Conclusie
1. Een proces-verbaal met nummer 2013018789-1 van 10 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .
[betrokkene 1]:
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 4] :
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verdachte:
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 3] :
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 7] :
eerste middelklaagt dat het hof door discongruentie tussen de partiële niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, aangezien het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging ten aanzien van de gezinsleden van de aangever en derhalve het hof de bewezenverklaring niet had mogen doen uitstrekken tot handelingen die de verdachte zou hebben verricht jegens de echtgenote van de aangever.
indirect(cursivering EH) benaderd heeft”. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel (waarover aanstonds meer) tot uitdrukking gebracht dat de in de bewezenverklaring voorkomende onderdelen inzake de gedragingen van de verdachte jegens de echtgenote van de aangever (en haar werkgever) zien op een middellijke belaging van de aangever. Van de gestelde grondslagverlating is dan ook geen sprake.
tweede middelkeert zich met een drietal klachten tegen de bewezenverklaarde wederrechtelijkheid en voert onder meer aan dat het hof het beroep op rechtvaardigende noodtoestand heeft verworpen op gebrekkige gronden en/of het hof verzuimd heeft te beslissen op het beroep op psychische overmacht. Het
derde middelklaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte (wederrechtelijk) stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangever.
NJ2011/228 m.nt. Keijzer. Waar echter de ondergrens ligt, valt niet in algemene bewoordingen te duiden. [9] Dat verschilt van geval tot geval [10] , zoals (ook) de volgende voorbeelden laten zien.
NJ2011/228 m.nt. Keijzer, waarin de ex-echtgenoot de aangeefster tweemaal had gebeld, verschillende keren door ‘haar’ straat had gefietst respectievelijk gereden en, voor zover de aangeefster dat had waargenomen, daar éénmaal had gelopen. De Hoge Raad oordeelde dat hetgeen de bewijsmiddelen omtrent de hierboven genoemde beoordelingsfactoren inhielden, niet een “stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” opleverde. In de aan dat arrest voorafgaande conclusie schreef mijn voormalige ambtgenoot Jörg dat dergelijke gedragingen misschien wel irritant zijn, maar niet voldoen aan het criterium van de indringendheid op iemands persoonlijke levenssfeer. In HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533,
NJ2014/182 had de ex-partner van de aangeefster haar in een tijdsbestek van 24 uur driemaal tevergeefs gebeld waarbij hij éénmaal een voicemailbericht achterliet en drie keer bij haar woning langs was geweest en daarbij een foto van een man met een eng masker in haar brievenbus had gedaan met onder meer de tekst “We’d better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro’s kosten. U R Warned.” De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat hier sprake was van stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer begrijpelijk en dus de bewezenverklaring in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd. Een bijzondere zaak deed zich voor in HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625,
NJ2013/393 m.nt. Reijntjes. [11] De aangeefster was rechercheur bij de politie en was in die hoedanigheid belast geweest met een groot en zwaar onderzoek naar wapenhandel dat ertoe had geleid dat enkele verdachten tot hoge straffen waren veroordeeld. Aan haar was in een periode van een week eenmaal in de avonduren en tweemaal ’s nachts door een anonieme afzender een sms-bericht verstuurd, die de aangeefster op haar diensttelefoon had ontvangen. De verzender van de sms-en kende dus het nummer van de diensttelefoon en wilde dat kennelijk aan haar laten weten. Gezien hun inhoud wilden de berichten haar voorts duidelijk maken dat de afzender precies wist waar zij was en dat hij haar voortdurend in de gaten hield. De impact van deze (slechts) drie berichten was aanzienlijk. Nog daargelaten dat de aangeefster zelf een enorme angst had gekregen dat ook haar kinderen iets zou kunnen overkomen en dat zij mede om die reden niet meer goed op de werkvloer functioneerde, nam de Nationale Recherche de berichten en de overige, daarmee samenhangende, omstandigheden zo serieus dat de aangeefster haar huis moest verlaten om met haar kinderen een periode in het buitenland te verblijven. De Hoge Raad had oog voor de intensiteit van deze berichten en stelde in dit geval vast dat het oordeel van het hof dat de verdachte stelselmatig inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster niet van een onjuiste uitleg van art. 285b, eerste lid, Sr blijk gaf en voorts toereikend gemotiveerd was, en overwoog daarbij: “De omstandigheid dat slechts een beperkt aantal sms-berichten in een periode van een week zijn verstuurd staat in dit geval niet aan het aannemen van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van (…) in de weg. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de drie anoniem verzonden sms-berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van (…) bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen, en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk, en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland is ondergebracht”.
in directe relatie tot de aangeverheeft gedaan is dat hij op 16 januari en op 12 februari een keer heeft gebeld naar de receptie van [A] waar de aangever werkzaam was (b.m. 1, 3 en 4) en één keer daar is langsgegaan (21 februari) om de aan het BIG-register gerichte brief en een daarop betrekking hebbende brief aan de aangever af te geven (b.m. 1, 3, 4, 8 en 9). Overigens zij opgemerkt dat zowel de bewezenverklaring als de bewijsoverweging van het hof iets anders zegt, namelijk dat de verdachte die brief naar het BIG-register heeft gestuurd met de vraag of de aangever in het BIG-register staat ingeschreven (en, indien dat het geval is, welk orgaan het tuchtrecht uitoefent over de beroepsgroep waartoe de aangever behoort). Aldus verwoord, dient er (met de steller van het middel) op te worden gewezen dat de verdachte dan enkel gebruik heeft gemaakt van een hem toekomend recht. Art. 12, tweede lid aanhef en onder a, Wet BIG schrijft immers voor dat aan een ieder die zulks verlangt wordt medegedeeld of een persoon in een register staat ingeschreven. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het versturen van deze brief aan het BIG-register zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangever.