Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 juni 2021.
Hoge Raad
De officier van justitie verzocht de rechtbank Limburg om een zorgmachtiging te verlenen voor betrokkene voor de duur van zes maanden. Betrokkene werd opgeroepen voor een mondelinge behandeling, maar verscheen niet. De rechtbank stelde vast dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en verleende een zorgmachtiging voor drie maanden.
Betrokkene stelde in cassatie dat zij niet behoorlijk was opgeroepen en dat de rechtbank onbegrijpelijk had geoordeeld over haar bereidheid om te verschijnen. De Hoge Raad overwoog dat de oproeping niet aangetekend was verstuurd, waardoor niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat betrokkene de oproep had ontvangen. Ook was onduidelijk waarop de rechtbank haar vaststelling baseerde dat betrokkene was geïnformeerd door hulpverleners en de advocaat.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter een onderzoeksplicht heeft om vast te stellen of betrokkene niet bereid of niet in staat is zich te doen horen en dat de motivering daarvan voldoende moet zijn. Gezien de onduidelijkheden had de rechtbank de mondelinge behandeling moeten aanhouden om betrokkene alsnog te kunnen horen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Limburg voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.