ECLI:NL:PHR:2022:1186
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over rechtmatigheid tapmachtigingen en beëdiging raadsheren in zaak medeplegen drugshandel
De verdachte is door het hof veroordeeld tot 75 dagen gevangenisstraf wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet. Hij stelde twee middelen van cassatie voor: de eerste betrof de beoordeling van de rechtmatigheid van tapmachtigingen, de tweede de beëdiging van raadsheren.
Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte oordeelde dat de rechtbank de tapmachtigingen volledig moest toetsen in plaats van marginaal. De tapmachtigingen betroffen twee series: een in 2011 en een in 2012. De rechtbank oordeelde dat de tapmachtigingen van 2012 niet rechtmatig waren, maar het hof stelde dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel had kunnen komen en dat de toetsing marginaal moet zijn. Het hof oordeelde dat de tapmachtigingen rechtmatig waren en het bewijs uit de taps gebruikt mocht worden.
Het tweede middel betreft de klacht over de onjuiste beëdiging van raadsheren, maar dit middel stuit af op een recent arrest van de Hoge Raad. De conclusie van de AG is dat beide middelen falen en het cassatieberoep moet worden verworpen. Wel wordt ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden, wat leidt tot strafvermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen met ambtshalve strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.