongewenste openbaarmaking van naaktfoto’s diep kan ingrijpen in het persoonlijke leven van de daarop afgebeelde persoon.
19. Het middel faalt.

Het tweede middel

20. Het middel heeft betrekking op feit 1 en bevat de klacht dat het hof aan een voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan hij daaraan kennelijk bedoeld heeft te geven, althans dat het hof, mede in het licht van hetgeen daaromtrent eerder ter terechtzitting is aangevoerd – zo volgt althans uit de toelichting op het middel – zijn oordeel over de betekenis van deze verklaring onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
21. De verklaring van de verdachte waar de steller van het middel het oog op heeft, betreft de volgende: “ik heb die brieven (…) wel gestuurd. Zij moet stoppen met mij, maar zij stopt niet.” Deze verklaring is door de rechtbank voor het bewijs gebezigd als onderdeel van bewijsmiddel 3 (zie hiervoor onder 5).
22. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde vonnis – voor zover hier relevant – de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Verdachte heeft tijdens de terechtzitting voor het eerst verklaard dat hij de betreffende e-mailberichten niet naar aangeefster heeft verstuurd en geen berichten op de Facebook-pagina van [A] heeft geplaatst, maar dat zijn accounts mogelijk gehackt zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. Verdachte is al geruime tijd bekend met het strafrechtelijk onderzoek tegen hem, maar heeft op geen enkel eerder moment hierover verklaard of met betrekking tot de gestelde hack aangifte gedaan. Verdachte heeft dit verder op geen enkele wijze nader onderbouwd en heeft bovendien bij de politie na het voorhouden van één van de dreigmails verklaard dat hij ‘die brieven wel heeft verstuurd’.”
23. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotities (p. 6 proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2021). Deze pleitnotities houden over de hierboven weergegeven verklaring het volgende in:
“2. Allereerst met betrekking tot de e-mails het volgende.
3. De rechtbank heeft voor het bewijs gebezigd de passage uit de verklaring van cliënt bij de politie dat hij die "brieven wel gestuurd" heeft (p. 73, onderaan). De verdediging meent dat deze zinsnede is gedenatureerd. Cliënt heeft deze beschuldigingen altijd ontkend. Cliënt bedoelde met de zinsnede niet meer dan dat hij een e-mail heeft gestuurd dat zij moet stoppen met hem/het contact. Dat blijkt uit een e-mail van 22 september 2014 waarin cliënt aan [aangeefster] heeft gemaild dat hij wilde dat zij hem met rust zou laten (
bijlage 1). De volledige zinsnede uit het verhoor luidt als volgt
: "Ik heb een relatie en ik die brieven wel gestuurd, zij moet stoppen met mij. Maar zij stopt niet". Daarna vraagt de politie of cliënt daarom mails heeft gestuurd over foto's en dan zegt cliënt:
"Nee, nee”. Dat is geen bekennende verklaring. Cliënt spreekt weliswaar redelijk Nederlands maar niet altijd even vloeiend. Dat was in maart 2015 in elk geval niet beter. Hij is gehoord zonder dat er een advocaat bij was. Het proces-verbaal is niet aan hem voorgelezen en ook niet door hem ondertekend. De rechtbank heeft zijn verklaring gedenatureerd en ik verzoek u deze zinsnede niet voor het bewijs te bezigen.”
24. Het hof heeft – door het vonnis van de rechtbank wat betreft de bewijsconstructie ‘kaal’ te bevestigen – geen nadere overwegingen aan dit verweer besteed. De vraag is dus of de door het hof bevestigde overweging van de rechtbank de verwerping van het verweer in voldoende mate kan dragen.
25. Het lijkt mij dat dit het geval is. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het namens de – ter terechtzitting in hoger beroep verschenen – verdachte gevoerde verweer, kort gezegd inhoudende dat de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring niet als een bekennende verklaring moet worden aangemerkt, niet aannemelijk is geworden. Het hof was aldus van oordeel dat aan de bewoordingen van de in het middel bedoelde verklaring – die een duidelijk bekennende strekking hebben – meer betekenis toekomt dan aan de naderhand gegeven duiding door de raadsman van de verdachte, inhoudende dat de verdachte slecht Nederlands spreekt en deze woorden niet in bekennende zin heeft bedoeld. Bij dat oordeel heeft het hof, door de bewijsoverweging van de rechtbank te bevestigen, mede betrokken dat de verdachte deze verklaring heeft afgelegd nadat één van de dreigmails aan hem was voorgehouden en aan de verdachte om een reactie daarop was gevraagd (vgl. ook bewijsmiddel 3, hiervoor weergegeven onder 5). Het oordeel van het hof lijkt mij daarmee niet onbegrijpelijk en tot een nadere motivering was het hof naar mijn mening niet gehouden.
26. Het middel faalt.

Het derde middel

27. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het verzoek om nader onderzoek te doen naar de bij het verzenden van de onder feit 1 tenlastegelegde berichten gebruikte IP-adressen ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
28. Het arrest bevat voor zover voor de beoordeling van het middel relevant de volgende overweging:

“Voorwaardelijke verzoeken

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2021 twee voorwaardelijke verzoeken gedaan met betrekking tot feit 1. Hij heeft nogmaals verzocht indien het hof tot een bewezenverklaring komt onderzoek te laten verrichten naar het IP-adres waarmee op 12 september 2014 om 16.47 uur en 17.05 uur e-mails uit naam van de verdachte verstuurd zijn. Verder heeft de raadsman verzocht nader onderzoek te doen naar de gang van zaken met betrekking tot het eerder gedane onderzoek naar het IP-adres waarmee e-mails namens de verdachte zijn verstuurd. De verdediging wil weten wat in het door de politie genoemde rechtshulpverzoek stond, welke opsporingsambtenaar wanneer contact heeft gehad met het slachtoffer over het onderzoek op de computer, hoe en wanneer het slachtoffer gevraagd is of men haar computer mocht onderzoeken en wat, ten aanzien van het rechtshulpverzoek, bedoeld wordt met ‘dit heeft niet geleid tot resultaat’.
Het hof acht het niet noodzakelijk de nadere onderzoeken te (laten) verrichten, het acht zich voldoende ingelicht en wijst daarom de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging af.”
29. Aan de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek is een lange geschiedenis voorafgegaan. Deze heeft er onder meer uit bestaan dat voorafgaand aan de terechtzitting van 1 december 2018 door de verdediging een verzoek is gedaan tot een onderzoek naar het IP-adres waarmee de e-mails namens de verdachte zijn verstuurd, waarna de advocaat-generaal op de terechtzitting van 10 december 2018 heeft toegezegd dit onderzoek te zullen verrichten (proces-verbaal van de terechtzitting van 10 december 2018, p. 2). Vervolgens is dit onderzoek kennelijk niet, althans niet overeenkomstig de wens van de verdediging verricht, waarna namens de verdachte nog herhaaldelijk verzoeken zijn gedaan voor (nieuw) onderzoek naar het IP-adres waarmee de relevante e-mails zijn verstuurd. Een volgend verzoek is op de terechtzitting van 14 februari 2020 aan de orde geweest en daar door het hof afgewezen, waarin de raadsman mede aanleiding zag voor een wrakingsverzoek (proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2020, p. 4-5). Op de terechtzitting van 29 januari 2021 is het verzoek voor het doen van IP-adres-onderzoek door het hof zelf aan de orde gesteld, waarna de raadsman van de verdachte het verzoek opnieuw heeft gedaan en toegelicht, waarna het hof het verzoek opnieuw heeft afgewezen (proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2021, p. 3-4). Tijdens de inhoudelijke behandeling op 18 maart 2021 is het verzoek voor een laatste maal en in voorwaardelijke vorm gedaan. De hierboven weergegeven overweging betreft de verwerping van dat – laatste – verzoek.
30. Hoewel ik, na lezing van de voorgeschiedenis, enige teleurstelling zijdens de verdachte wel kan invoelen, meen ik dat het hof het verzoek toereikend gemotiveerd heeft afgewezen. Bij de beoordeling daarvan stel ik voorop dat het hof toepassing heeft gegeven aan het juiste criterium (het “noodzaakcriterium”). Het gaat in cassatie vervolgens slechts om de vraag of het oordeel van het hof dat het toewijzen van het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is, mede gelet op hetgeen in de betreffende terechtzitting aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, begrijpelijk is. Naar mijn mening kon het hof het verzoek – dat in de kern diende ter onderbouwing van het geschetste alternatieve scenario dat de verdachte mogelijk was “gehackt” – afwijzen en oordelen dat het zich voldoende voorgelicht achtte, gelet op de overige vaststellingen die het hof heeft gedaan en oordelen die het daarop heeft gebaseerd. Het hof heeft, niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat de gestelde hack niet aannemelijk is geworden en daarbij onder meer betrokken dat de verdachte met betrekking tot de gestelde hack geen aangifte heeft gedaan en dat de verdachte deze hack verder op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd (zie hiervoor onder 6). Gelet op deze vaststellingen en de daarop gebaseerde oordelen, acht ik het oordeel van het hof dat een (nader) onderzoek naar het IP-adres vanaf waar de namens de verdachte gestuurde e-mails zijn verzonden niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk.
31. Het middel faalt.

Het vierde middel

32. Het middel bevat de klacht dat het hof “niet gemotiveerd heeft beslist op het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de strafzaak in hoger beroep (zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro) is overschreden”.
33. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotities (zie p. 6 proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 2021). Deze pleitnotities houden voor zover hier relevant het volgende in:
“Het gaat om heel oude feiten. Wat de verdediging betreft is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in eerste aanleg overschreden. […] In hoger beroep heeft de procedure ook te lang geduurd. Dat ligt niet aan het horen van de getuigen bij de RHC, want dat was op 8 april 2019 al afgerond. De zaak zat op 14 februari 2020, toen de inhoudelijke behandeling gepland stond, op de grens van de overschrijding van de redelijke termijn. De zaak is daarna aangehouden in verband met de wraking. De wraking is afgewezen en de gedachte kan dan misschien postvatten dat alle vervolgvertraging voor rekening van cliënt moet komen. Ik verzoek u toch kritisch te kijken naar het tijdverloop. Het heeft ruim vier maanden geduurd voordat het wrakingsverzoek (op 22 juni 2020) is behandeld. Nu is "zo spoedig mogelijk" a.b.i. art. 515 Sv Pro een rekkelijk begrip, maar voortvarend is dat niet. Op 6 juli 2020 is het wrakingsverzoek afgewezen en het heeft daarna weer ruim een halfjaar geduurd voordat de zaak vandaag op zitting stond! De procedure in appel duurt daarmee ongeveer drie jaar. Een jaar vertraging door een afgewezen wraking is te lang. Ik verzoek u de op te leggen straf daarom enigszins te verminderen.”
34. Het hof heeft ook wat betreft de strafoplegging volstaan met een ‘kale’ bevestiging van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank had in haar strafmotivering onder meer overwogen dat zij rekening houdt met de omstandigheid dat het oude feiten betreffen, hoewel dit ook aan de verdachte te wijten is door meerdere keren niet ter terechtzitting aanwezig te zijn geweest, en dat de rechtbank het passend acht dat de verdachte, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop, nog een straf voelt voor de door hem gepleegde stalking en mishandeling. Kennelijk heeft het hof in hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan dat weliswaar sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop, maar niet van een schending van de redelijke termijn. Dit oordeel acht ik gelet op het procesverloop niet onbegrijpelijk en tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
35. Het middel faalt.

Slotsom

36. Alle middelen falen. Het tweede, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met toepassing van de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 (
2.Zie ECLI:NL:PHR:2011:BP0096, onder 16.
3.Zie bijv. aant. 5 bij art. 285b in Noyon/Langemeijer/Remmelink. Ook Van der Aa (S. van der Aa,
4.Aldus o.a. mijn ambtgenoot Hofstee in zijn conclusie van 15 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ3625, onder 11 en die van 28 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1025, onder 20, alsmede de conclusie van – thans PG – Bleichrodt van 30 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:65, onder 7. Vgl. hierover ook S.A.A. van ’t Klooster, ‘Belagingsslachtoffers achtergesteld. Een analyse van het stelselmatigheids-bestanddeel en de bewijsvergaring door slachtoffers in belagingszaken’,
5.Blijkens de pagina in het dossier waar het hof naar verwijst (p. 25), heeft de verdachte onder een ogenschijnlijk willekeurig bericht (over een bezoek van natuurgidsen en vogelaars aan [plaats] ) van [A] en het [B] (geplaatst op de Facebookpagina van [A] en het [B] ) om 03:01 drie maal hetzelfde bericht (“ [aangeefster] is de grootste huur in Nederland!!!”) geplaatst. Omdat het bericht steeds exact hetzelfde is en bovendien op hetzelfde tijdstip is geplaatst, lijkt sprake van knip- en plakwerk. Op pagina 45 van het dossier (die door het hof niet voor het bewijs is gebruikt) is te zien dat hij ditzelfde bericht ook nog drie keer onder een ander bericht op diezelfde Facebookpagina zou hebben geplaatst.