Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De advocaat van betrokkene heeft, voor zover thans van belang, primair aangevoerd dat niet de rechtbank Den Haag maar de rechtbank Rotterdam bevoegd is om het verzoekschrift te behandelen en subsidiair dat betrokkene niet behoorlijk voor deze zitting is opgeroepen. [4]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1(onder I en 1.1) dat het – terechte – oordeel van de rechtbank dat zij op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz Pro niet de relatieve bevoegdheid had om op het verzoek te beslissen, meebrengt dat zij ook niet de bevoegdheid had om een zorgmachtiging voor twee weken te verlenen. Volgens de klacht is de bevoegdheid die de rechtbank zich toekent om een tijdelijke machtiging af te geven dan ook in strijd met de wet dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De overwegingen van de rechtbank dat zij zich genoodzaakt voelde om de zorgmachtiging voor korte duur te verlenen omdat sprake is van een zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving en dat 9 juni 2022 de uiterste datum was om op het verzoek te beslissen, maken dit volgens de klacht niet anders. Daarbij wordt aangevoerd – verkort weergegeven – dat het verzoek op 31 mei 2022 door de rechtbank Rotterdam naar de rechtbank Den Haag werd verwezen en dat betrokkene toen in Delft bij de [verblijfplaats] verbleef. Als de rechtbank voor 4 juni 2022 had beslist, dan was zij bevoegd geweest, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 3(middel onder 1.3) tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie voor betrokkene en zijn omgeving. Betoogd wordt dat [verblijfplaats] het kennelijk niet nodig heeft gevonden om betrokkene gedwongen op te nemen aangezien hij op 4 juni 2022 met ontslag heeft kunnen gaan. Evenals in subonderdeel 1 wordt ook in subonderdeel 3 aangevoerd dat de rechtbank direct na de eerste verwijzingsbeschikking een zitting had kunnen bepalen zodat betrokkene nog bij [verblijfplaats] gehoord had kunnen worden, in plaats van te wachten tot de laatste dag van de beslistermijn.
moethoren tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is en dat de rechter zelf moet vaststellen dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden. [8]
De Wvggz bevat zelf geen voorschriften voor een dergelijke oproeping, zodat op de voet van art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro de algemene bepalingen van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. [11] Volgens de Hoge Raad dient de betrokkene behoorlijk voor het verhoor te worden opgeroepen overeenkomstig de voorschriften van de art. 272-276 en 279 Rv. [12] Art. 272 Rv Pro bepaalt dat de oproeping van een persoon van wie de woon- of verblijfplaats onbekend is, door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant geschiedt en dat de rechter tevens een andere wijze van oproeping kan bepalen. Is de woon- of verblijfplaats bekend, dan geschiedt de oproeping door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Als de betrokkene moeilijk per post te bereiken is, kan er voor de rechter reden zijn om van deze bevoegdheid gebruik te maken en (ook) een andere wijze van uitreiking te bepalen. [13] Ook kan de rechter een oproeping op een kortere termijn dan een week voorschrijven (art. 276 lid 1 Rv Pro). [14]
hoofdstuk 5,
paragraaf 6en
hoofdstuk 10, is uitsluitend bevoegd de rechter van de woonplaats van betrokkene, of van de plaats waar hij hoofdzakelijk daadwerkelijk verblijft. Zaken met betrekking tot minderjarige personen worden behandeld door de kinderrechter of door een meervoudige kamer waarvan de kinderrechter deel uitmaakt.”
Daarenboven blijkt uit de bestreden beschikking dat tevens namens betrokkene een beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank is gedaan.
Gelet op de samenhang met het in voetnoot 22 genoemde cassatieberoep, stel ik met betrekking tot de verdere afdoening voor dat de Hoge Raad de beslissing neemt die hem geraden voorkomt.