Conclusie
2. De inhoud van het verzoek
complicity in genocidetwee keer wordt genoemd. In de feitelijke uiteenzetting op pagina 3 en verder in het aanhoudingsbevel is echter sprake van dezelfde vijf counts als de charges die in het uitleveringsverzoek zijn genoemd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de dubbele vermelding van
complicity in genocideop een vergissing berust.
3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
3. Introduction, laws related to the offending and summary of facts
4. Charges
- art. 1, tweede lid, Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven:
- art. II Genocideverdrag, dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt:
3.7 (Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
voltooideschending van artikel 6 van Pro het EVRM, komt de uitleveringsrechter bij een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. Dit is anders bij een verzoek tot uitlevering ter fine van strafexecutie, in welk geval de uitleveringsrechter wel dient te beoordelen ofsprake is van een voltooide flagrante inbreuk op artikel 6 van Pro het EVRM.
flagranteschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Transfer Lawvan toepassing met de daarin opgenomen garanties, die overgedragen zaken met de nodige waarborgen omkleedt. In de procedures van eerdere zaken waarin Nederland personen aan Rwanda heeft uitgeleverd en die ook onder de
Transfer Lawvallen, rapporteert de International Commission of Jurist (ICJ Kenya) regelmatig in een monitoring report. Uit deze monitoring reports volgen geen directe indicaties dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van artikel 6 van Pro het EVRM met betrekking tot de opgeëiste persoon. Ook blijkt dit - anders dan de verdediging suggereert- niet uit de monitoringsrapporten van ICJ Kenya in de zaken van eerder door Nederland aan Rwanda uitgeleverde personen. Uit die monitoringsrapporten komt naar voren dat er obstakels zijn ten aanzien van onder meer financiering, de mogelijkheden de verdachten te bezoeken in verband met Covid-19 en vertraging in de procedure. Uit deze rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de algehele gang van zaken een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van Pro het EVRM.
African Court on Humans and People ’s Rightsof dat uitspraken van dat hof door Rwanda naast zich neer worden gelegd, brengt op zichzelf niet met zich mee dat moet worden geconcludeerd dat er geen effectief rechtsmiddel is; temeer nu processen onder de
Transfer Lawworden gemonitord. Door die monitoring is niet aannemelijk dat de opgeëiste persoon na diens uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste zal staan. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de verzoekende staat onder de gegeven garanties het recht van hoger beroep heeft genoemd dat de opgeëiste persoon toekomt op grond van het Rwandese wetboek van strafvordering. Een hoger beroepsrechter kan een eventueel in eerste aanleg plaatsgevonden schending in het strafproces herstellen of compenseren.”
Soering v. the United Kingdom, 7 July 1989, § 113, Series A no. 161 and has been subsequently confirmed by the Court in a number of cases […].
Soeringjudgment, the Court has never found that an expulsion would be in violation of Article 6. This fact, when taken with the examples given in the preceding paragraph, serves to underline the Court’s view that “flagrant denial of justice” is a stringent test of unfairness. A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article.
uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
Both ordinary criminal suspects and political detainees are routinely subjected to torture and other ill-treatment in custody. Extrajudicial executions of suspected criminals by security personnel still occur with some frequency. In July 2018, the UN Subcommittee on Prevention of Torture cancelled its planned visit to Rwanda, citing lack of government cooperation.” In een rapport ‘Out of Sight, Not Out of Reach’, Freedom House wees er ook op dat Rwanda spyware gebruikt om de Rwandezen in de diaspora te volgen en te intimideren, bedreigen, ontvoeren of te vermoorden. In andere woorden, Rwanda probeert controle te houden op de oppositie in het buitenland door middle van ‘transnational repression’.
Brown et alvond dat er voldoende bewijs was dat "
the state is suspected of threatening and killing those it considers to be its opponents or they simply disappear at home and abroad'.
The judiciary lacks independence, especially in political or other sensitive cases. Arbitrary detention, ill-treatment, and torture in official and unofficial detention facilities are common."
State interference and intimidation have forced many civil society actors and journalists to stop working on sensitive political or human rights issues. Most print and broadcast media continued to be heavily dominated by pro-government views. Independent civil society organizations are very weak, and few document and expose human rights violations by state agents."
Although lack of access to the country and detention centers to conduct research posed challenges to documenting violations, reports continued that prison guards used threats, beatings, and intimidation against detainees, including to extract confessions."
Transfer Lawop eerlijke wijze worden voltooid, dit terwijl in processen die niet onder de
Transfer Lawplaatsvinden geen enkele garantie is op een eerlijk proces en martelingspraktijken regelmatig worden toegepast om iemand te dwingen tot een schuldbekentenis of belastende verklaring jegens een andere verdachte. In een totalitaire staat als Rwanda kunnen processen onder de
Transfer Lawniet in isolatie worden beoordeeld ten opzichte van de dagelijkse realiteit in andere processen.
African Charter on Human and Peoples' Rights, 27 juni 1981), die corresponderen met artikel 2 en Pro 3 EVRM, geschonden waren. Onder andere achtte het Hof bewezen dat gevangenispersoneel zich schuldig had gemaakt aan bedreigingen en intimidaties jegens [betrokkene 24] . Dit, ondanks dat de Canadese autoriteiten [betrokkene 24] in goed vertrouwen hebben uitgeleverd, met de nodige garanties.
International Residual Mechanism for Criminal Tribunals(‘MICT’) voor verdachten die anders voor het Rwanda Tribunaal te Arusha gedaagd zouden zijn, valt voor hem geen remedie tegen een dergelijke strijd met artikel 3 en Pro 6 EVRM opleverende behandeling te verwachten. Immers kunnen verdachten die door het Rwanda Tribunaal of MICT naar Rwanda worden uitgeleverd, klagen bij het MICT. […]
Transfer Lawniet van toepassing is ten onrechte voorbij is gegaan aan de voorbeelden van
Transfer Lawzaken die ook naar voren zijn gebracht, zoals dat van [betrokkene 24] . Verder is aan de klacht ten grondslag gelegd dat de rechtbank bij de beoordeling van het verweer hetgeen specifiek is aangevoerd over de familiebanden van de opgeëiste persoon en het gevaar dat hij hierdoor in het bijzonder loopt niet heeft betrokken. Ten slotte is aan de klacht ten grondslag gelegd dat de naar voren gebrachte recente ontwikkelingen in de manier waarop de mensenrechtensituatie in Rwanda verslechtert, maakt dat de rechtbank niet had mogen volstaan met verwerping van het verweer met een algemene motivering die ook in andere zaken aangaande uitlevering ter fine van vervolging van Rwandezen is gehanteerd.
monitoring reportsvan de International Commission of Jurist (ICJ Kenya) – anders dan de verdediging suggereert – geen directe indicaties volgen dat moet worden gevreesd voor een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro met betrekking tot de opgeëiste persoon. Uit deze rapporten blijkt verder dat er in de zaken van eerder door Nederland uitgeleverde personen, die dus onder de
Transfer Lawvallen, obstakels zijn ten aanzien van onder meer financiering, de mogelijkheden de verdachten te bezoeken in verband met Covid-19 en vertraging in de procedure, maar niet dat de algemene gang van zaken een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat niet is gebleken van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro. Dat oordeel is overwegend feitelijk van aard, want verweven met feiten en omstandigheden die de rechtbank moet beoordelen, en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de verzoekende staat in het uitleveringsverzoek “
Fair Trial Guarantees” heeft gegeven. [17] Daaraan doet niet af dat de rechtbank in haar advies aan de minister van Justitie en Veiligheid heeft aangegeven met zorg kennis te hebben genomen van de berichten over het proces van [betrokkene 15] , waarin veelvuldig gerefereerd wordt aan onder meer beïnvloeding van de rechtspleging en veronachtzaming van de onschuldpresumptie, ook door de president van Rwanda en dat de rechtbank de minister daarom adviseert in de zaak van de opgeëiste persoon de Kenyan Sector van de
International Commission of Jurists(ICJ Kenya) het proces en de detentieomstandigheden nauwlettend te laten monitoren.
Transfer Lawniet aannemelijk is dat de opgeëiste persoon na diens uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste zal staan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk is. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat monitoring van het proces niet kan worden aangemerkt als een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro.
Transfer Lawniet aannemelijk is dat de opgeëiste persoon na diens uitlevering niet een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste zal staan namelijk aldus dat de rechtbank niet het monitoren van processen als effectief rechtsmiddel heeft aangemerkt, maar dat deze monitoring eraan bijdraagt dat de opgeëiste persoon een effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan.