De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die zijn klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift strekte tot opheffing van conservatoir beslag op een geldbedrag van ongeveer €2.437,50, gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van medeplegen moord.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep ontvankelijk is, ondanks dat het vóór de betekening van de beschikking werd ingesteld. De behandeling van het klaagschrift in raadkamer vond plaats op 15 juni 2021 in het openbaar, hoewel dit niet in het proces-verbaal was opgenomen door een kennelijke misslag. De beschikking is op 29 juni 2021 in het openbaar uitgesproken, conform de wettelijke vereisten.
De klacht dat het proces-verbaal van de uitspraak ontbrak, leidt niet tot nietigheid, omdat het ontbreken ervan niet verhindert dat de Hoge Raad kan toetsen of de wettelijke voorschriften zijn nageleefd. De aanwezigheid van de officier van justitie bij de uitspraak is niet wettelijk vereist en klager heeft geen rechtens te respecteren belang bij die klacht.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling oordeelt de Hoge Raad dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr zal opleggen. Dit volgt uit de ernst van de verdenking, de lopende strafrechtelijke procedure, en het feit dat nabestaanden zich hebben gemeld met een advocaat. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en voldoende gemotiveerd waarom het klaagschrift ongegrond is verklaard.
De middelen falen en het beroep wordt verworpen.