Conclusie
en
beschikking) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het
hof) een samenvatting gegeven van het in hoger beroep voorliggende geschil en zijn oordeel ter zake.
OM), door het hof in de beschikking geduid als verweerder in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210);
HAMC), door het hof in de beschikking geduid als corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW en belanghebbende in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210); [2]
HAMC Holland), door het hof in de beschikking geduid als informele vereniging naar Nederlands recht en belanghebbende in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210); [3]
HAM Corporation), door het hof in de beschikking geduid als corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW en belanghebbende in hoger beroep respectievelijk appellante in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210). [4]
Het hof komt, net als de rechtbank, tot de conclusie dat dit inderdaad zo is: HAMC, de wereldwijde organisatie van de Hells Angels, wordt aangemerkt als buitenlandse corporatie en HAMC Holland, de organisatie waarin de Nederlandse charters zijn verenigd, als informele vereniging naar Nederlands recht.
De volgende vraag is of de activiteiten van HAMC en HAMC Holland strijdig zijn met de openbare orde in Nederland. Het hof vindt dat het OM dit voldoende heeft aangetoond.
Het hof is er verder van overtuigd dat een verbod van deze organisaties noodzakelijk is.
De door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde en de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland blijven daarom in stand.
Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank dat HAM Corporation is te beschouwen als een onderdeel van HAMC. HAM Corporation, de organisatie die de merkrechten van de Hells Angels beheert, is een vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten die ook zelfstandig naar buiten toe optreedt. De verklaring voor recht ten aanzien van HAMC raakt haar niet direct. Het hof ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat de werkzaamheid van HAM Corporation zelf in strijd is met de openbare orde. Het verzoek van het OM wordt daarom ten aanzien van HAM Corporation alsnog afgewezen.
Voor de Hells Angels charters in Nederland en hun leden geldt het volgende.
De charters zijn (onder)afdelingen van HAMC (Holland), maar hebben zelf ook alle kenmerken van een informele vereniging. Twee charters zijn bovendien georganiseerd in een formele vereniging. Zij zijn dus zelf ook rechtspersonen en vallen daarom niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Hetzelfde geldt voor de stichtingen die aan de charters zijn verbonden. Maar dit neemt niet weg dat, als de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring van HAMC Holland onherroepelijk is geworden, de voortzetting van hun activiteiten in Nederland is verboden, ook voor de charters en hun leden. Onder meer betekent dit dat de Hells Angels niet meer in het openbaar hun colors mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.
Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot deze beslissingen komt.”
Stichting c.s.) vanuit diverse invalshoeken pijlen gericht op ’s hofs oordeel in de beschikking dat de in eerste aanleg uitgesproken verklaring voor recht dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde (art. 10:122 BW Pro in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW Pro), alsmede de in eerste aanleg uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland (art. 2:20 lid 1 BW Pro), in stand blijven. [5] Ook klagen zij over ’s hofs uiteenzetting dat, als dit oordeel inzake HAMC en HAMC Holland onherroepelijk is geworden, de voortzetting van hun activiteiten in Nederland is verboden, ook voor de charters en hun leden. Het OM heeft daartegen verweer gevoerd.
1.Achtergrond van de zaak
HAM Corporation is opgericht in 1970. Zij houdt zich bezig met de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (handelsmerken: logo’s en opschriften) van de Hells Angels.
2.Het procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
rechtbank) bij verzoekschrift van 29 mei 2018 verzocht om:
Stichting) en HAM Corporation hebben op 31 januari 2019 elk een verweerschrift ingediend.
3.Achtergrond van de zaak, verzoek en beslissing van de rechtbank
In de zaak tegen HAMC heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW Pro. In de zaak tegen HAMC Holland heeft de rechtbank HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft de beschikking wat deze onderdelen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank de zaken aangehouden in afwachting van de benoeming van een vereffenaar (die moet zorgen voor de vereffening van de in Nederland gelegen goederen van HAMC en het vermogen van HAMC Holland). Bij beschikking van 12 juli 2019 heeft de rechtbank een vereffenaar benoemd.
4.Omvang van het hoger beroep
5.De beoordeling in het hoger beroep
worldruleszijn die gelden voor alle Hells Angels ter wereld. Deze worldrules bestaan uit
constitutional rules,
admission rules,
traditions,
internet rules,
voting rulesen
prohibitive rules(zoals in rov. 4.7 van de beschikking van de rechtbank verder beschreven). De regels gaan onder meer over de motorfiets die ieder lid en prospect moet hebben, stemrecht (het principe van
one man, one vote), het dragen van patches (herkenningstekens), het beslechten/uitvechten van conflicten, ongewenst gedrag, wie zijn uitgesloten van lidmaatschap van de club, het verbod om tevens lid te zijn van een andere motorclub, de proeftijd van een jaar die geldt voor alle nieuwe leden, het vormen van charters, de procedure die moet worden gevolgd als een lid de club verlaat of wil overgaan naar een ander charter en het verbod om zaken te verkopen of dragen met de naam Hells Angels en/of het
death head-logozonder de vereiste licentie van HAM Corporation.
worldmeetings, wereldwijde bijeenkomsten van de Hells Angels die twee keer per jaar worden gehouden. Alle landen waarin de Hells Angels zijn gevestigd, moeten daarbij zijn vertegenwoordigd. Daarnaast vinden er
world runsplaats waarbij gezamenlijke activiteiten worden ondernomen. Waar en wanneer de world runs plaatsvinden en welk onderdeel de activiteiten organiseert, wordt tijdens de worldmeetings besproken. Alle charters zijn verplicht om aan deze evenementen deel te nemen, op straffe van een boete.
world rule motions: de motion wordt gepresenteerd tijdens een eerste worldmeeting, daarna wordt de motion bediscussieerd tijdens een tweede worldmeeting en ten slotte wordt over de motion gestemd en besloten (
voted and tallied) bij een derde worldmeeting. De Stichting c.s. hebben betoogd dat de besluitvorming niet tijdens de worldmeeting plaatsvindt, maar dat alle leden een stem uitbrengen en dat deze stemmen via de charters worden verzameld. Ook als dat zo is, neemt dat niet weg dat de resultaten van de stemming wereldwijd worden vastgesteld. Daarmee wordt bindend vastgesteld dat een world rule motion is aangenomen of niet, wat wordt vastgelegd in de notulen van de worldmeeting. Blijkens notulen van worldmeetings die zich in het dossier bevinden, gaan world rule motions bijvoorbeeld over regels voor het dragen van herkenningstekens van andere landen/charters, de plaats waar bepaalde herkenningstekens op de kleding moeten worden gedragen en welke leden een bepaald onderscheidingsteken mogen dragen (zie voorbeelden in rov. 4.8 van de beschikking van de rechtbank). Deze voorbeelden illustreren dat over zaken die de onderlinge verhoudingen tussen de Hells Angels (charters) en/of het imago van de hele club raken op wereldwijd niveau wordt gesproken en beslist. Het standpunt van de Stichting c.s. dat de worldmeeting slechts een evenement is voor alle Hells Angels ter wereld waarvan verder geen gezag uitgaat, volgt het hof dus niet. Het is onmiskenbaar (ook) een wereldwijde, besluiten nemende vergadering waaraan alle Hells Angels zijn onderworpen. Uit de regelmatige vergaderingen en activiteiten op wereldniveau blijkt voorts dat er wereldwijd wordt samengewerkt door de Hells Angels uit de verschillende werelddelen en landen.
to pass a ruleof
for request or approval) kunnen worden ingediend op drie forums:
‘Regional, National and World’. Uit de gedingstukken blijkt dat er naast worldmeetings bijvoorbeeld ook European meetings zijn waar motions worden ingebracht. Duidelijk is dat, voor zover het gaat om onderwerpen die voor alle Hells Angels van belang zijn, daarover uiteindelijk op wereldniveau moet worden beslist. Uit de voting rules kan dus worden afgeleid dat er een organisatie bestaat op wereldwijd niveau, regionaal niveau (per werelddeel) en nationaal niveau. De notulen van worldmeetings en European meetings die het OM heeft overgelegd, bevestigen dat op deze verschillende niveaus structureel wordt overlegd en over clubzaken wordt beslist. De charters zijn meestal binnen één land georganiseerd (en bevinden zich dan dus onder het nationale niveau) maar kunnen zich ook over meer dan één land uitstrekken. Dat laatste doet niet af aan het beeld van een wereldwijde organisatie die een geografische onderverdeling kent.
bottom upzijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe
one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.
colors(zwarte mouwloze vesten) die elke Hells Angel draagt er in de kern hetzelfde uit: een toprocker met de naam Hells Angels (in rode letters op een wit vlak), het death head-logo met daarnaast de afkorting MC in het midden (in rode letters op een wit vlak) en een bottomrocker met een geografische naam (bijvoorbeeld Holland, in rode letters op een wit vlak). Iedereen die een persoon ziet met deze uiterlijke kenmerken weet dat hij te maken heeft met een lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben er weliswaar op gewezen dat ieder charter (in Nederland althans) een eigen death head logo gebruikt. Bij het zien van deze logo’s vallen echter vooral de overeenkomsten op (de typerende afbeelding van een doodshoofd met vleugels), veel meer dan de verschillen (diverse kleuren, varianten in vorm op detailniveau en toevoeging van een afkorting of symbool voor de locatie; zie bijlage 12 bij de brief van mr. Knoops van 31 augustus 2020 en het overzicht in zijn PowerPointpresentatie in hoger beroep). Dat op een siderocker (aan de voor-/zijkant van het vest) de naam van het charter staat, doet ook niet af aan het beeld van één club. Het geheel levert het beeld op dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied, en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel. Van belang is daarbij ook nog dat de charters en leden een licentieovereenkomst moeten sluiten met HAM Corporation om de naam en logo’s van de Hells Angels onder meer voor dit doel te mogen gebruiken. Zoals hiervoor al is vermeld, is dit ook vastgelegd in de worldrules. De charters regelen vervolgens zelf de productie en uitgifte van clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens voor hun leden. Dat neemt niet weg dat het gebruiken van de clubkleding (met namen, logo’s en onderscheidingstekens) op deze manier strikt is gereguleerd op wereldniveau. Met dit alles is onmiskenbaar dat de Hells Angels zich presenteren als wereldwijde motorclub.
Hells Angels MC World, met op de homepage de kenmerkende toprocker met de naam Hells Angels, het death head-logo en de bottomrocker met de geografische aanduiding World. Deze aanduiding blijft zichtbaar als andere pagina’s op de website worden bezocht. Verder bevat de website informatie over de verschillende geografische verbanden van ‘HAMC World’. De Stichting c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat het OM niet heeft aangetoond dat deze website wordt beheerd door een wereldwijde organisatie van de Hells Angels, maar dat is hier niet doorslaggevend. Uit de internet rules (onderdeel van de worldrules) blijkt dat alle leden, prospects en hangarounds van de Hells Angels, waar ook ter wereld, moeten bijdragen in de kosten van de
World Web Master. Vaststaat dat die bijdrage ook daadwerkelijk wordt betaald. Het OM heeft de webmaster inmiddels geïdentificeerd, te weten een zekere [betrokkene 1], lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben dat niet betwist. Dat de webmaster de content van de website zelf mag bepalen, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, heeft hooguit relatieve betekenis: het neemt in elk geval niet weg dat hij is gebonden aan de wereldwijd vastgestelde clubregels van de Hells Angels. Het is verder moeilijk voorstelbaar dat de Hells Angels deze website ongemoeid zouden laten als zij niet achter de inhoud ervan zouden staan. Dit alleen al vanwege de strenge regels voor het gebruik van hun naam en logo, die strikt worden gehandhaafd. Gelet op deze omstandigheden moet de website wel degelijk worden beschouwd als uiting van HAMC, waarmee zij naar buiten treedt als wereldwijde organisatie van de Hells Angels.
HAMC Holland Richtlijnen(met versies voor members, prospects en hangarounds). Hierin zijn bepalingen opgenomen over allerlei clubzaken, variërend van regels over het toelaten van nieuwe leden (van hangaround tot prospect en van prospect tot member), het gebruik van de motorfiets, het verplicht dragen van colors, de aanwezigheid van leden en charters bij (Holland) meetings, het betalen van contributie aan de charters en de mogelijkheid om vrijstelling hiervan te krijgen, het nemen van beslissingen over eervol of oneervol ontslag (
good or bad standing, met bijbehorende consequenties), sancties bij ongewenst gedrag, het overstappen naar een ander charter en het vormen van nieuwe charters in Nederland, tot stemregels. Op overtreding van diverse bepalingen zijn sancties gesteld (zoals inname van colors, uitstoting en boetes). Het standpunt van de Stichting c.s. dat het hierbij slechts gaat om richtlijnen en niet om bindende regels, volgt het hof niet. Sommige bepalingen hebben inderdaad meer het karakter van aanwijzingen of een gedragscode (zoals de bepalingen dat men bij het defect gaan van de motorfiets moet zorgen dat deze binnen een maand gerepareerd of in een vergevorderd stadium van reparatie is, dat men de motorfiets in goede staat van onderhoud moet houden, dat men de motorfiets klaar moet hebben en bij het begin van het seizoen - februari/maart - moet rijden), maar de meeste bepalingen zijn wel degelijk dwingend van aard, mede gelet op de sancties die zijn gesteld op het niet naleven ervan (zoals verplicht afmelden voor een meeting op straffe van een boete, zie rov. 5.19.). Dat de regels op charterniveau worden gehandhaafd, doet ook niet af aan het dwingende karakter van de regels die landelijk zijn vastgesteld. Zoals uit de HAMC Holland Richtlijnen verder blijkt, zijn er Holland meetings waarop over zaken op nationaal clubniveau wordt overlegd en beslist. Dat er gestemd wordt volgens het principe
one man, one voteen de stemmen per charter worden verzameld, neemt ook niet weg dat er op deze manier wel besluiten worden genomen op landelijk niveau waaraan de Hells Angels in Nederland vervolgens zijn gebonden. Deze Holland meetings vinden ook daadwerkelijk regelmatig plaats, naast andere landelijke activiteiten.
national secretary, die ledenlijsten beheert van de Nederlandse charters, informatie onder de charters verspreidt, als contactpunt fungeert voor communicatie met buitenlandse charters en bij stemmingen op nationaal, Europees en mondiaal niveau de stemmen verzamelt die de Nederlandse leden hebben uitgebracht. Ook is er een
national treasurer, die ervoor zorgt dat de charter-overstijgende kosten (zoals kosten voor world- en euroruns, cadeaus, rouwkransen en -advertenties, begrafenissen in het buitenland en advocaatkosten) worden betaald en omgeslagen over de Nederlandse leden. Daarvoor houdt hij ook een administratie bij. De jaarlijkse licentievergoeding voor HAM Corporation en de bijdrage voor de world web master worden geïnd via de charters en verzameld door de national secretary of treasurer.
one man one vote. Ieder lid heeft dus een stem in de besluitvorming, ook op nationaal niveau. De HAMC Holland Richtlijnen bepalen daarbij dat voor besluiten een 2/3 meerderheid is vereist, behalve bij besluiten over toelating van nieuwe leden en prospect MC’s waarbij unanimiteit is vereist. Ledeninspraak is dus nadrukkelijk aanwezig, ook op nationaal niveau.
Outlaw Motorcycle Gangs), waar deze zaak uit voortkomt, sterk moeten worden gerelativeerd. In de tweede plaats betogen zij dat de overheid doelbewust bezig is om het maatschappelijke beeld van de Hells Angels te veranderen van een motorclub naar een criminele organisatie. Het beeld van de Hells Angels als bende of gang omdat relatief veel leden betrokken zouden zijn bij (ernstige) strafbare feiten, is volgens hen onzorgvuldig en niet onderbouwd. In de derde plaats voeren zij aan dat ten onrechte al het geweld wordt toegerekend aan alle rechtspersonen die op de verschillende niveaus bij de Hells Angels zouden bestaan. In de vierde plaats uiten zij kritiek op het door het OM aangevoerde bewijsmateriaal: volgens hen is sprake van een structurele onevenwichtigheid tussen de belanghebbenden en het OM, is de kwaliteit en betrouwbaarheid van de door het OM gebruikte bronnen onvoldoende en is niet voldaan aan de uit artikel 21 Rv Pro voortvloeiende eis van volledigheid en waarheidsgetrouwheid. Met dat laatste doelen zij erop dat veel in de bijlagen genoemde buitenlandse rechtspraak niet te traceren is en dat veel andere bronnen bestaan uit persberichten en informatie uit politiesystemen die voor hen niet is te verifiëren. Verder voeren zij aan dat de politieonderzoeken maar zeer beperkt resultaat hebben opgeleverd, dat er ook maar een beperkt aantal rechterlijke uitspraken tegen de Hells Angels in Nederland is gedaan (voor zover zij konden nagaan 9 strafrechtelijke veroordelingen, die deels nog niet onherroepelijk zijn, en één bestuurszaak over intrekking van een vergunning in de afgelopen 21 jaar) en dat het aantal buitenlandse incidenten dat in de bijlagen is genoemd niets zegt, omdat het gaat om in totaal 719 incidenten in de afgelopen 60 jaar, in 34 van 63 landen waarin de Hells Angels actief zijn, waarbij meer dan de helft van de bronnen daarover niet toegankelijk is voor hen. Ook bestrijden zij de stellingen van het OM over het bestaan van een geweldscultuur.
‘No undesirables in the club. For example: No snitches, junkies, cops or ex-cops, etc. Membership shall be limited to men who are not and have never chosen to belong to, or worked with any law enforcement agency nor authority which has the power of arrest or incarceration.’Hieruit spreekt duidelijk wie vooral geen lid mogen zijn van de club: verraders, agenten en ex-agenten en personen die werken of hebben gewerkt voor andere handhavingsinstanties of die daarmee samenwerken. Daarbij is duidelijk dat deze regel geldt voor alle leden, en niet alleen bij de toelating van een nieuw lid. Waar de club wordt gevormd door de leden, is dat een belangrijk uitgangspunt. Het behoort onmiskenbaar tot het geheel van normen, waarden, tradities en regels - en dus tot de cultuur - van de club. Het dossier bevat verder veel voorbeelden van verzet en geweld van Hells Angels tegen de politie, of dreiging daarmee (bijlage 10 onder 2.1, bijlage 26 onder 10.2.6 en 10.2.7, en bijlage 32 onder 10.2.1). Wat daarin is vermeld, is door de Stichting c.s. niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Daaruit blijkt ook in de praktijk van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie.
‘Omerta’ (wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem), ‘Be careful of what you say on this phone’, ‘What you hear in this room stays in this room’, ‘Silence is golden, duct tape is silver’, ‘Three can keep a secret if two are dead’ en ‘We don’t call 911’(stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht. De zwijgplicht die geldt voor de Hells Angels kan niet worden gelijkgesteld met het zwijgrecht dat verdachten hebben in een strafproces. Zoals de naam al zegt, is dat een recht en geen plicht; een ieder moet de vrijheid hebben om er wel of geen gebruik van te maken. Dat er voorbeelden zijn waarbij leden van een charter wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces, doet aan het voorgaande ook niet af. Het gaat daarbij om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist. Er zijn meerdere voorbeelden waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (zie bijvoorbeeld bijlage 4, onder 4.2.7, bijlage 26 onder 2.1.1). Verder blijkt uit diverse bronnen de toepassing van bad standing beleid dat gepaard gaat met geweld (zie bijvoorbeeld bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1).
sergeant at arms. Volgens de clubregels is deze verantwoordelijk voor de discipline in de charter; hij moet zorgen dat clubregels worden nageleefd en opdrachten van de president worden uitgevoerd. Verder bestaat er een vorm van hiërarchie tussen Hells Angels charters en
supportclubsen tussen leden (
full members) en kandidaat-leden (
prospectsen
hangarounds). In deze opzichten is wel sprake van een duidelijke hiërarchie bij de Hells Angels en hun aanhangers, die gehoorzaamheid afdwingt in de onderlinge verhoudingen.
AFFA (‘Angels Forever, Forever Angels’), FTW (‘Fuck the World’) en ACAB (‘All Cops Are Bastards’)) dragen de Hells Angels verder een sterke interne loyaliteit, geldingsdrang, een vijandige houding naar de buitenwereld en een affiniteit met geweld uit. In veel aan de Hells Angels gerelateerde merchandise wordt geweld ook verheerlijkt. Dit soort uitingen is op zichzelf geen reden voor een verbod. Maar zij zijn wel kenmerkend voor de cultuur van de Hells Angels waaruit de feitelijke gedragingen voortkomen die aanleiding geven voor het verbod.
defence fundsen
jail fundsen worden er wereldwijd
BHC (Big House Crew)-lijsten bijgehouden van leden die vastzitten. Daarbij worden andere leden via nieuwsbrieven opgeroepen hen moreel en financieel te steunen. Typerend is een worldmotion uit 2010, die bij de national secretary van HAMC Holland is aangetroffen, met deze inhoud:
‘Brothers in jail shall be treated with respect and we shall do everything we can to make the inmates situation as good as it can be. Remember brothers, it can be you sitting there tomorrow.’Een fonds voor juridische bijstand van lotgenoten en financiële steun voor gedetineerden hoeft op zichzelf geen vragen op te roepen, maar wat hier opvalt is dat strafvervolging en detentie worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Een uitleg waarom dat zo is ontbreekt, anders dan dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen.
Filthy Few-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels die een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club. Dit volgt uit diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals vermeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank. Het standpunt van de Stichting c.s. dat er vraagtekens zijn te plaatsen bij de betrouwbaarheid van deze verklaringen, gezien de beweerdelijke zwijgplicht die binnen HAMC zou bestaan, kan het hof niet volgen. Dat er een zwijgplicht bestaat, wil immers niet zeggen dat leden die deze plicht doorbreken wellicht niet de waarheid spreken. Dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland, neemt de betekenis ervan voor deze zaak ook niet weg. De affidavit van mr. Caplan (raadsman van de Hells Angels in de Verenigde Staten) en de beschrijving van [betrokkene 2] (voormalig president van Hells Angels charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, vindt het hof onvoldoende om aan de genoemde betekenis van deze patch te twijfelen.
‘the hardest partyers’worden bedoeld (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt. Wat er van de gestelde oorsprong ook zij, dit doet niet af aan de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels heeft gekregen. [betrokkene 2] schrijft in zijn boek (met de veelzeggende naam ‘Breaking the code’):
‘I saw a ton of Filthy Few patches. It seemed as if everyone was wearing one. Same with Outlaws and their lightening bolts. And I would wonder where the bodies were. It just didn’t add up. It turns out the patches are mostly flash. A lot of the guys get theirs just by asking for them.’Uit het citaat blijkt dat volgens de schrijver de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord. Alleen zegt hij erbij dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is. Zijn conclusie is dat de patches voornamelijk voor de show zijn. De stelling van de Stichting c.s. dat de patch vrijelijk verkrijgbaar is via internet en wordt uitgedeeld bij allerlei evenement, duidt daar ook op. Maar ook als dat zo is, neemt dat niet weg dat een teken dat staat voor het plegen van moord wordt gebruikt als statussymbool. En het neemt ook niet weg dat dit ereteken in sommige gevallen wel reële betekenis heeft.
Dequiallo-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (op de gronden als vermeld in rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank). Voor dat oordeel is redengevend dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van de Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt (
‘Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hé?). De opmerking van de Stichting c.s. dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd, is onvoldoende om de betekenis aan het gesprek te ontnemen. Daar komt bij dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat deze patch symbool zou staan voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd.
Death head Purple Heart Pinen -oorkonde. Deze wordt door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. Op de oorkonde staat:
‘Any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood, in the Defence and Honor of the Hells Angels Motorcycle Club, and shall forever be revered by his fellow members’. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om Hells Angels die slachtoffer zijn geworden van geweld tegen de club, zoals de verklaring van mr. Caplan inhoudt, maar kan volgens de tekst ook zeer wel betrekking hebben op leden die actief zijn opgetreden ter bescherming van (de eer van) de club en daarbij gewond zijn geraakt. De strekking is in elk geval dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd. Geweld staat ook hierbij centraal.
mother chapterin Oakland waar
matters concerning the clublangs moeten, doet daaraan niet af, omdat niet duidelijk is dat dit slaat op HAM Corporation.
Filthy few patchen
Dequiallo patch, ook al neemt het hof de gewelddadige betekenis ervan aan.
one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.
6.Slotsom
Het cassatieberoep van de Stichting c.s. (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01164)
(…)
5.36. Het hof gaat eerst in op de bedoelde cultuur. Onbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels wordt gebruikt (ook het ‘1%-teken in combinatie met het death head logo en ‘HAMC’). De Stichting c.s. voeren weliswaar aan dat er geen bewijsmiddel is waaruit blijkt dat dit ‘veel’ gebeurt, maar een gemotiveerde betwisting dat dit het geval is, is dat nog niet. Ontegenzeggelijk wordt hiermee uitgedragen dat men behoort tot een club die zich niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de club zich daarvan werkelijk heeft gedistantieerd.”
nietste maken met het ondernemen van criminele activiteiten, het gevoel buiten de burgermaatschappij of de maatschappelijke orde te staan althans enig ander gevoel boven de wet te staan”. [23]
In rov. 5.31 van de beschikking vat het hof samen wat het OM ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd. In rov. 5.32 geeft het hof de uitvoerige betwisting daarvan door de Stichting c.s. weer. Vervolgens overweegt het hof in rov. 5.33 dus als volgt:
Ik stel vast dat het hof gezien ook rov. 5.32 onderkent dat de betwisting zijdens de Stichting c.s. onder meer betrekking heeft op het OMG-beleid en de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht alsmede op de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’, hetgeen dekt wat door de subonderdelen met vindplaatsverwijzingen aan stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties naar voren is gebracht. Ik stel tevens vast dat het hof gezien ook rov. 5.33 en 5.36 deze betwisting zijdens de Stichting c.s. betrekt bij zijn oordeel aldaar (daarop acht slaat aldaar), maar daarop niet verder ingaat dan het aldaar doet nu het deze betwisting niet (potentieel) blokkerend - en daarmee niet relevant - acht voor de aldaar door hem getrokken conclusies waarop de subonderdelen doelen, dus:
Dit laatste geldt ook voor de in subonderdeel 1.2 vervatte motiveringsklacht. Gezien ook rov. 5.33 en 5.36 acht het hof de betwisting zijdens de Stichting c.s. in dit verband, met inbegrip van de in subonderdeel 1.2 met vindplaatsverwijzingen genoemde stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, niet (potentieel) blokkerend - en daarmee niet relevant - voor zijn bevindingen (in rov. 5.33) dat:
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Het hof heeft in de plaats miskend dat het waarborgen van de equality of armshet hof ertoe noopte van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv Pro gebruik te maken teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt, controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces. Het betreft hier weliswaar een discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar dat neemt niet weg dat de rechter een gemotiveerd verzoek van één van de partijen niet zonder enige motivering naast zich neer kan leggen, zeker niet als het beginsel van equality of arms aan de orde is. [32] Ik noem dit de eerste klacht van het subonderdeel.
Vervolgens heeft het hof in rov. 5.35-5.52 van de beschikking het in art. 6 EVRM Pro besloten beginsel van equality of armsopnieuw miskend door het gebruik door het OM van deze informatie niet alleen toe te staan, maar die informatie ook aan zijn oordeel ten grondslag te leggen. [33] Dat oordeel is “principieel onjuist”, nu uitvloeisel van het beginsel van equality of arms is dat informatie-asymmetrie ten aanzien van de voor het goede partijdebat en de rechterlijke beslissing relevante informatie zoveel mogelijk moet worden voorkomen [34] en nu uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat dit beginsel niet alleen met zich brengt dat partijen gelijke kansen moeten hebben op het terrein van informatieverstrekking aan elkaar en aan de rechter, maar ook dat alle informatie die een partij aan haar betoog in het proces ten grondslag legt controleerbaar en verifieerbaar moet zijn en op zo’n manier beschikbaar dient te zijn dat zij te allen tijde toegankelijk en controleerbaar is voor alle deelnemers aan het proces en ook voor derden. [35] Ik noem dit de tweede klacht van het subonderdeel.
Art. 22 Rv Pro behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechter om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen. [36] Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv Pro heeft gegeven. Dat is niet het geval. De rechter hoeft zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid ex art. 22 Rv Pro, al zal hij een gemotiveerd verzoek van een van de partijen om toepassing te geven aan art. 22 Rv Pro uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Ik citeer Tjong Tjin Tai: [37]
[zonder verwijzing in origineel, A-G]
Nideröst-Huber v. Switzerland, 18 February 1997, Reports 1997-I, p. 108, § 24, and
K.S. v. Finland, no. 29346/95, § 21, 31 May 2001). (…)” [42]
Het hof stelt in rov. 5.34 van de beschikking voorop, kort gezegd, dat “bepalend is of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting” kan worden vastgesteld dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, waarbij geldt dat de bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden op het OM rust. Daarbij verwijst het hof naar de toepasselijke regels van het bewijsrecht (specifiek art. 150 Rv Pro in verbinding met art. 284 Rv Pro), overweegt het hof dat op grond van art. 152 Rv Pro het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, en stelt het hof vast dat voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv Pro als vaststaand moet aannemen. Daarop laat het hof volgen dat naar zijn oordeel er voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, dat het hof verder aannemelijk gemaakt acht dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is, en dat het hof dat daarna toelicht. ’s Hofs oordeel in rov. 5.34 wordt in cassatie niet (kenbaar) bestreden. [47] Vervolgens zet het hof in rov. 5.35 het volgende uiteen:
Hieruit volgt onder meer dat naar ’s hofs oordeel in de beschikking wél van betekenis zijn “de bronnen” die in de onderhavige procedure zijn ingebracht door het OM en “die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, [49] alsmede dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen responderen op deze voor hen kenbare bronnen (waartoe de Stichting c.s. ook in de gelegenheid zijn gesteld), ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, nu het gaat om deze bronnen met concrete gegevens die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen. [50] Zoals het voorgaande laat zien, is dit oordeel van het hof in de beschikking niet in tegenspraak met (rechtspraak van het EHRM in het kader van) art. 6 EVRM Pro, waaronder het beginsel van equality of arms. Dit laatste geldt - in het verlengde van het voorgaande - evenzeer voor het vervolgoordeel van het hof aldaar dat, ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht:
Daarmee is gegeven dat de tweede klacht van het subonderdeel kapseist, nu van de daarin veronderstelde ‘principiële onjuistheid’ van ’s hofs oordeel in de beschikking geen sprake is: deze rechtsklacht leest te veel in art. 6 EVRM Pro (inclusief het beginsel van equality of arms) en de in het subonderdeel genoemde rechtspraak van het EHRM ter zake, terwijl het hof in de beschikking voldoet aan hetgeen wel volgt uit (deze EHRM-rechtspraak inzake) art. 6 EVRM Pro (inclusief het beginsel van equality of arms). [51] In het voetspoor daarvan slaat ook om de eerste klacht van het subonderdeel, eveneens een rechtsklacht: “het waarborgen van de
equality of arms” noopte het hof niet ertoe van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv Pro gebruik te maken “teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces”, terwijl daarin evenmin aanleiding gelegen was voor het hof genoemde beslissing van 24 april 2020 nader te motiveren. [52] Dit behoeft geen verdere toelichting. [53] Hierop stuit het subonderdeel af.
niet weersprokenverweer van de Stichting c.s. dat een aanzienlijk deel van deze door het OM genoemde bronnen (vooral informatie uit politiesystemen) gesloten en bijgevolg ontoegankelijk voor controle is, de door het OM gebruikte persberichten uit anonieme bronnen afkomstig zijn en daarom niet op betrouwbaarheid zijn te controleren, terwijl een groot deel van de (buitenlandse) rechterlijke uitspraken door geen of onjuiste opgave van vindplaatsen niet traceerbaar is. Het subonderdeel wijst, “puntsgewijs samengevat”, als volgt op hetgeen de Stichting c.s. in dit verband naar voren hebben gebracht: [54]
geen enkele responsop dit essentiële verweer, waarmee het in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten en uit het oog heeft verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek, [65] aldus nog steeds het subonderdeel.
Vooreerst springt in het oog dat het subonderdeel, zich beroepend met vindplaatsverwijzingen op door de Stichting c.s. aangevoerde stellingen in feitelijke instanties, bijna uitsluitend verwijst naar door de Stichting c.s. in een laat stadium van het hoger beroep ingebrachte stukken: het ‘verweer inzake het bewijs’, een dataset, het rapport van [betrokkene 4] en de bij de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen. [66] In dit verband is relevant dat de hogerberoepsrechter een verweer dat is gevoerd in een bij een processtuk overgelegde productie of bijlage dient te betrekken in zijn beoordeling, indien - voor zover hier relevant - dit verweer redelijkerwijs kenbaar is en is gevoerd binnen de grenzen van het grondenstelsel en, in verband daarmee, de ‘tweeconclusieregel’. [67] Ik ga ervan uit dat aan het een en ander in dit geval is voldaan, ook nu de Stichting c.s. tijdens de mondelinge behandeling onweersproken hebben gesteld dat het ‘verweer inzake het bewijs’ als processtuk ter rolle is ingediend, [68] in dat verweer en deze spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. wordt verwezen naar de andere bijlagen, en het in het ‘verweer inzake het bewijs aangevoerde’ een uitwerking of precisering vormt van grief 30 in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s. [69] Het subonderdeel trekt ten strijde tegen ’s hofs oordeel in rov. 5.35 van de beschikking dat:
De onder 3.10 sub (i) t/m (v) hiervoor weergegeven stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, waarop subonderdeel 2.2 zich beroept met vindplaatsverwijzingen en waaraan het hof niet voorbijziet (zie ook rov. 5.32), brengen naar de aard en gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 5.35 niet mee dat het hof niet zonder nadere motivering kon komen tot dit oordeel in rov. 5.35, zodat van ‘essentiële’ stellingen (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) [72] hier niet kan worden gesproken. Daarbij betrek ik mede, kort gezegd:
geen enkele respons[geeft] op dit essentiële verweer” en dat het hof daarmee “schromelijk in zijn motiveringsplicht [is] tekortgeschoten” en “uit het oog [heeft] verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek”, waarbij nog zij aangetekend dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben. [74] Hierop stuit het subonderdeel af.
In rov. 5.34 van de beschikking overweegt het hof als volgt:
In de eerste plaats geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepassing van art. 149 Rv Pro in dit geval door te overwegen zoals het doet in rov. 5.34 en 5.35-5.52, [79] waarvan onderdeel uitmaken ’s hofs oordelen (i) dat voor zover de door het OM [80] aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv Pro als vaststaand moet aannemen (rov. 5.34), en (ii) dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen reageren op de door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen [81] die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren (rov. 5.35), waarover nader onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Anders dan subonderdeel 3.2 veronderstelt, is hier dus geen sprake van “feitelijke (deels) niet verifieerbare stellingen van het OM omtrent de geweldscultuur van de Stichting c.s.”, waarbij zij aangetekend dat die stellingen van het OM (evenals ’s hof oordeel ter zake, zie o.a. rov. 5.27, 5.31, 5.35-5.45, 5.50-5.52) niet zozeer betrekking hebben op “de geweldscultuur” [82] van “de Stichting c.s.”, als wel op die van HAMC (Holland). [83] In het verlengde daarvan ziet subonderdeel 3.2 tevens eraan voorbij dat het hof, mede gezien zijn overwegingen in rov. 5.34 en 5.35-5.52, niet gehouden was - ook niet in het licht van art. 149 Rv Pro of de eisen van een goede procesorde - genoemde stellingen van het OM zelf nog weer aan “enige vorm van verificatie” te onderwerpen, [84] noch aldus oordelend “het uit een oogpunt van waarheidsvinding onaanvaardbare risico voor lief [heeft] genomen dat het recht zou spreken op basis van een verondersteld ‘feitensubstraat’ dat niet correspondeert met de werkelijkheid.” [85] Daarmee valt ook de bodem weg onder de slotzin van het subonderdeel 3.2, waar enkel wordt geponeerd - een te onderscheiden, eigenstandige klacht kan ik er nochtans niet in lezen - dat “naar de bevinding van de Stichting c.s.” het oordeel van het hof “dan ook” heeft geleid tot “een kafkaëske situatie”, die voor hen dreigt te eindigen “in de nachtmerrie van een valse procedurele werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid niet alleen verdringt, maar ook vernietigt.” Daarop loopt subonderdeel 3.2 vast.
Voorts geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting zoals bedoeld in subonderdeel 3.3. Voor zover dit subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.2 (“De - niet geverifieerde - vaststelling van het hof”, etc.), deelt het in het lot daarvan: zie hiervoor. Voor het overige geldt dat het hof met de in subonderdeel 3.3 bedoelde “vaststelling”, wat - voor zover het subonderdeel feitelijke grondslag heeft - kennelijk betrekking heeft op ’s hofs oordeel inzake “de geweldscultuur” van HAMC (Holland) in rov. 5.35-5.50, [86] niet voorbijziet aan, wat het subonderdeel noemt, de (hoge) eisen die moeten worden gesteld aan stelplicht en bewijslast omtrent de ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’ behorend bij een verbod van een (informele) vereniging ex art. 2:20 BW Pro gelet op de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw Pro en art. 11 EVRM Pro, te onderscheiden van de werking van art. 149 Rv Pro. [87] Daarbij zij herhaald dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben. Zie onder 3.11 hiervoor. Waarom dit anders zou zijn, legt het subonderdeel ook niet uit. Daarop strandt subonderdeel 3.3.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Bilden
The Sun-, terwijl van de door het OM genoemde buitenlandse uitspraken meer dan de helft niet verifieerbaar is, onder meer vanwege het ontbreken van vindplaatsen of het noemen van onjuiste vindplaatsen door het OM. De Stichting c.s. hebben op basis van deze feiten en omstandigheden gesteld dat onmogelijk een wereldwijde werkzaamheid van HAMC kan worden vastgesteld”. [92]
In rov. 5.32 van de beschikking zet het hof - samenvattend - uiteen wat de Stichting c.s. hebben aangevoerd ter betwisting van hetgeen door het OM is aangevoerd, zoals bedoeld in rov. 5.31. Zoals blijkt uit rov. 5.32, onderkent het hof daarin (ook) de stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop het subonderdeel een beroep doet met vindplaatsverwijzingen (zie onder 3.19 sub (i) t/m (iii) hiervoor). [93] Zoals blijkt uit rov. 5.33-5.52, betrekt het hof (ook) deze stellingen van de Stichting c.s. in zijn beoordeling. ’s Hofs - door het subonderdeel bestreden - overweging in rov. 5.35:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Dit oordeel is bovendien innerlijk tegenstrijdig met de overweging van het hof in rov. 5.35, voor zover het hof in deze “rechtsoverwegingen” verwijst naar incidenten genoemd in de bijlagen van het OM zonder dat duidelijk wordt waarop de daarin genoemde beschuldigingen zijn gebaseerd en wat precies de feiten zijn. In rov. 5.35 heeft het hof namelijk overwogen dat het van weinig betekenis zal achten de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn.
Deze “algemene motiveringsklachten” worden voor iedere “rechtsoverweging” afzonderlijk uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.5.1 t/m 3.5.5 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘afzonderlijke uitwerking’ onder 3.5.1 t/m 3.5.5, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.5.1 t/m 3.5.5. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan delen genoemde “algemene motiveringsklachten” in het lot daarvan.
In rov. 5.35 van de beschikking overweegt het hof als volgt:
In rov. 5.37, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.1, gaat het naar ’s hofs oordeel dus om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen [102] die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt [103] (specifiek veel voorbeelden van verzet en geweld van Hells Angels tegen de politie, of dreiging daarmee, tevens blijk gevend van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie ook in de praktijk), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Voor zover subonderdeel 3.5.1 (met de verwijzing daarin naar “ongespecificeerde informatie uit oncontroleerbare bronnen”, etc.) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 50-52 bij het subonderdeel. [104] Kort en goed: wat het hof ter zake overweegt, heeft afdoende grond in genoemde vindplaatsen.
In rov. 5.38, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.2, gaat het naar ’s hofs oordeel dus ook om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen [105] die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt [106] (specifiek voorbeelden van de geslotenheid van de club - dus van de Hells Angels, een sterk gesloten club (zie rov. 5.37) - versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Voor zover subonderdeel 3.5.2 (met de verwijzing naar het redelijkerwijs door de Stichting c.s. niet op genoemde bronnen kunnen ingaan en de inhoud daarvan dus niet (genoegzaam) kunnen betwisten) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 53-54 bij het subonderdeel. [107] Kortom, ook hier geldt dat wat het hof ter zake overweegt, afdoende grond heeft in genoemde vindplaatsen.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.46 van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met o.a. hetgeen het hof overweegt in rov. 5.47 (“vijf voorbeelden daarvan”, etc.), 5.48 (“Het dossier bevat verder diverse voorbeelden van gevallen”, etc.) en 5.49 (“Aan de hiervoor genoemde voorbeelden kan op basis van de stukken nog het volgende worden toegevoegd”, etc.). Daarin benoemt het hof telkens de concrete basis in het procesdossier voor deze vaststellingen, daarmee zijn oordeel ter zake controleerbaar makend. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. [108] Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, opperen van ‘een grote kans’ dat de bronnen waarop het hof doelt in rov. 5.46 “evenmin controleerbaar/verifieerbaar zijn”). Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.48, eerste zin van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met hetgeen het hof overweegt in rov. 5.48, tweede zin. De in rov. 5.48, tweede zin benoemde concrete basis in het procesdossier (“zie bijvoorbeeld bijlage 10”, etc.) is ook relevant voor de vaststelling in rov. 5.48, eerste zin, waarmee het hof zijn oordeel ter zake controleerbaar maakt. [111] Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.48, tweede zin (dat er ook voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd) “opnieuw” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
welkmateriaal.
In rov. 5.49 van de beschikking wijst het hof “op basis van de stukken”, te weten diverse genummerde (onderdelen van) bijlagen en daarin vermelde gevallen van ernstig geweld door leden van de Hells Angels die het hof traceerbaar uitlicht, aanvullend nog op “ernstige incidenten met de Hells Angels in buurland Duitsland en in Nederland.” Daarmee maakt het hof dus wel degelijk inzichtelijk waarop het zich hier concreet baseert. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.49 (“dat sprake is van een reeks ernstige geweldsincidenten door leden van Hells Angels”) “wederom” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Deze “motiveringsklacht” wordt per genoemde “rechtsoverweging” uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.6.1 t/m 3.6.7 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘uitwerking’ onder 3.6.1 t/m 3.6.7, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.6.1 t/m 3.6.7. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan deelt genoemde “motiveringsklacht” in het lot daarvan.
Deze oordeelsvorming is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof met geen woord ingaat op
[i]het geadstrueerde verweer van de Stichting c.s. dat de voorbeelden van een zwijgplicht uit bijlage 4, paragraaf 2 van het OM slechts rusten op mediaberichten waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht, dat iedere verdachte in een strafproces toekomt, en de beweerde vanuit de Hells Angels aan het betreffende lid opgelegde zwijgplicht, en dat door het OM slechts vijf zaken worden genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken, terwijl uit het merendeel van die gevallen niet valt af te leiden dat sprake is van een door de Hells Angels opgelegde zwijgplicht maar dat de zwijgzaamheid van het betreffende lid een vrijwillige keuze was. [115] Bovendien
[ii]hebben de Stichting c.s. ten aanzien van een aantal leuzen (zoals ‘silence is golden, duct tape is silver’ en ‘three may keep a secret if two are dead’ - afkomstig van Benjamin Franklin, één van de oprichters van de VS) gesteld dat deze geen slogans van de Hells Angels zijn maar in brede kring gebruikte kreten die, op allerlei voorwerpen geprint of gedrukt, vrij verkrijgbaar zijn op internet en veeleer aantonen dat er kennelijk een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis humor dan dat deze teksten aanzetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde. [116] Mede in het licht van deze verweren is de overweging van het hof, dat de voorbeelden waarin door Hells Angels leden wel wordt meegewerkt met de politie, zoals door de Stichting c.s. opgemerkt, [117] niet afdoen aan zijn oordeel dat bij 'de club’ sprake is van een zwijgplicht, onbegrijpelijk.”
[vetgedrukte Romeinse cijfers tussen blokhaken toegevoegd, A-G]
In het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., waarnaar het subonderdeel verwijst (noot 59 aldaar) en voor zover relevant voor de stelling in het subonderdeel onder [i], [118] hebben de Stichting c.s. het volgende aangevoerd:
Ten derde: [119] Het bestaan van een zogenaamde zwijgplicht of “omerta” waaraan Hells Angels leden zouden moeten voldoen, heeft verzoeker eveneens onvoldoende onderbouwd. Verzoeker heeft niet voldoende onderbouwd dat Hells Angels-leden zouden worden verplicht om zich op hun zwijgrecht te beroepen, of een zwijgplicht hebben. De aangehaalde voorbeelden in bijlage 4 paragraaf 2 van verzoeker berusten voornamelijk op mediaberichten, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht dat iedere verdachte heeft en de beweerdelijke zwijgplicht. Het is dan ook niet duidelijk of men zich beroept op hun zwijgrecht of dat deze wordt opgelegd. Berichten uit de media kunnen niet als voldoende betrouwbaar worden geacht om de stelling van verzoeker te bewijzen. Iedere nadere onderbouwing ontbreekt - waaruit zou moeten blijken dat deze zwijgplicht bestaat en door Hells Angels charters zou worden opgelegd aan hun leden - ontbreekt.
333. Verzoeker heeft in bijlage 4 paragraaf 3 slechts vijf zaken genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken. Het merendeel van deze zaken geeft bovendien geen blijk van de juistheid van de stelling van verzoeker dat de zwijgplicht door de Hells Angels zou worden opgelegd aan hun leden. Het lijkt eerder een vrijwillige keuze van het betrokken lid.”
Deze patches zijn vrij verkrijgbaar en ook op websites te vinden die volledig los staan van de Hells Angels.Zo is de kreet “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” bij onder andere
de webshop Me by me (www.mebymeshop.com)
gemakkelijk te verkrijgen op mokken, kussens, kleding en portemonnees. Hieruit blijkt dat hooguit dat er een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis galgenhumor.
90. Ook de tekst “silence is golden, duct tape is silver” is onder meer zichtbaar op producten verkrijgbaar in een webshop genaamd fruugo (ww.fruugo.nl) en wordt door de webshop zelf bestempeld als “grappige womens t-shirt”. De Amerikaanse punkband Against All Authority heeft zelfs een muzieknummer getiteld “silence is golden, duct tape is silver” uit 2006, deze teksten lijken
in deze contextgenerlei aan te zetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.
91. De laatste tekst die in een ander licht gezien dient te worden is “three may keep a secret if two are dead”. De oorsprong van deze uitspraak lijkt te liggen bij een bekende Amerikaanse politicus uit de 18de eeuw genaamd Benjamin Franklin. Deze uitspraak is opgenomen in zijn “poor Richard’s Almanak”, die jaarlijks uitgebracht werd tussen 1733 en 1758. Op geen enkele wijze is deze expressie
in deze contextverbonden aan geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.”
[onderstrepingen toegevoegd, A-G]
‘Omerta’ (wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem), ‘Be careful of what you say on this phone’, ‘What you hear in this room stays in this room’, ‘Silence is golden, duct tape is silver’, ‘Three can keep a secret if two are dead’ en ‘We don’t call 911’(stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht”. Deze ‘illustratie’ zoals bedoeld door het hof moet worden gelezen in het licht van het daaraan voorafgaande in rov. 5.38 (weer aansluitend op rov. 5.37), waar het hof overweegt dat de geslotenheid van de club (de Hells Angels) verder wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag, alsmede dat de Stichting c.s. dit weliswaar betwisten, maar er voldoende voorbeelden in het dossier zijn waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken; waarover hiervoor. Dat wat in die spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. geïsoleerd is opgemerkt over de daar bedoelde “patches” (“zoals “silence is golden, duct tape is silver”, “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” en “three may keep a secret if two are dead””) en “teksten” (“silence is golden, duct tape is silver”, “three may keep a secret if two are dead”) in de daar bedoelde ‘neutrale’ context die onderscheiden moet worden van hetgeen het hof in rov. 5.38 specifiek op het oog heeft in het kader van genoemde club, staat naar de aard niet in de weg aan deze of andere overwegingen van het hof in rov. 5.38 - noch overigens de in het subonderdeel bedoelde “oordeelsvorming” van het hof - en gaf het hof (dus) geen aanleiding zijn oordeel nog weer nader te motiveren, derhalve ook niet voor zover op dat in die spreekaantekeningen opgemerkte een beroep wordt gedaan in het kader van de stelling in het subonderdeel onder [ii]. [128] Kortom, ook voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel in de beschikking ontoereikend motiveert vanwege die stelling in het subonderdeel onder [ii], [129] loopt het subonderdeel vast.
De uitkomst wordt niet anders door het slot van het subonderdeel, erop neerkomend dat “[m]ede in het licht van deze verweren” onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 5.38 dat de voorbeelden waarin door Hells Angels-leden wel wordt meegewerkt met de politie, waarop door de Stichting c.s. is gewezen, [130] niet afdoen aan zijn oordeel dat bij de club sprake is van een zwijgplicht. Gegeven het voorgaande valt zonder meer, welk meerdere in het subonderdeel ontbreekt, niet in te zien dat die “verweren” - waarmee ten hoogste gedoeld kan worden op de stellingen in het subonderdeel onder [i] en [ii], zoals betrokken door de Stichting c.s. in feitelijke instanties - ’s hofs bestreden oordeel onbegrijpelijk zouden maken. Daarbij betrek ik mede dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat aan het daarvoor overwogene evenmin afdoet dat er te onderscheiden voorbeelden zijn waarbij leden van een charter “wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces”, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist, welke betwisting ik ook in nr. 334 van het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s. dus niet lees. [131] Hierop stuit het subonderdeel af.
defence fundsen
jail fundsen het bestaan van
BHC (Big House Crew)-lijsten van leden die vastzitten. Andere leden zouden via nieuwsbrieven opgeroepen worden hen moreel en financieel te steunen. Het hof overweegt dat strafvervolging en detentie aldus worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af, aldus het hof (rov. 5.41).
Deze overweging is reeds onbegrijpelijk, omdat zij niet is te rijmen met het betoog van de Stichting c.s. [132] dat in Nederland geen fonds voor bijstand aan (gedetineerde) Hells Angels bestaat en de stelling dat het OM maar één voorbeeld van dergelijke ondersteuning heeft kunnen geven, dat bovendien zag op de uitzonderlijke situatie waarbij een Hells Angels lid mogelijk met de doodstraf werd geconfronteerd. [133] Tevens hebben de Stichting c.s. gesteld dat door de Hells Angels geenszins wordt aangemoedigd aan dergelijke fondsen bij te dragen. [134] Niet valt in te zien waarom deze stellingen 'niet af zouden doen’ aan de constatering dat strafrechtelijke vervolging vanwege het bestaan van ‘defence funds’ en 'jail funds’ door de Hells Angels als een soort bedrijfsrisico wordt gezien.”
In rov. 5.41 van de beschikking overweegt het hof als volgt:
defence fundsen
jail fundsen worden er wereldwijd
BHC (Big House Crew)-lijsten bijgehouden van leden die vastzitten. Daarbij worden andere leden via nieuwsbrieven opgeroepen hen moreel en financieel te steunen. Typerend is een worldmotion uit 2010, die bij de national secretary van HAMC Holland is aangetroffen, met deze inhoud:
‘Brothers in jail shall be treated with respect and we shall do everything we can to make the inmates situation as good as it can be. Remember brothers, it can be you sitting there tomorrow.’Een fonds voor juridische bijstand van lotgenoten en financiële steun voor gedetineerden hoeft op zichzelf geen vragen op te roepen, maar wat hier opvalt is dat strafvervolging en detentie worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Een uitleg waarom dat zo is ontbreekt, anders dan dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Filthy Few-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt uitgereikt aan Hells Angels die een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club. Dat het (slechts) gaat om enkele voorbeelden uit de periode 2003-2013 uit het buitenland, doet daar in de ogen van het hof niet aan af. Ook de affidavit van mr. Caplan (raadsman van de Hells Angels in de Verenigde Staten) en de beschrijving van [betrokkene 2] brengen het hof niet op andere gedachten. Weliswaar overweegt het hof dat de Stichting c.s. hebben gesteld dat de patch vrijelijk via internet verkrijgbaar is en veelal wordt gedragen door leden die niet werkelijk een moord of geweld pleegden. Echter, zelfs als dat zo is, overweegt het hof, neemt dat niet weg dat een teken dat staat voor het plegen van een moord als statussymbool wordt gebruikt.
Dit oordeel is onbegrijpelijk. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de
Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is, niet werkelijk uitsluitend wordt gedragen door iemand die voor de club een moord heeft begaan en de patch bovendien vrijelijk op internet verkrijgbaar is. Het hof heeft de juistheid van deze stellingen immers in het midden gelaten. Daar komt nog bij, dat de verklaringen van mr. Caplan en [betrokkene 2] erop duiden dat deze patch enkel een ereteken is voor de 'hardest partyer’ van de betreffende charter. Bij die stand van zaken valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels. Het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, volstaat daarvoor in ieder geval niet, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld, in het licht van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan. [138] Ook de constatering van het hof, dat uit het boek van [betrokkene 2] juist zou blijken dat de patch wel degelijk zou betekenen dat de drager iemand zou hebben vermoord, is volstrekt onbegrijpelijk, nu het door het hof genoemde citaat onmogelijk zo kan worden begrepen. In het citaat wordt juist de conclusie bereikt dat de patch niet redelijkerwijs in verbinding kan staan met moorddadig gedrag, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld. [139] ”
Naar de kern genomen oordeelt het hof in rov. 5.43 van de beschikking gemotiveerd dat de Filthy Few-patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd). [140] Daarbij betrekt het hof aldaar:
Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.43 niet onbegrijpelijk maakt. Ook als de Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is (in zoverre dus niet gerelateerd is aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd, zoals het hof onder ogen ziet) en vrijelijk op internet verkrijgbaar is (zoals het hof ook onder ogen ziet), [142] staat dat naar de aard nog niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.43 dat deze patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd). [143] Hetzelfde geldt voor de verklaring van mr. Caplan, die, naar het hof onderkent, weliswaar ingaat op de oorsprong van ‘filthy few’ (de betekenis van “the hardest partyers” (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt), maar daarmee nog niet onderuit haalt de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels nadien “heeft gekregen”, waarvan het hof in genoemd oordeel uitgaat. [144] Hetzelfde geldt voor de beschrijving van [betrokkene 2], die hier niet spreekt in termen van ‘hardest partyer’ en juist onderkent - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke uitleg van genoemd tekstfragment in rov. 5.43 [145] - dat de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord, met dien verstande dat hij (dus [betrokkene 2]) erbij zegt dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, in die zin concluderend “dat de patches voornamelijk voor de show zijn”. Daarmee valt de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[b]ij die stand van zaken” zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien valt “waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels”. Dat geldt ook voor de stelling in het subonderdeel dat, “in het licht” van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan, daarvoor in ieder geval niet volstaat het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, [146] waarbij nog zij aangetekend dat het hof in rov. 5.43 uitgaat van diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals bedoeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, en dat het hof daar ook betrekt dat de omstandigheid dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland de betekenis ervan voor deze zaak niet wegneemt. [147] Hierop stuit het subonderdeel af.
Dequiallo-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van geweld of gewelddadig verzet tegen de politie of andere overheidsdiensten (waarbij het hof verwijst naar rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank). Voor dat oordeel is volgens het hof redengevend dat er diverse voorbeelden zouden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later deze patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van de Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt. De opmerking van de Stichting c.s., dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hebben begrepen en daarom geroyeerd zijn, is volgens het hof onvoldoende om de betekenis aan het gesprek te ontnemen.
Deze beoordeling is in het licht van de gedingstukken evenmin begrijpelijk gemotiveerd. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de betreffende leden, van wie het hof getapte gespreksdelen citeert, door de Hells Angels zijn geroyeerd omdat zij de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, nu het hof de juistheid van die stelling van de Stichting c.s. in het midden laat (vgl. rov. 5.44 één-na-laatste zin). [148] In dat licht valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten. Ook de constatering van het hof, dat sprake zou zijn van diverse voorbeelden waarbij is geconstateerd dat Hells Angels politieambtenaren bedreigden en korte tijd later de
Dequiallo-patch op hun colors droegen, kan dat oordeel niet dragen. Daaruit blijkt immers niet, zoals de Stichting c.s. hebben aangevoerd, dat deze 'constateringen’ door de politie geverifieerd of geobjectiveerd zijn, noch dat er enig bewijs zou zijn van een causaal verband tussen die bedreiging en het dragen van de patch. Bovendien heeft het hof verzuimd te responderen op de onbetwiste stelling van de Stichting c.s. dat er geen sprake is van een structurele uitreiking van deze patch door charters en evenmin van een uitreiking bij wijze van beloning, terwijl een lid op geen enkele wijze toestemming van 'de club’ nodig heeft voor het dragen ervan. [149] ”
In rov. 4.38 van haar beschikking van 29 mei 2019 overweegt de rechtbank als volgt:
Dequiallo-patchgeldt hetzelfde. HAM Corporation en de belanghebbenden stellen dat deze patch symbool staat voor het overkomen en het overwinnen van tegenslag in het leven, maar hebben hiervan geen enkel concreet voorbeeld gegeven. Daar staat tegenover dat het OM zijn uitleg, namelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten, wel heeft gesubstantieerd. Zo heeft het OM een aantal voorbeelden opgesomd van constateringen door de politie dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd en/of bedreigd, korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen. Verder is op 22 april 2016 door een Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 5]) in een afgeluisterd telefoongesprek gezegd dat een andere Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 6]) slap is omdat hij geen Dequiallo-patch heeft en dat hij deze patch maar moet halen door de wijkagent in | elkaar te slaan. [betrokkene 6] had tot slot in een eerder afgeluisterd gesprek gezegd:
Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weetje hé?De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat de Dequiallo-patch verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten symboliseert. Het feit dat een deel van de door het OM gegeven voorbeelden over twee van de drie personen van het Haarlems HA-charter gaat die op 7 juni 2017 door HAMC zijn geroyeerd, kan hier niet aan afdoen. De drie Haarlemse Hells Angels zijn immers volgens de belanghebbenden geroyeerd omdat zij hun lidmaatschap van HAMC misbruikten. Niet is gesteld of gebleken dat daarmee hun uitspraken in verband met de Dequiallo-patch in een ander licht moeten worden gezien.”
Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.44 niet onbegrijpelijk maakt. Dat het hof daar in het midden laat of juist is dat - zoals opgemerkt door de Stichting c.s. [151] - genoemde leden van het Haarlemse Hells Angels-charter “de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd”, wil, anders dan het subonderdeel betoogt, nog niet zeggen dat “zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten.” Ook als dit eerste juist zou zijn (waarbij onduidelijk blijft wat dan die “intentie en doelen van de Hells Angels” zijn die genoemde leden niet hadden begrepen, hetgeen heeft geleid tot hun royering, en waaruit dit tot hun royering leidende ‘niet begrijpen’ dan bestaat; zie in dat verband ook rov. 5.42 van de beschikking), is daarmee zonder meer nog niet gegeven dat ‘dus’ aan genoemd gesprek (waaronder: “Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hè?”) de betekenis moet worden ontnomen die het hof daaraan toekent, te weten dat uit dit gesprek tussen deze Hells Angels-leden (gezien dat niet mis te verstane citaat) duidelijk naar voren komt dat de Dequiallo-patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (dat uit genoemd gesprek “duidelijk deze betekenis naar voren komt”, etc.). [152] Daarmee kom ik bij het betoog in het subonderdeel dat uit ’s hofs vaststelling in rov. 5.44 dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Death head Purple Heart Pinen -oorkonde opnieuw een verstrekkende conclusie aan een flinterdun bewijs. Volgens het hof wordt deze oorkonde door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. De strekking van deze oorkonde zou zijn dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd, zodat geweld ook hierbij centraal staat, aldus het hof.
Dit oordeel is evenmin toereikend gemotiveerd, nu daarin geen rekening is gehouden met het gegeven dat de Stichting c.s. deze strekking van de oorkonde hebben betwist en bovendien hebben gesteld dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt. [157] Het hof ziet tevens voorbij aan de onbetwiste constatering van de Stichting c.s. dat de aanname van het OM, dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. [158] In het licht van dit een en ander is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.”
In rov. 5.45 van de beschikking overweegt het hof als volgt:
Death head Purple Heart Pinen -oorkonde. Deze wordt door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. Op de oorkonde staat:
‘Any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood, in the Defence and Honor of the Hells Angels Motorcycle Club, and shall forever be revered by his fellow members’. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om Hells Angels die slachtoffer zijn geworden van geweld tegen de club, zoals de verklaring van mr. Caplan inhoudt, maar kan volgens de tekst ook zeer wel betrekking hebben op leden die actief zijn opgetreden ter bescherming van (de eer van) de club en daarbij gewond zijn geraakt. De strekking is in elk geval dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd. Geweld staat ook hierbij centraal.”
Verder voert het subonderdeel aan dat het hof in rov. 5.45 tevens voorbijziet:
“any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood”- af dat er sprake is van een “actievere rol dan alleen de slachtofferrol”.
258. Uit de woorden
“has given his blood in the Defense and Honour of the Hells Angels Motorcycle Club”kan echter niet zonder meer als enige conclusie worden afgeleid dat, zoals de rechtbank aanneemt,
“de onderscheiding wordt verdiend door de Hells Angel die zijn bloed heeft gegeven bij de verdediging van (de eer) van HAMC”, en dat dit
“duidt op situaties waarin de onderscheiden Hells Angelzelfookgeweld(onderstreping advocaten)
heeft gebruikt en gewond is geraakt”.
259. Immers, de woorden
“has given his blood”duiden weliswaar op het zijn van slachtoffer van geweld, maar daarmee is geheel niet gezegd dat de betreffende persoon zelf actief geweld heeft gebruikt. Dit laatste is een element dat de rechtbank eraan toevoegt zonder dat dit een feitelijke basis heeft.
260. De uitleg van appellanten is ook om die reden meer aannemelijk. Bovendien blijkt uit de door appellanten ter zitting gepresenteerde statistieken dat de meeste van de zogeheten geweldsincidenten van doen hebben met geweld
tegende Hells Angels (…).
Conclusie261. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat het uitreiken van de Deathhead Purple Heart-pin en -oorkonde niets van doen heeft met “een cultuur die geweld stimuleert en verheerlijkt en dat die cultuur bovendien geweld meebrengt. De overwegingen van de rechtbank omtrent deze pin en oorkonde zijn feitelijk onjuist en daardoor kan ook de aanname van een “cultuur van wetteloosheid” als “bijzondere feit c.q. omstandigheid’ niet langer overeind blijven.”
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Daarmee valt ook de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[i]n het licht van dit een en ander” zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Dit oordeel is evenzeer ontoereikend gemotiveerd.
[i]Het hof baseert zijn oordeel slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal rov. 5.49 zijn bedoeld, gelet ook op de alinea hiervoor, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar. Zonder nadere, ontbrekende toelichting valt niet in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat
wereldwijd en in Nederlandsprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels’.
[ii]Bovendien verzuimt het hof aan te geven in hoeverre de voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels.
[iii]Bovendien respondeert het hof niet op essentiële verweren van de Stichting c.s.
[a]Zo hebben de Stichting c.s. ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder b aangevoerd dat dit incident geen betrekking heeft op een lid van de Hells Angels maar op een vermeend lid van supportcrew 81, terwijl uit niets blijkt dat de dader, [betrokkene 7], überhaupt lid was van deze club, laat staan dat een verband te zien is met de Hells Angels. In ieder geval blijkt dat niet uit de gerechtelijke uitspraken die door het OM in dat verband worden genoemd omdat in die uitspraken de Hells Angels noch supportcrew 81 worden genoemd, aldus de Stichting c.s. [162] [b]Ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c heeft het hof nota bene in aanmerking genomen dat de betreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten. Bovendien laat het hof ten onrechte onbesproken dat deze leden door de Hells Angels zijn geroyeerd, zodat de verantwoordelijkheid van enig organisatorisch verband voor deze incidenten geenszins in de rede ligt. [163] ”
[vetgedrukte Romeinse cijfers en Latijnse letters tussen blokhaken toegevoegd, A-G]
In rov. 5.50 van de beschikking overweegt het hof als volgt:
De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [i] strandt, reeds omdat deze uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof baseert het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 immers niet “slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal dus rov. 5.49 zijn bedoeld, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar”, zie hiervoor. Daarmee valt al de bodem weg onder de klacht dat zonder nadere, ontbrekende toelichting “niet [valt] in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat
wereldwijd en in Nederlandsprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels”, nog daargelaten dat wat het hof daar allemaal betrekt - zie hiervoor - zijn bestreden oordeel in rov. 5.50 zonder meer kan dragen. Ook de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [ii] strandt, nu niet valt in te zien dat het hof het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 ontoereikend motiveert omdat het hof daar verzuimt aan te geven in hoeverre de in het subonderdeel bedoelde voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels. Het in rov. 5.50 door het hof gehanteerde vertrekpunt is immers dat:
waarbij leden van de Hells Angelszijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om
een structurele situatie[dus: dat wat in de voorgaande zin staat, A-G]
, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels[dus: als club, te onderscheiden van die “leden van de Hells Angels”, A-G]
bestaat.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
drie keerapart opgevoerd als incident, een keer in bijlage 8 paragraaf 3.2.35 met bron “politiesysteem” en een keer in bijlage 17 paragraaf 1.14.1 met de bron “justitiële documentatie” en een keer in bijlage 3 paragraaf 3.4.2 met als bron “politiesystemen”. Het zou gaan om een brandstichting op 25 maart 2015 in een café [A] in Kerkrade door een vermeend lid van de motorclub supportCrew81, ene [betrokkene 7] Geen Hells Angel dus, maar ook blijkt nergens dat [betrokkene 7] lid is van de supportCrew81 en/of er een verband bestaat tussen Hells Angels en supportcrew81.
197. In de genoemde paragrafen wordt niet verwezen naar bijvoorbeeld de rechtbankuitspraak of het arrest van het Gerechtshof Den Bosch. Na ontzettend veel inspanning heeft ons kantoor de twee uitspraken weten te traceren in deze zaak en bestudeert. [164] De uitspraken zijn geanonimiseerd en het is dus niet vast te stellen dat het [betrokkene 7] betreft als verdachte. In zowel het vonnis als het arrest worden de Hells Angels niet genoemd. De supportCrew81 wordt ook niet genoemd in beide uitspraken. Dit incident is dus niet toe te rekenen aan de supportCrew81. Laat staan aan de Hells Angels of een Hells Angels lid.”
De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b] voert vooreerst aan dat ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c het hof nota bene in aanmerking heeft genomen dat de desbetreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten. Deze klacht kan de Stichting c.s. niet baten. In de eerste plaats betrekt het hof in rov. 5.47 niet alleen dat over dit incident door de Stichting c.s. is aangevoerd “dat de aanwezige Hells Angels niet in colors waren en dat deze personen door de rechtbank zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld”, maar ook dat de Stichting c.s. “echter niet (gemotiveerd) [hebben] betwist wat het OM daarover heeft gesteld, kort gezegd dat het ging om een afspraak op neutraal terrein tussen leden van beide clubs waarbij de Hells Angels met een vooropgezet plan geweld hebben gebruikt”, alsmede dat de Stichting c.s. “ook niet [hebben] betwist dat drie leden van de Hells Angels in verband met dit incident zijn veroordeeld wegens openlijke geweldpleging.” Daaraan ziet de klacht voorbij. In de tweede plaats overweegt het hof in rov. 5.50 niet zozeer, anders dan de klacht veronderstelt, dat dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten, als wel en onder meer dat “[u]it het voorgaande” (met inbegrip van rov. 5.36-5.49, volgend op rov. 5.27-5.35), waaronder dus dit incident en hetgeen het hof daaromtrent overweegt in rov. 5.47:
Het OM heeft echter aangevoerd dat deze leden al lange tijd strafbare feiten pleegden voordat de royering plaatsvond en dat HAMC (Holland) daar niets tegen heeft gedaan. Ook is aangevoerd dat deze leden op een BHC-lijst hebben gestaan en dat zij zijn geroyeerd omdat zij hun maatschap[bedoeld zal zijn: lidmaatschap, A-G]
misbruikten en niet omdat het plegen van strafbare feiten werd afgekeurd. Zoals het OM heeft vermeld, ging het bij één van hen om bezit van onder meer een raketwerper, zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling, afpersing, brandstichting en bedreiging. De Stichting c.s. zijn daarop verder niet ingegaan. In het licht daarvan doet het uiteindelijke royement van deze drie leden geen afbreuk aan het beeld dat het plegen van dit soort feiten wordt geaccepteerd (zolang het niet schadelijk is voor de club zelf).”
[cursivering toegevoegd, A-G]
concretebanden tussen HAMC, HAMC Holland en de betreffende leden of charters die de door het hof genoemde (met de openbare orde strijdige) handelingen hebben gepleegd en die rechtvaardigen dat HAMC en HAMC Holland daarvoor medeverantwoordelijk moeten worden gehouden. Volgens het hof is toerekening mogelijk louter door het participeren in een cultuur van geweld en wetteloosheid. Het hof miskent echter dat het enkele feit dat sprake is van geweldsincidenten en de participatie aan een vermeende geweldscultuur niet betekent dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening - met inachtneming van het strenge en tot terughoudende toepassing nopende criterium van Uw Raad - rechtvaardigen. Het hof acht toerekening ten onrechte gerechtvaardigd, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Een verbodenverklaring van een vereniging, waarmee inbreuk wordt gemaakt op het fundamentele recht van vrijheid van vereniging (vgl. artikel 8 Gw Pro en artikel 11 EVRM Pro), kan bezwaarlijk worden gebaseerd op een zo losse mate van toerekening.” [173]
In zijn beschikking van 26 juni 2009 inzake de Harlinger Hells Angels [174] heeft de Hoge Raad een maatstaf gegeven aan de hand waarvan bepaald moet worden of met de openbare orde strijdige gedragingen van derden aan de rechtspersoon als eigen ‘werkzaamheid’ kunnen worden toegerekend in het kader van art. 2:20 lid 1 BW Pro. Voor een goed begrip citeer ik royaal uit deze Hoge Raad-beschikking: [175]
dan welindien (2) “bijzondere feiten en omstandigheden” daartoe grond geven, waarbij zij aangetekend dat de omstandigheid dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden geen of onvoldoende afstand heeft genomen, op zichzelf daarvoor niet volstaat. [177] De Hoge Raad heeft in genoemde beschikking van 2009 mede overwogen:
Het hart van het subonderdeel wordt gevormd door de volgende passage:
concretebanden tussen HAMC, HAMC Holland en de betreffende leden of charters die de door het hof genoemde (met de openbare orde strijdige) handelingen hebben gepleegd en die rechtvaardigen dat HAMC en HAMC Holland daarvoor medeverantwoordelijk moeten worden gehouden. Volgens het hof is toerekening mogelijk louter door het participeren in een cultuur van geweld en wetteloosheid. Het hof miskent echter dat het enkele feit dat sprake is van geweldsincidenten en de participatie aan een vermeende geweldscultuur niet betekent dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening - met inachtneming van het strenge en tot terughoudende toepassing nopende criterium van Uw Raad - rechtvaardigen. Het hof acht toerekening ten onrechte gerechtvaardigd, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Een verbodenverklaring van een vereniging, waarmee inbreuk wordt gemaakt op het fundamentele recht van vrijheid van vereniging (vgl. artikel 8 Gw Pro en artikel 11 EVRM Pro), kan bezwaarlijk worden gebaseerd op een zo losse mate van toerekening.”
welte rijmen met ‘het strikte en tot terughoudende toepassing nopende toerekeningscriterium’, zoals geformuleerd in genoemde Hoge Raad-beschikking van 2009, en meent het hof
nietten onrechte dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’ die toerekening rechtvaardigen. Meer in het bijzonder:
bottom upzijn georganiseerd. In rov. 5.10 constateert het hof dat op alle niveaus, ook dat van de charters, het principe van
one man, one votegeldt. Weliswaar zijn de charters gebonden aan de internationale regels, maar die zien slechts op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn vrij in hun doen en laten (rov. 5.66). Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club (rov. 5.66). Deze vaststellingen roepen zonder nadere toelichting de vraag op waarom individuele gedragingen van leden toegerekend moeten worden aan HAMC en HAMC Holland, aldus nog steeds het subonderdeel.
Zoals uiteengezet onder 3.51 hiervoor richt het hof zich in de beschikking wat betreft de toerekeningsvraag klaarblijkelijk op de daar onder (2) bedoelde toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW Pro, dat wil zeggen: het hof acht in het onderhavige geval de daarin bedoelde “bijzondere feiten en omstandigheden” aanwezig. Zoals ook uiteengezet onder 3.51 hiervoor komt het hof naar de kern genomen daartoe, omdat de met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels-leden die het hof in ogenschouw neemt naar zijn oordeel voortkomen uit (en dus uitvloeisel zijn van) de cultuur van geweld die eigen is aan de organisatie HAMC (“de club als geheel”) respectievelijk HAMC Holland (“het Hollandse onderdeel”) als zodanig (dus de Hells Angels als club, wereldwijd respectievelijk de Nederlandse tak, gevormd door de leden), waarbij het hof diverse feiten en omstandigheden betrekt waarover eveneens onder 3.51 hiervoor. Naar de aard staat hieraan niet in de weg, en is daarmee (dus) niet innerlijk tegenstrijdig, hetgeen het hof overweegt in rov. 5.10 van de beschikking in het kader van de te onderscheiden vraag of HAMC bestaat en of HAMC een corporatie is in de zin van art. 10:117 BW Pro, (dus) ook niet voor zover betrokken door het subonderdeel:
bottom upzijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe
one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.”
one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.”
Ik breng in herinnering wat ik vooropstelde bij de behandeling van subonderdeel 4.2, onder 3.53 hiervoor:
Naar uit het voorgaande volgt, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, en mist het daarmee feitelijke grondslag, voor zover het aanvoert dat ’s hofs toerekeningsoordeel in rov. 5.51 van de beschikking ook daarom ontoereikend is gemotiveerd nu het hof “in dit verband geen enkele aandacht besteedt aan de vraag wat nu precies de rol van HAMC en HAMC Holland in die geweldscultuur is, laat staan dat het hof zich heeft afgevraagd in hoeverre HAMC en HAMC Holland bij die handelingen betrokken waren of die handelingen hebben gefaciliteerd of anderszins aangemoedigd, zodat niet valt in te zien waarom zij daarvoor niettemin verantwoordelijk moeten worden gehouden.” Dat doet het hof dus wel degelijk kenbaar. Zie onder 3.51 hiervoor. [189] Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof in het kader van de toerekening van de 'wereldwijde gedragingen van de Hells Angels’ aan HAMC evenmin “enige aandacht [besteedt] aan de vraag hoe de verhouding van HAMC ligt ten opzichte van buitenlandse charters en/of leden”, geldt dat daarin evenmin een ontoereikende motivering van ’s hofs toerekeningsoordeel in rov. 5.51 kan schuilgaan. Mede gelet op rov. 5.3-5.13 beschouwt het hof HAMC als een wereldwijde organisatie van de Hells Angels in de zin van een wereldwijde, als zelfstandige organisatie naar buiten tredende motorclub [190] die voldoet aan de definitie van een corporatie in art. 10:117, aanhef en onder a BW, wat naar de aard mede “buitenlandse charters en/of leden” omvat (naast HAMC Holland althans Nederlandse Hells Angels-charters en/of -leden). Onder dit gesternte bestond er voor het hof logischerwijs geen aanleiding in genoemd kader en bij genoemd oordeel nog weer nader in te gaan op de vraag hoe de verhouding van HAMC ligt ten opzichte van “buitenlandse charters en/of leden”, nu dat daar in de structuur van de beschikking (dus) reeds gegeven is, waarop het hof daar (dus) voortbouwt. In lijn met dit een en ander strandt ook het betoog in het subonderdeel dat het hof bovendien niet aangeeft “welke van de door het hof in rov. 5.47-5.49 genoemde gedragingen precies aan HAMC toegerekend moeten worden en waarom die specifieke gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen”. Die “gedragingen” raken immers naar de aard álle HAMC (een wereldwijde organisatie van de Hells Angels in de zin van een wereldwijde, als zelfstandige organisatie naar buiten tredende motorclub die voldoet aan de definitie van een corporatie in art. 10:117, aanhef en onder a BW), terwijl het hof dus - zie ook onder 3.51 hiervoor - afdoende duidelijk maakt waarom, gezien ook die “specifieke gedragingen”, een verklaring voor recht inzake HAMC op de voet van art. 10:122 BW Pro in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW Pro gerechtvaardigd is. [191] Evenmin biedt het subonderdeel enig soelaas de stelling dat het hof net zomin “enige kenbare gedachten [heeft] gewijd aan de vraag welke gedragingen van de Nederlandse Hells Angels precies aan HAMC Holland kunnen worden toegerekend en waarom die gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen”. Mede gelet op rov. (5.3-5.13 en) 5.14-5.26 beschouwt het hof HAMC Holland als een zelfstandige organisatie van alle Hells Angels in Nederland, die ook als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer en waarbij geldt dat HAMC Holland een informele vereniging naar Nederlands recht is, dat de Nederlandse Hells Angels mede te beschouwen zijn als lid van HAMC Holland (zij zijn ook lid van HAMC, waarover hiervoor; ik laat de Nederlandse Hells Angels-charters dan nog daar) en dat HAMC Holland, een nationaal niveau van de structuur waarin de Hells Angels zijn georganiseerd gevormd door de Hells Angels in Nederland, onderdeel is van HAMC, het wereldniveau van die structuur (waarover dus hiervoor). Zoals ook blijkt uit rov. 5.51 heeft het hof, bezien tegen deze achtergrond, wat betreft de in het kader van art. 2:20 lid 1 BW Pro mede aan HAMC Holland toerekenbare, met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels het oog op de door het hof in ogenschouw genomen gedragingen van de Hells Angels in Nederland. Uit rov. 5.47-5.49 wordt afdoende duidelijk welke gedragingen dit betreft, dat behoefde geen nadere motivering door het hof. En ook hier geldt dat het hof - zie ook onder 3.51 hiervoor - afdoende duidelijk maakt waarom, gezien ook die “gedragingen”, een verbodenverklaring en ontbinding inzake HAMC Holland op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro gerechtvaardigd is. [192] Daarmee valt tevens de bodem weg onder het subonderdeel waar nog wordt opgemerkt dat het hof zich “kennelijk” niets gelegen heeft laten liggen aan de in het subonderdeel bedoelde stellingname van de Stichting c.s. en dat het hof, nu het zich “niet (kenbaar)” van de daarin bedoelde vragen vergewist, ook in dit opzicht, mede gelet op de hoge motiveringsplicht die voortvloeit uit de noodzaak tot terughoudende toepassing van art. 2:20 BW Pro, in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ik stel voorop wat de Hoge Raad in zijn beschikking inzake Martijn heeft overwogen ten aanzien van (onder meer) de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM Pro, mede onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak ter zake en voor zover hier relevant: [194]
De uitoefening van de vrijheid van vereniging kan ingevolge art. 8 Gw Pro bij wet worden beperkt in het belang van de openbare orde, en ingevolge art. 11 lid 2 EVRM Pro onder dezelfde voorwaarden als gelden voor de vrijheid van meningsuiting. Opmerking verdient in dit verband dat uit de MvA II bij de Wet tot wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen (Kamerstukken II 1984-1985, 17 476, nr. 5, p. 3 onder 10) blijkt dat met openbare orde in art. 2:20 BW Pro hetzelfde is bedoeld als met de goede zeden als bedoeld in de art. 10 lid 2 en Pro 11 lid 2 EVRM.
Gelet op de grote betekenis van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in een democratische samenleving dient de rechter terughoudendheid te betrachten bij de beantwoording van de vraag of dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn (vgl. EHRM 14 januari 2014, 47732/06, EHRC 2014/77, Association of Victims of Romanian Judges tegen Roemenië).
pressing social need, of de inbreuk proportioneel is aan het daarmee nagestreefde wettige doel, en of de gehanteerde gronden terzake dienend en toereikend zijn. In zijn beoordeling of aan deze eis is voldaan, dient de rechter onder meer de aard van de werkzaamheid van de vereniging te betrekken, alsmede de kennelijke bedoeling bij en de gevolgen van de desbetreffende uitingen en gedragingen (…). In dit verband is niet noodzakelijk dat de vereniging reeds daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde:
Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging (“op nauwgezette wijze een dergelijke belangenafweging uitvoert”) die nog weer verder gaat dan wat als vereiste voortvloeit uit - genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad inzake - genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, is het subonderdeel gebaseerd op een opvatting die geen steun vindt in het recht en loopt het daarop vast. [195] Overigens komt de rechter (althans de lidstaat bij het EVRM) in dit verband een ‘margin of appreciation’ toe, die naar gelang de feiten en omstandigheden van het geval smaller of ruimer is en die, als het gaat om organisaties die aanzetten tot geweld tegen individuen, vertegenwoordigers van de staat of een deel van de bevolking, eerder ruim is dan smal. [196] Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging in lijn met genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, ziet het eraan voorbij dat het hof in de beschikking zo’n belangenafweging wel degelijk kenbaar uitvoert en bovendien op een wijze die geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in welk geval het subonderdeel dus evenzeer vastloopt. Daarbij betrek ik mede:
Voor zover het subonderdeel, voortbouwend op subonderdeel 5.2, redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging (“op nauwgezette wijze een dergelijke belangenafweging uitvoert”) die nog weer verder gaat dan wat als vereiste voortvloeit uit de onder 3.61 hiervoor - genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad inzake de daar - genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, deelt het ter zake in het lot van subonderdeel 5.2, dat faalt. Zie onder 3.61 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof “[immers] volstaat met enkele grove pennenstreken en sjablonen om tot de verstrekkende slotsom te komen dat een verbodenverklaring van HAMC en HAMC Holland noodzakelijk en proportioneel is”, welke “conclusie is gebaseerd op de enkele overweging dat eerder straf- en bestuursrechtelijk optreden niet voldoende is gebleken om de ‘schadelijke’ activiteiten van de Hells Angels een halt toe te roepen”, ziet het subonderdeel voorbij aan al hetgeen het hof in werkelijkheid doet in rov. 5.52 van de beschikking, te bezien ook in het licht van hetgeen het hof overweegt in rov. (5.27-5.35 en) 5.36-5.51, waarover mede onder 3.51, 3.53, 3.55 en 3.61 hiervoor. Zoals daaruit blijkt, gaat het subonderdeel aldus uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist.
Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof “daarbij evenwel niet [heeft] gerespondeerd op het onderbouwde betoog van de Stichting c.s. dat erop neerkomt dat, anders dan het OM het doet voorkomen, nog nauwelijks gebruik is gemaakt van relevante bestuursrechtelijke instrumenten die overheden kunnen benutten indien zij menen dat in hun regio sprake is van met de openbare orde strijdig handelen door de Hells Angels”, strandt het evenzeer. Op de vindplaatsen waarnaar het subonderdeel verwijst, tref ik allereerst niet de stelling van de Stichting c.s. aan dat “nog nauwelijks gebruik is gemaakt van relevante bestuursrechtelijke instrumenten die overheden kunnen benutten indien zij menen dat in hun regio sprake is van met de openbare orde strijdige handelen door de Hells Angels”. Veeleer hebben de Stichting c.s. aldaar in eerste aanleg niet zozeer betwist dat maatregelen genomen zijn, zoals het OM in zijn verzoekschrift heeft gesteld, [200] als wel aangevoerd dat deze maatregelen (stopgesprekken, voornemens tot oplegging van een last onder dwangsom, screenings in het kader van de Wet Bibob, etc.) niet bestuursrechtelijk van aard zijn, [201] dat een relatie tot de Hells Angels ontbreekt [202] en dat ze zijn getroffen in het kader van reguliere handhaving. [203] Ten aanzien van maatregelen in het buitenland hebben de Stichting c.s. betoogd, kort gezegd, dat de relevantie met de onderhavige procedure mist, dat geen onderscheid is gemaakt tussen verschillende soorten motorclubs en dat de door het OM gebruikte bronnen niet traceerbaar of niet actueel zijn. [204] Hierbij komt - en dit is op zichzelf reeds fataal voor het subonderdeel - dat het OM in hoger beroep gemotiveerd de stelling heeft ingenomen dat tot op de dag van vandaag zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk tegen de Hells Angels is opgetreden, onder verwijzing naar voorbeelden hiervan in de door het OM aangehechte bijlage 26, maar dit echter niet voldoende is gebleken om de schadelijke werkzaamheid van de club volledig een halt toe te roepen, [205] welke stelling van het OM in hoger beroep vervolgens door de Stichting c.s. in hoger beroep niet meer is weersproken (het subonderdeel noemt daarvan (dus) ook geen vindplaatsen in de gedingstukken). Gelet hierop gaf de stellingname van de Stichting c.s. in eerste aanleg waarop het subonderdeel hier doelt het hof geen aanleiding zijn oordeel in rov. 5.52 nog weer nader te motiveren.
Hetzelfde geldt voor zover het subonderdeel nog poneert dat het hof evenmin respondeert op de stelling van de Stichting c.s. in eerste aanleg “dat niet is aangevoerd door het OM, althans is gebleken, dat de integrale aanpak van de overheid, die reeds ingrijpende gevolgen voor motorclubs als de Hells Angels heeft, zou falen of onvoldoende resultaat zou opleveren.” [206] Het hof overweegt in rov. 5.52 immers dat, zoals het OM heeft toegelicht (in hoger beroep, door de Stichting c.s. niet bestreden; zie hiervoor), al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk wordt opgetreden tegen de Hells Angels, maar dit niet voldoende is gebleken om deze schadelijke activiteiten van HAMC en HAMC Holland een halt toe te roepen, gevolgd door ’s hofs vaststelling dat niet is gebleken dat er nog andere, minder vergaande maatregelen - dan die waarop de onderhavige procedure betrekking heeft, dus, kort gezegd, inzake art. 2:20 BW Pro in verbinding met art. 10:122 BW Pro - mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen. Gelet hierop gaf de stellingname van de Stichting c.s. in eerste aanleg waarop het subonderdeel hier doelt het hof evenmin aanleiding zijn oordeel in rov. 5.52 nog weer nader te motiveren.
Daarmee valt tevens de bodem weg onder het subonderdeel waar nog wordt opgemerkt dat het hof “[d]oor dat niet te doen” op dit belangrijke punt een ontoereikend gemotiveerde beslissing heeft genomen. [207] Hierop stuit het subonderdeel af.
nietuitstrekt tot de charters. Het hof heeft bovendien niet overwogen dat het in stand houden van deze kenmerken op zichzelf een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten, zodat niet valt in te zien waarom een zo verstrekkende reikwijdte van het verbod noodzakelijk en proportioneel is. In elk geval is de onduidelijkheid die het hof op dit punt laat voor de individuele leden van de charters, uit een oogpunt van rechtszekerheid, onaanvaardbaar.”
In rov. 5.61-5.66 van de beschikking beziet het hof, kort gezegd, de reikwijdte van de verklaring voor recht en het verbod, met inachtneming van de positie van de Nederlandse Hells Angels-charters. Het hof overweegt onder meer dat er aan de Nederlandse Hells Angels-charters 18 zelfstandige rechtspersonen verbonden zijn (de twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid ‘Westport’ en ‘Nijmegen’, alsmede 16 stichtingen) waarover de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt, waarbij het hof de charters Westport en Nijmegen aanmerkt als georganiseerd zijnde in die formele verenigingen met hun naam, alsmede dat de overige charters niet georganiseerd zijn in formele verenigingen en ook niet samenvallen met die stichtingen, waarmee de vraag overblijft of deze charters wel informele verenigingen zijn (rov. 5.64). Vervolgens gaat het hof nader in op de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en de positie van de charters (rov. 5.65-5.66), uitmondend in de slotsom dat “[g]elet op dit alles de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen [zijn] aan te merken” en dat “[z]ij dus niet [vallen] onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland” (rov. 5.67). Hierop laat het hof nog volgen, nog steeds in rov. 5.67:
Anders dan subonderdeel 6.1 veronderstelt, rekt het hof met de voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Onder meer betekent dit”, etc.) niet “het verbod” op “naar charterniveau en zelfs individueel niveau”. Zoals ook het dictum van de beschikking buiten twijfel stelt, vallen de Nederlandse Hells Angels-charters en hun leden buiten de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC (waarvan HAM Corporation geen onderdeel is) en de verbodenverklaring en ontbinding ten aanzien van HAMC Holland, waartoe het hof komt. Iets anders is, en dat is wat het hof in dit laatste citaat ‘slechts’ tot uitdrukking brengt, dat deze verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en deze verbodenverklaring en ontbinding ten aanzien van HAMC Holland - als deze eenmaal onherroepelijk zijn - niet zonder betekenis zijn voor de Nederlandse Hells Angels-charters (hoe dan ook rechtspersonen) en hun leden, want “indirect wel gevolgen hebben” voor deze charters en leden. Dit laatste volgt evenwel uit het wettelijk systeem, in het bijzonder art. 140 lid 2 Sr Pro waarin, kort gezegd,
de voortzetting van de werkzaamheidvan een op grond van art. 2:20 lid 1 BW Pro verboden en ontbonden rechtspersoon, of van een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW jegens wie de in art. 10:122 BW Pro in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW Pro bedoelde verklaring voor recht is uitgesproken, strafbaar is gesteld. [209] Dát is waarop het hof hier duidelijkheidshalve wijst. Het is uiteindelijk evenwel aan de strafrechter om te beslissen op een eventuele vervolging voor dat feit, en binnen diens domein ligt dan ook de vraag of het door een lid in het openbaar dragen van de colors van de Hells Angels en het door een charter onder die naam naar buiten treden zo’n strafbaar feit zou opleveren. [210] Gelet op het voorgaande hoefde het hof ter zake dus ook geen belangenafweging (waarin tevens de individuele grondrechten van de charters en van de individuele Hells Angels worden gewogen) uit te voeren en de noodzaak van “dit verbod” te toetsen, zoals bedoeld in het subonderdeel. Kortom, de onjuiste rechtsopvatting die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven, doet zich in werkelijkheid niet voor. [211] Bezien tegen deze achtergrond moet de conclusie zijn dat ook subonderdeel 6.2 sneeft. Het hof hoefde in het kader van de voor-voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn”, etc.) en de voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Onder meer betekent dit”, etc.), waarop het subonderdeel kennelijk in het bijzonder het oog heeft, dus niet (nader) duidelijk te maken hoever het verboden voortzetten van de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland “precies” gaat noch vast te stellen dat het dragen van de colors van de Hells Angels en het naar buiten optreden onder deze naam “als zodanig een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten”. Daaraan doet niet af dat het hof zich in die voorlaatste zin beperkt tot twee voorbeelden (“Onder meer betekent dit”, etc.), nu het hof ter zake dus niet gehouden was tot het verschaffen van meer “helderheid” dan het al doet in rov. 5.67, waarbij overigens nog zij aangetekend dat, anders dan het subonderdeel veronderstelt, het hof daarmee geen ontoelaatbare “onduidelijkheid” ter zake creëert (wat in rov. 5.67 staat, is afdoende duidelijk) en datgene wat het hof daar overweegt (ook naar strekking) dus niet resulteert in een “inperking op de grondrechtelijke vrijheden van de Hells Angels in charter-verband, die niet te rijmen is met de voorgaande overwegingen van het hof (rov. 5.61-5.66), waarin nu juist is komen vast te staan dat het verbod zich
nietuitstrekt tot de charters.” Daarmee valt ook de bodem weg onder de slotopmerkingen in het subonderdeel, erop neerkomend (i) dat nu het hof niet heeft overwogen dat het in stand houden van deze kenmerken op zichzelf een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten, niet valt in te zien waarom een zo verstrekkende reikwijdte van het verbod noodzakelijk en proportioneel is, en (ii) dat in elk geval de onduidelijkheid die het hof op dit punt laat voor de individuele leden van de charters, uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is. [212] Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten of de Stichting c.s. in het geheel wel belang hebben bij de subonderdelen, gezien het al dan niet dictum-dragende karakter van ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.67. [213] Hierop stuiten de subonderdelen af.
Het cassatieberoep van het OM (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01186)
De positie van HAM Corporation
mother chapterin Oakland waar
matters concerning the clublangs moeten, doet daaraan niet af, omdat niet duidelijk is dat dit slaat op HAM Corporation.
Zoals uit het vorenstaande reeds moge zijn gebleken, gaat het hier niet alleen om rechtspersonen. Ook maatschappen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, vallen onder het begrip. In dit verband is het van belang er op te wijzen dat in het protocol bij het Brusselse verdrag van 1968 een gemeenschappelijke verklaring is opgenomen waarin wordt vastgesteld dat de Italiaanse «società semplice» en de Nederlandse vennootschap onder firma onder de bepalingen van artikel 1 van Pro het verdrag vallen, hoewel aan deze rechtsvormen naar nationaal recht geen rechtspersoonlijkheid toekomt. Zoals in de toelichting op het ontwerp van Rijkswet 11 790 (R 852) wordt gesteld, mag uit die verklaring niet worden afgeleid dat andere vennootschapsvormen waaraan geen rechtspersoonlijkheid toekomt doch die wel geacht kunnen worden in de zin van het verdrag de bevoegdheid te bezitten drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden, niet onder artikel 1 zouden Pro kunnen worden begrepen. Het begrip «corporaties» in artikel 1 van Pro het wetsvoorstel is nog ruimer, omdat het niet de eis stelt dat de corporatie deze drie bevoegdheden bezit. Het enige criterium is, dat de corporatie als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt en dat het toepasselijke recht daar bepaalde gevolgen aan verbindt, zoals bijvoorbeeld bij de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap wordt gedaan in de derde titel van Boek 1 Wetboek van Koophandel. Daarbij vormt het vereiste van zelfstandigheid de grens tussen een samenwerkingsovereenkomst die tot een corporatie met naar het incorporatierecht geregelde eigen rechten en plichten leidt en een dergelijke overeenkomst die dat gevolg niet kent.
In het advies van de Staatscommissie wordt er op gewezen dat het feitelijke karakter van de omschrijving tot gevolg heeft dat kwalificatieproblemen worden vermeden die tot rechtsonzekerheid zouden kunnen leiden. Het beslissende criterium is gezocht in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert. Het gaat bij de «corporatie» dus om een tot enig doel samengaande groep van (rechts-)personen die zich als zelfstandig subject van rechten vertoont en door het recht als eenheid wordt behandeld; zelfstandigheid in economische of bedrijfsmatige zin is daarbij niet van belang. Toepassing van dit criterium maakt duidelijk dat het op de corporatie toepasselijke recht bepaalt welke mate van juridische zelfstandigheid de corporatie heeft, en dat juridisch onzelfstandige «zedelijke lichamen» door de onderhavige wet niet worden geregeld. (…)
Onder het begrip corporatie vallen naast samenwerkingsverbanden als vennootschappen en verenigingen ook instellingen als stichtingen, kerkgenootschappen en andere religieuze lichamen die als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreden.”
[zonder verwijzing in origineel, A-G]
(…)
De in het wetsvoorstel gebruikte term «corporaties» omvat meer dan alleen de rechtspersoonlijkheid bezittende juridische lichamen. De voorgestelde regeling heeft ook betrekking op juridische lichamen die geen rechtspersonen zijn, maar aan wie het recht toch als «zedelijke lichamen» een bepaalde plaats inruimt. Door het gebruik van de juridisch neutrale term «corporatie» worden kwalificatieproblemen vermeden, die een term als «rechtspersoon» meebrengt. Naar algemeen aanvaarde regels van internationaal privaatrecht zal immers de kwalificatie van een zedelijk lichaam als rechtspersoon dienen te geschieden naar het recht van de rechter, derhalve naar Nederlands recht. Door het gebruik van het Nederlandse rechtsbegrip «rechtspersoon» zouden samenwerkingsverbanden die naar Nederlands recht geen rechtspersoon zijn maar naar het recht van incorporatie die kwalificatie wel bezitten, buiten het toepassingsgebied van deze wet blijven. En ook samenwerkingsverbanden die naar het recht van incorporatie een beperkte zelfstandigheid kennen zonder rechtspersoon te zijn, zouden buiten dit toepassingsgebied blijven. Dat resultaat past in een wetgeving die uitgaat van de leer van de werkelijke zetel, niet in een op het incorporatiestelsel gebaseerde wetgeving, die ervan uitgaat dat in het bijzonder het bestaan en de beëindiging, de structuur en inrichting, de bevoegdheden en aansprakelijkheden, en de vertegenwoordiging van een als zelfstandige eenheid optredend lichaam of samenwerkingsverband bepaald wordt door het recht van de plaats van de oprichting en van de statutaire zetel.”
Uit de onder 4.8-4.11 hiervoor weergegeven bronnen, waaronder Hoge Raad-rechtspraak en parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW Pro en art. 1 Wet Pro conflictenrecht corporaties, volgt onder meer en kort gezegd:
De rechtsklacht in subonderdeel 2.2miskent dat de daarin onder (i) t/m (v) aangevoerde omstandigheden [230] naar de aard niet in de weg staan aan ’s hofs oordeel ter zake, in het bijzonder diens stevig feitelijk verankerde vaststelling dat HAM Corporation zelf een (buitenlandse) vennootschap (een Amerikaanse rechtspersoon, beheerst door Californisch recht) is en ook als een zelfstandige organisatie naar buiten toe optreedt; [231] zie onder 4.7 hiervoor. [232] Immers: ook als die onder (i) t/m (v) aangevoerde omstandigheden zich ten aanzien van HAM Corporation zouden voordoen, blijft staan wat het hof ter zake overweegt in met name rov. 5.54-5.57 [233] op basis waarvan het hof, gezien ook genoemde bronnen, zonder schending van enige rechtsregel kon komen gelijk het doet tot genoemde vaststelling in het kader van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW Pro) - insluitend dus dat HAM Corporation ook daadwerkelijk als een zelfstandige organisatie naar buiten toe optreedt, wat, gelet op hetgeen het hof daarbij allemaal in aanmerking neemt, m.i. niet serieus te ontkennen valt. [234] Ik betrek daarbij dat een andere uitkomst ook op gespannen voet zou staan met het uitgangspunt inzake de motivering/onderbouwing van een art. 10:122 lid 1 BW Pro-verzoek en het uit art. 6 EVRM Pro voortvloeiende recht waarop het hof wijst in de voorlaatste en laatste zin van rov. 5.56, [235] waarover hiervoor, waaraan het subonderdeel eveneens voorbijgaat. Kortom: de andersluidende opvatting zoals voorgestaan door het subonderdeel - waarin dus wordt geredeneerd vanuit een aanmerkelijk engere invulling van het hier relevante juridische concept ‘als zelfstandige organisatie naar buiten toe optreden’, waarvoor ik ook in genoemde bronnen geen aanknopingspunt heb aangetroffen - vindt geen steun in het recht, zodat daarin geen onjuiste rechtsopvatting van het hof gelegen kan zijn. [236] In het verlengde daarvan loopt ook
de motiveringsklacht in subonderdeel 2.2vast, nu het hof in de beschikking terecht niet uitgaat van de door het subonderdeel voorgestane opvatting (die dus geen steun vindt in het recht) en de daarin bedoelde omstandigheden onder (i) t/m (v), ook als tot uitgangspunt zou dienen dat deze zich ten aanzien van HAM Corporation voordoen, [237] het hof dus geen aanleiding gaven zijn oordeel ter zake nog weer nader te motiveren. [238] Kortom: ook zonder nadere motivering valt dan heel wel in te zien dat, zoals het hof daar (uitgebreid toegelicht) oordeelt, voor doeleinden van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW Pro) te gelden heeft dat HAM Corporation “zelf een (buitenlandse) vennootschap [is] en zij ook als zelfstandige organisatie naar buiten toe op[treedt]”, reden waarom zij een corporatie is als daar bedoeld.
Subonderdeel 2.3loopt eveneens vast. In de eerste plaats geldt dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist, voor zover het veronderstelt dat het hof in de door het subonderdeel bedoelde passages in rov. 5.56 met de verwijzing naar “de Hells Angels” niet (ook) doelt op HAMC. Waar het hof daar verwijst naar “de Hells Angels” heeft het hof immers, gezien ook rov. 5.53-5.58, duidelijk (ook) het oog op HAMC: de wereldwijde organisatie van de Hells Angels (gevormd door alle Hells Angels ter wereld, leden (members) van HAMC), zelf een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW. Zie ook onder 3.51 hiervoor. Naar hieruit volgt, is dan ook geen sprake van tegenstrijdigheid in rov. 5.56 met ’s hofs vaststelling dat HAMC een organisatorisch verband is van alle Hells Angels ter wereld waarvan alle Hells Angels lid zijn [239] noch van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van het OM, zoals bedoeld door het subonderdeel. Zoals reeds volgt uit de behandeling van subonderdeel 2.2 hiervoor, bestond er voor het hof geen aanleiding nog weer nader in te gaan op deze stellingen van het OM (die in die zin dan ook niet als ‘essentieel’ zijn aan te merken), anders dan subonderdeel 2.3 tot slot nog poneert.
Met het stranden van subonderdelen 2.2 en 2.3 is ook het lot bezegeld van
subonderdeel 2.4, dat slechts een voortbouwklacht bevat. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Filthy few patchen
Dequiallo patch, ook al neemt het hof de gewelddadige betekenis ervan aan.
Eigen werkzaamheid van HAM Corporation - onderdeel B1”
beoogdis dat door middel van het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten, de werkzaamheid van de andere corporatie (of de gedragingen van de leden van die corporatie) - die in strijd is (zijn) met de openbare orde - wordt gefaciliteerd, bewerkstelligd en/of (mede) worden aangestuurd,
In rov. 5.59 van de beschikking richt het hof zich op de beoordeling van het subsidiaire verzoek van het OM ten aanzien van HAM Corporation, dat is gericht tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie. Daarvoor heeft het OM aangevoerd, zoals het hof vaststelt in rov. 5.58 (in cassatie onbestreden), dat HAM Corporation een vehikel is dat in het leven is geroepen met als uitsluitende taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen; volgens het OM verricht HAM Corporation uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand houden en faciliteren, en is haar werkzaamheid daarmee per definitie ongeoorloofd. Naar blijkt uit rov. 5.59, geciteerd onder 4.15 hiervoor, volgt het hof dit standpunt van het OM gemotiveerd niet.
Dat wat subonderdeel 3.2 aanvoert (ik lees daarin alleen rechtsklachten, in subonderdeel 3.3 alleen motiveringsklachten), rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 5.59 voor zover bestreden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
de concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation(het hof valt hier kenbaar mede terug op met name rov. 5.54-5.57, waar het hof ingaat op die concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation, dus haar concreet gebleken eigen werkzaamheid), [245] daarbij ook betrekkend:
de aard van die werkzaamheid(“HAM Corporation [houdt] zich bezig met het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels”);
de kennelijke bedoeling bij die werkzaamheid(“Het mag zo zijn dat HAM Corporation daarmee zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van deze club, (…)”);
de gevolgen van die werkzaamheid(“Dat de clubnaam en andere uiterlijke kenmerken [de instandhouding waarvan dus door HAM Corporation wordt verzorgd: zie hiervoor, A-G] bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, dat wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren, en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, (…)”). [246]
in algemene zinerop neer dat
steedsals zo’n corporatie activiteiten verricht die de verboden werkzaamheid van een andere corporatie faciliteren (in stand houden), althans als eerstgenoemde corporatie activiteiten verricht die bestaan uit het beheren en beschermen van intellectuele eigendomsrechten van laatstgenoemde corporatie (of van de leden van die andere corporatie, wier gedragingen aan deze corporatie moeten worden toegerekend),
‘dus’ ooksprake zou zijn van, kort gezegd, gedragingen van eerstgenoemde corporatie die
als zodanigde grondbeginselen van ons rechtsstelsel daadwerkelijk en ernstig aantasten en onze samenleving (kunnen) ontwrichten, oftewel eveneens in strijd zijn met de openbare orde (gelijk die van laatstgenoemde corporatie). Het rechtens bestaan van zo’n automatisme (doorwerking, gelijkschakeling) valt, zonder meer, niet in te zien. Of in een concreet geval sprake is van dergelijke, met de openbare orde strijdige gedragingen van eerstgenoemde corporatie hangt immers telkens af van alle gegeven feiten en omstandigheden en vergt dus een contextuele analyse, waarbij geldt:
onder (i) bedoelde omstandigheidbetrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de laatste en voorlaatste zin van rov. 5.58). [248] Zoals reeds volgt uit b. hiervoor, staat die omstandigheid niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.59; een onjuiste rechtsopvatting van het hof schuilt daarin niet.
onder (ii) bedoelde omstandigheid(omtrent “mede aanstuurt”, etc.) gaat het hof ter zake niet (mede) uit. In de daarbij door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties lees ik ook geen stelling met een dergelijke strekking, [249] ’s hofs uitleg daarvan (het hof leest zo’n stelling daarin evenmin) is m.i. niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel doet dan ook zonder vrucht een beroep op deze omstandigheid, wat daarvan verder zij.
onder (iii) bedoelde omstandigheid(omtrent “zelfs
beoogdis”, etc.) [250] gaat het hof ter zake niet (mede) uit. In de daarbij door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties lees ik ook geen stelling met een dergelijke strekking, [251] ’s hofs uitleg daarvan (het hof leest zo’n stelling daarin evenmin) is m.i. niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel doet dan ook zonder vrucht een beroep op deze omstandigheid, wat daarvan verder zij.
onder (iv) bedoelde omstandigheidbetrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de laatste en voorlaatste zin van rov. 5.58). Zoals reeds volgt uit b. hiervoor, staat die omstandigheid niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.59; een onjuiste rechtsopvatting van het hof schuilt daarin niet.
onder (v) bedoelde omstandigheidbetrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de vierde t/m zesde zin van rov. 5.59). Ik meen, gezien ook genoemde hoge drempel en hetgeen het hof overigens betrekt in rov. (5.53-5.57 en) 5.58-5.59, [252] dat diens oordeel dat deze omstandigheid onvoldoende gewicht in de schaal legt om al met al toch aan te nemen dat de concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation als zodanig in strijd zijn met de openbare orde, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. [253]
Over subonderdeel 3.3 kan ik nu kort zijn. Zoals volgt uit het voorgaande, in het bijzonder onder c. hiervoor, valt niet vol te houden dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 5.59 onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de in subonderdeel 3.2 aangehaalde stellingen van het OM; deze stellingen gaven het hof geen aanleiding diens oordeel in rov. 5.59 nog weer nader te motiveren. Voor zover subonderdeel 3.3 in zoverre al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het daarop vast. Dit laatste geldt ook wat betreft het beroep dat het subonderdeel doet op de daarin onder (a) t/m (d) weergegeven vaststellingen van het hof in rov. 5.59 (en 5.50). Voor zover het subonderdeel in zoverre al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking, en daarmee feitelijke grondslag heeft, leert lezing van rov. 5.59 in totaliteit dat het subonderdeel eraan voorbijziet dat het hof daar wel degelijk en navolgbaar uitlegt waarom het, niettegenstaande diens vaststellingen waarop het subonderdeel doelt, tot de slotsom komt dat het subsidiaire verzoek van het OM (gericht tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie) niet toewijsbaar is. [254] Het ontbreken van een “nadere motivering”, waarvan het subonderdeel uitgaat, doet zich in werkelijkheid dus niet voor. Op basis van hetgeen het hof daar overweegt (te bezien dus ook in het licht van rov. 5.53-5.58), hetgeen niet onbegrijpelijk is, valt - ook zonder nog weer nadere motivering - afdoende in te zien waarom volgens het hof de eigen werkzaamheid van HAM Corporation niet in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW Pro (in verbinding met art. 10:122 BW Pro). [255] Hierop stuiten de subonderdelen af.
Toerekening aan HAM Corporation - onderdeel B2”
Het subonderdeel klaagt verder dat voor zover het hof heeft gemeend dat uit de door hem vastgestelde en door het OM gestelde omstandigheden niet volgt dat HAM Corporation gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van het gelegenheid geven voor gedragingen van anderen. Het hof miskent in dat geval dat door het beschermen en beheren van intellectuele eigendomsrechten ten aanzien van items die (a) een gewelddadige betekenis hebben en die daarnaast (b) een prominente rol spelen bij gedragingen die in strijd zijn met de openbare orde en (c) (indirect) bijdragen aan gedragingen die in strijd zijn met de openbare orde, doordat zij bij die gedragingen een belangrijke factor vormen, wel degelijk gelegenheid wordt gegeven voor gedragingen van anderen die in strijd zijn met de openbare orde, aldus nog steeds het subonderdeel.
Subonderdeel 3.4 bestrijdt met een motiveringsklacht en een rechtsklacht ’s hofs oordeel in rov. 5.59 van de beschikking dat het OM verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation feitelijk gelegenheid geeft [260] voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Met deze “gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde” doelt het hof daar logischerwijs op de in rov. 5.46-5.52 behandelde, concrete wereldwijde gewelddadige gedragingen van Hells Angels-leden - inclusief gedragingen van Hells Angels-leden in Nederland - met schadelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van anderen (begaan binnen de cultuur van geweld bij HAMC (Holland)), welke gedragingen daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde want een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel (zoals het recht op vrijheid van vereniging, waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen, het recht op veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen), onze samenleving (kunnen) ontwrichten en niet kunnen worden geduld.
De motiveringsklacht in subonderdeel 3.4 loopt erop vast dat, zo het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, datgene waarop het subonderdeel wijst aan vaststellingen door het hof [261] en stellingen van het OM [262] naar de aard niet in de weg staat aan dit oordeel van het hof in rov. 5.59, zodat daarin geen aanleiding gelegen was voor het hof tot een nadere toelichting ter zake en de door het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid zich in werkelijkheid dus niet voordoet. Wat betreft zowel die vaststellingen door het hof als die stellingen van het OM, zoals ter zake niet onbegrijpelijk uitgelegd en betrokken door het hof (zie ook onder 4.18 hiervoor), valt zonder meer immers niet in te zien dat (het bestuur van) HAM Corporation gelet daarop ‘dus’ ook de vereiste rechtstreekse betrokkenheid ter zake heeft via het feitelijk gelegenheid geven [263] aan de desbetreffende Hells Angels-leden van HAMC (Holland) voor het verrichten van die concrete gewelddadige, schadelijke gedragingen wereldwijd waarop het hof daar doelt. De voor het kunnen aannemen van zo’n rechtstreekse betrokkenheid via zulk feitelijk gelegenheid geven minimaal vereiste connectie ontbreekt dan, [264] daarvoor zit er eenvoudigweg een te ver verwijderd verband (zo daarvan al sprake is) tussen enerzijds die (vast)stellingen en anderzijds die gedragingen. [265] In het verlengde hiervan strandt evenzeer de rechtsklacht in het subonderdeel, nu het hof, door ondanks die (vast)stellingen te komen tot genoemd oordeel in rov. 5.59 inzake HAM Corporation, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van het gelegenheid geven voor gedragingen van anderen” die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, in het bijzonder ook wat betreft die (vast)stellingen waarvan het hof uitgaat en kon uitgaan (zie ook onder 4.18 hiervoor), ziet het eraan voorbij dat het hof hier dus redeneert vanuit de juiste maatstaf [266] en - naar tevens volgt uit het voorgaande - op basis daarvan kon aannemen, zoals het klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk doet met inachtneming ook van die (vast)stellingen, dat het OM verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation de vereiste rechtstreekse betrokkenheid ter zake heeft via het feitelijk gelegenheid geven aan de desbetreffende Hells Angels-leden van HAMC (Holland) voor het verrichten van die concrete gewelddadige, schadelijke gedragingen wereldwijd waarop het hof daar doelt. [267] Dan resteert nog subonderdeel 3.5. Anders dan het subonderdeel poneert, beoordeelt het hof
nietten onrechte, want in strijd met art. 24 Rv Pro, niet of bijzondere feiten en omstandigheden grond geven voor toerekening aan HAM Corporation van de gedragingen van de Hells Angels die in strijd zijn met de openbare orde. Het hof legt blijkens de voor-voorlaatste zin van rov. 5.59 (“Het OM heeft verder niet aannemelijk gemaakt”, etc.) de stellingen waarop het subonderdeel in dit verband een beroep doet [268] (ter onderbouwing van de stelling dat “het OM op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan”) immers klaarblijkelijk, en niet onbegrijpelijk, [269] aldus uit dat het OM ten aanzien van HAM Corporation niet (ook) op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan, waarmee de bodem onder deze klacht wegvalt. [270] Ook de slotklacht van het subonderdeel kapseist, nu deze uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. [271] Het hof oordeelt immers in rov. 5.59 (of elders in de beschikking) niet, ook niet impliciet, dat hier geen sprake is van zulke bijzondere feiten en omstandigheden als grond voor toerekening van de gedragingen van de Hells Angels aan HAM Corporation. Die grond laat het hof dus juist buiten beschouwing, omdat het de stellingname van het OM niet aldus verstaat dat het OM ten aanzien van HAM Corporation (ook) op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan, waarover hiervoor.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
Voortbouwende klacht”
Onderdeel C1 - Charters Westport en Nijmegen”
Het subonderdeel bestrijdt niet de vaststellingen van het hof in rov. 5.64 (en 3.1) van de beschikking dat er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, noch diens vaststellingen in rov. 5.64 dat dit zelfstandige rechtspersonen zijn over wie de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt. Het subonderdeel bestrijdt wel, maar ook slechts en met een motiveringsklacht, ’s hofs overweging in rov. 5.64 dat het ervan uitgaat dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam, waarmee het hof dus doelt op de in de eerste zin van rov. 5.64 genoemde “twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen)”. Deze overweging zou onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn, gelet op de door het OM in feitelijke instanties ingenomen stellingname waarop het subonderdeel wijst.
In de vindplaatsen in de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019 waarop het subonderdeel een beroep doet, lees ik over de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen alleen de opmerking van het OM, naar aanleiding van het noemen door de Stichting c.s. van deze twee charters “als charters die als verenigingen staan ingeschreven”, dat “dat slechts twee van meerdere charters [zijn] die op grond van objectieve gegevens geassocieerd kunnen worden met in het Handelsregister ingeschreven verenigingen onder andere namen.” [274] Waaruit zou blijken dat specifiek deze twee verenigingen waarop de Stichting c.s. doelen ten aanzien van de charters “Westport” en “Nijmegen” niet een met deze twee charters overeenkomende naam (“Westport” respectievelijk “Nijmegen”) hebben, wordt daar door het OM niet uitgelegd. ’s Hofs vaststelling in rov. 5.64 (en 3.1) dát er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (met de namen “Westport” en “Nijmegen”) verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, wordt door het subonderdeel dus ook niet bestreden. Ik zie niet in waarom ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.64 - “Het hof gaat ervan uit dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam” - onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou in het licht van genoemde opmerking van het OM, het subonderdeel legt dat ook niet uit. Dit laatste geldt naar de aard ook voor de overigens door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties, waarover ik nu licht laat schijnen.
Uit de vindplaatsen in de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019 waarop het subonderdeel een beroep doet, blijkt verder in essentie niet meer of anders dan dat volgens het OM:
hebbenof
gebruikenlokale charters een stichting”; [277]
outlaw, maar dan op zijn Hollands”). [281]
Dan zijn er nog p. 32-35 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020. Duidelijkheidshalve citeer ik de relevante passages daaruit:
Voorzitter:
Zeker. Dan een laatste vraag in uw richting. Deze gaat over de reikwijdte van een eventueel verbod. Stel dat een verbod aan de orde is, dan is uw standpunt dat dit niet alleen de wereldwijde organisatie en de organisatie in Holland treft, maar ook de charters. Nu hebben we gezien in het dossier dat er een aantal stichtingen en formele verenigingen zijn die kennelijk aan de Hells Angels zijn verbonden. Worden zij geraakt door een verbod?
OM:
Voor de stichtingen geldt dat zij geen leden kunnen hebben, dan is dus al de vraag hoe dat zit. Het primaire standpunt van het OM is dat de charters geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben. De stichtingen zijn formele rechtspersonen die wellicht verbonden zijn aan de Hells Angels, maar zij houden zich eigenlijk alleen met opstal gerelateerde zaken bezig. De charters kunnen niet vereenzelvigd worden met deze rechtspersonen. Ze noemen zich wel stichting Emmen, maar zijn niet hetzelfde als de charter. Ik wil u nog verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2761, onder andere rov. 4.2, bevestigd door het hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9212. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de charters enerzijds en de aan de Hells Angels verbonden formele rechtspersonen anderzijds. Dat ging over de Vereniging Westport Motorcycle Club en stichting Hells Angels Harlingen. Die formele rechtspersonen waren toen uitsluitend opgericht om in het rechtsverkeer rechtshandelingen te kunnen verrichten. Wij zeggen dus dat dit niet de charters zijn. De charters zijn onzelfstandige onderdelen van HAMC Holland.
Het klopt wel dat een verbod de stichtingen zelf niet raakt. De stichtingen zijn er bijvoorbeeld om een tapvergunning te krijgen, om een clubhuis te verwerven en dat soort zaken. Ten dienste van een charter dus en daarmee houdt het ook op.
Op het moment dat uw hof zou zeggen dat HAMC Holland wordt verboden, en een stichting valt daar niet onder, dan wordt zij inderdaad niet door het verbod geraakt. Maar het verbod raakt de charters wel. De stichting is niet hetzelfde als de charter. Het is een discussie die wellicht gevoeld gaat worden in de handhavingsfase. Het is ook een discussie die we zien gebeuren bij de Bandidos naar aanleiding van de uitspraak van uw hof. In principe is het zo dat de charters gewoon onder het verbod gaan vallen, maar niet dus die formele rechtspersoon. Maar dat maakt niet uit.
Voorzitter:
U gaat er dus vanuit dat de formele rechtspersonen als zodanig niet geraakt worden door een verbod. Dat neemt niet weg dat de charters niet met deze rechtspersonen samen kunnen vallen, voor zover het om stichtingen gaat, omdat de charters leden hebben.
Voorzitter:
Zegt u dan dat er naast een formele vereniging, Westport bijvoorbeeld, ook nog een afdeling Westport is?
blote- want niet, althans niet noemenswaardig onderbouwde - stellingname van het OM ten pleidooi in hoger beroep. [284] Gelet daarop brengt ook deze stellingname van het OM niet mee dat het hof zijn bestreden overweging in rov. 5.64 nog weer nader had moeten motiveren dan het al doet, te bezien dus ook in het licht van de eerste drie zinnen van rov. 5.64. Daarbij verdient wederom nog opmerking dat de stelling van het OM waarvan het subonderdeel uitgaat, [285] daarin evenmin te ontwaren valt.
Tot slot: de verwijzing in het subonderdeel naar “p. 1-2 van bijlage 8 IEHA, overgelegd op 31 augustus 2020 en bijlage 26 bij het verweerschrift in hoger beroep, aanvulling hoger beroep, p. 28 (onder 2.1.15)” maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat het hof niet gehouden was in dit kader eigener beweging die bijlagen te raadplegen en betrekken, [286] terwijl overigens die p. 1-2 van “bijlage 8” slechts een Handelsregisteruittreksel betreft van de formele vereniging “Vereniging Westport Motorcycleclub” (met vijf geregistreerde bestuurders en als activiteitsomschrijving “Het promoten en bevorderen van alles omtrent het motorrijden en alles wat daarmee te maken heeft , een en ander in de ruimste zin van het woord”) en op die p. 28 (nr. 2.1.15) van “bijlage 26” inzake het Nederlandse Hells Angels-charter Nijmegen te lezen valt, onder het opschrift “Opnieuw naamswijziging charter Nijmegen”:
Uit nieuwe informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat ‘HAMC148’ de naam van het charter opnieuw heeft gewijzigd, deze keer in “148”.
Reeds hieruit volgt dat het subonderdeel strandt. [287] Overigens, en zacht gezegd, dringt de vraag zich op of het OM in het geheel wel belang heeft bij de klacht in het subonderdeel. Een vraag die ik ontkennend zou willen beantwoorden, gelet op het volgende. Het subonderdeel bestrijdt dus niet de vaststellingen van het hof in rov. 5.64 (en 3.1) dat er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, noch diens vaststellingen in rov. 5.64 dat dit zelfstandige rechtspersonen zijn over wie de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt. Het subonderdeel bestrijdt wel, maar dus zonder vrucht, ’s hofs overweging in rov. 5.64 dat het ervan uitgaat dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam, waarmee het hof dus doelt op de in de eerste zin van rov. 5.64 genoemde “twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen)”. Daarop laat het hof volgen (in cassatie niet als zodanig bestreden) dat dit laatste betekent dat de Hells Angels-charters Westport en Nijmegen “alleen al daarom” niet vallen onder het verbod en de ontbinding van HAMC Holland. Vervolgens onderkent het hof in rov. 5.64 (in cassatie evenmin bestreden) dat dat voor de overige Hells Angels-charters niet geldt, nu zij niet georganiseerd zijn in formele verenigingen en ook niet samenvallen met de stichtingen (omdat de charters leden hebben, terwijl een stichting een rechtspersoon is die geen leden kent (art. 2:285 BW Pro)), waarmee de vraag overblijft of deze charters wel informele verenigingen zijn. Daarop besteedt het hof in rov. 5.65 (voortbouwend op rov. 5.15) aandacht aan de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad [288] en gaat het hof in rov. 5.66 (in cassatie zonder vrucht bestreden, zie onder 4.28-4.37 hierna) in op diverse aspecten van “de charters”, wat in rov. 5.67 (in cassatie eveneens zonder vrucht bestreden, zie ook onder 4.28-4.37 hierna) uitmondt in de conclusie dat gelet op dit alles “de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen [zijn] aan te merken” en dus niet vallen onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Waar het hof daarmee tot uitdrukking brengt dat hoe dan ook álle Nederlandse Hells Angels-charters - dus ook de door het hof als zodanig geïdentificeerde charters Westport en Nijmegen - ten minste als
informelevereniging kwalificeren voor zover zij (toch) niet reeds de gedaante hebben van een formele vereniging, welke overwegingen zo’n lezing toelaten en ik ook zo lees (zie tevens ‘s hofs samenvatting ter zake in rov. 2, in het bijzonder de voor-voorlaatste alinea (een zin) en de voorlaatste alinea, eerste drie zinnen), [289] is dat zelfstandig dragend voor diens oordeel dat deze charters niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland vallen, wat er verder zij van ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.64.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Onderdeel C2 - Charters geen rechtspersonen”
De hier relevante kern van ’s hofs overwegingen is vooreerst aan te treffen in rov. 5.10 van de beschikking:
bottom upzijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe
one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.”
HAMC Holland Richtlijnen(met versies voor members, prospects en hangarounds). Hierin zijn bepalingen opgenomen over allerlei clubzaken, variërend van regels over het toelaten van nieuwe leden (van hangaround tot prospect en van prospect tot member), het gebruik van de motorfiets, het verplicht dragen van colors, de aanwezigheid van leden en charters bij (Holland) meetings, het betalen van contributie aan de charters en de mogelijkheid om vrijstelling hiervan te krijgen, het nemen van beslissingen over eervol of oneervol ontslag (
good or bad standing, met bijbehorende consequenties), sancties bij ongewenst gedrag, het overstappen naar een ander charter en het vormen van nieuwe charters in Nederland, tot stemregels. Op overtreding van diverse bepalingen zijn sancties gesteld (zoals inname van colors, uitstoting en boetes). Het standpunt van de Stichting c.s. dat het hierbij slechts gaat om richtlijnen en niet om bindende regels, volgt het hof niet. Sommige bepalingen hebben inderdaad meer het karakter van aanwijzingen of een gedragscode (zoals de bepalingen dat men bij het defect gaan van de motorfiets moet zorgen dat deze binnen een maand gerepareerd of in een vergevorderd stadium van reparatie is, dat men de motorfiets in goede staat van onderhoud moet houden, dat men de motorfiets klaar moet hebben en bij het begin van het seizoen - februari/maart - moet rijden), maar de meeste bepalingen zijn wel degelijk dwingend van aard, mede gelet op de sancties die zijn gesteld op het niet naleven ervan (zoals verplicht afmelden voor een meeting op straffe van een boete, zie rov. 5.19.). Dat de regels op charterniveau worden gehandhaafd, doet ook niet af aan het dwingende karakter van de regels die landelijk zijn vastgesteld. Zoals uit de HAMC Holland Richtlijnen verder blijkt, zijn er Holland meetings waarop over zaken op nationaal clubniveau wordt overlegd en beslist. Dat er gestemd wordt volgens het principe
one man, one voteen de stemmen per charter worden verzameld, neemt ook niet weg dat er op deze manier wel besluiten worden genomen op landelijk niveau waaraan de Hells Angels in Nederland vervolgens zijn gebonden. Deze Holland meetings vinden ook daadwerkelijk regelmatig plaats, naast andere landelijke activiteiten.
national secretary, die ledenlijsten beheert van de Nederlandse charters, informatie onder de charters verspreidt, als contactpunt fungeert voor communicatie met buitenlandse charters en bij stemmingen op nationaal, Europees en mondiaal niveau de stemmen verzamelt die de Nederlandse leden hebben uitgebracht. Ook is er een
national treasurer, die ervoor zorgt dat de charter-overstijgende kosten (zoals kosten voor world- en euroruns, cadeaus, rouwkransen en -advertenties, begrafenissen in het buitenland en advocaatkosten) worden betaald en omgeslagen over de Nederlandse leden. Daarvoor houdt hij ook een administratie bij. De jaarlijkse licentievergoeding voor HAM Corporation en de bijdrage voor de world web master worden geïnd via de charters en verzameld door de national secretary of treasurer.
one man one vote. Ieder lid heeft dus een stem in de besluitvorming, ook op nationaal niveau. De HAMC Holland Richtlijnen bepalen daarbij dat voor besluiten een 2/3 meerderheid is vereist, behalve bij besluiten over toelating van nieuwe leden en prospect MC’s waarbij unanimiteit is vereist. Ledeninspraak is dus nadrukkelijk aanwezig, ook op nationaal niveau.”
one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.”
buitendie in de voorlaatste zin van rov. 5.66 door het hof bedoelde handelingsruimte “onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club”, doet dus niet ter zake voor ’s hofs overweging in de laatste zin van rov. 5.66, waarover het hof daar ook geen oordeel velt noch hoefde te vellen. Daar gaat het voor het hof immers en ‘slechts’ erom dat niet is gebleken dat de charters overigens, dus los van die internationale regels/coördinatie op regionaal en nationaal niveau nog weer, in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club (dan was die handelingsruimte, waarin de charters verder vrijheid van doen en laten hebben, er ook niet geweest). Daarbij kon het hof, zoals het doet in rov. 5.66 (en 5.10, 5.17 en 5.19), vaststellen dat de Hells Angels sterk ‘bottom up’ zijn georganiseerd in de zin dat op alle niveaus, ook dat van de charters, het principe van ‘one man one vote’ geldt (wat wil zeggen, zie ook rov. 5.19: dat ieder lid een stem in de besluitvorming heeft, ook op nationaal niveau). Deze vaststelling, waarmee het hof dus niet (ook) tot uitdrukking brengt dat “aan de charters als zodanig (direct of indirect) beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van alle wezenlijke en belangrijke kwesties” zoals bedoeld in het subonderdeel, laat immers het voorgaande naar de aard onverlet en kan dus naast het voorgaande staan (dit ‘bijt’ elkaar niet). Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking, mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het reeds vast op het voorgaande: naar daaruit al volgt, rechtvaardigt hetgeen het subonderdeel aanvoert niet dat ’s hofs bestreden oordelen in rov. 5.10 en 5.66 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn. [293] Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het ook vast.
Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters ‘eigen’ leden hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende: [295]
bijeen charter en zodoende geen leden
vaneen charter. Charters zijn binnen HAMC Holland administratieve afdelingen waar je als HAMC Holland lid geografisch bent ingedeeld. In het dossier zijn ook vele aanknopingspunten te vinden die aantonen dat leden bij charters een lidmaatschap hebben van het gehele HAMC Holland en niet van een charter. Wat betreft de aard en de vorm van het lidmaatschap van HAMC Holland zijn immers zéér concrete dingen - die echt gaan over dat lidmaatschap - onderhevig aan kaders die overkoepelend boven de charters zijn vastgesteld. (…) Zowel procedures rondom het begin en het einde als de voorwaarden voor en viering van het lidmaatschap van HAMC Holland dus overkoepelend [zijn] vastgesteld voor de charters. Daarom zijn de leden van deze charters te kwalificeren als leden van HAMC Holland en
nietvan de charters.”
van HAMC Hollandoverkoepelend zijn vastgesteld voor de charters (waarmee nog niet is gezegd dat genoemde charters geen eigen leden hebben), niet maakt dat het hof deze beantwoording in rov. 5.66 nog weer nader had moeten motiveren.
Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters ‘eigen’ vergaderingen hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende: [297]
alleNederlandse charters. Zo zijn er ook weer regels uit de HAMC Holland Richtlijnen over redenen voor het beleggen van een meeting, wanneer een member zijn stemrecht op de meetings verliest en over welke onderwerpen er allemaal gestemd wordt en met welke meerderheid een beslissing op een meeting wordt genomen.”
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
alleNederlandse charters”. Dit maakt niet dat het hof deze beantwoording in rov. 5.66 nog weer nader had moeten motiveren.
Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters een ‘eigen’ bestuur hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende: [299]
ten behoeve van HAMC Hollanden niet ten behoeve van één of meerdere charters. De coördinerende taken die plaatsvinden en waaraan de charters onderworpen zijn, bestaan daarom ten behoeve van het zelfstandig lichaam HAMS Holland.”
Dit een en ander bezegelt het lot van het subonderdeel. [301] Ik wijs er nog op dat voor zover het subonderdeel veronderstelt dat voor het zijn van een informele vereniging naar Nederlands recht vereist is dat de Nederlandse Hells Angels-charters in overwegende mate onafhankelijk moeten functioneren van HAMC Holland, dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. [302] Het gaat er uiteindelijk om of, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, sprake is van een zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel, wat enig organisatorisch verband veronderstelt [303] - zoals het hof ook vooropstelt in rov. 5.65 (en 5.15).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het ook vast.
In rov. 5.11 overweegt het hof onder meer als volgt:
colors(zwarte mouwloze vesten) die elke Hells Angel draagt er in de kern hetzelfde uit: een toprocker met de naam Hells Angels (in rode letters op een wit vlak), het death head-logo met daarnaast de afkorting MC in het midden (in rode letters op een wit vlak) en een bottomrocker met een geografische naam (bijvoorbeeld Holland, in rode letters op een wit vlak). Iedereen die een persoon ziet met deze uiterlijke kenmerken weet dat hij te maken heeft met een lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben er weliswaar op gewezen dat ieder charter (in Nederland althans) een eigen death head logo gebruikt. Bij het zien van deze logo’s vallen echter vooral de overeenkomsten op (de typerende afbeelding van een doodshoofd met vleugels), veel meer dan de verschillen (diverse kleuren, varianten in vorm op detailniveau en toevoeging van een afkorting of symbool voor de locatie; zie bijlage 12 bij de brief van mr. Knoops van 31 augustus 2020 en het overzicht in zijn PowerPointpresentatie in hoger beroep). Dat op een siderocker (aan de voor-/zijkant van het vest) de naam van het charter staat, doet ook niet af aan het beeld van één club. Het geheel levert het beeld op dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied, en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel. (…)”
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof niet verwerpt de stelling van het OM dat alle uitingen van de Nederlandse Hells Angels-charters in feite uitingen zijn van HAMC Holland, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof in rov. 5.11 onder meer vaststelt dat het daar geschetste geheel, geciteerd hiervoor, “het beeld op[levert] dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied” (en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel). Hierin ligt besloten dat het volgens het hof (ook in rov. 5.66) niet zo is dat alle uitingen van de charters in feite uitingen zijn van HAMC Holland. [305] Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof bij deze stand van zaken nader had moeten responderen op de stelling van het OM dat de uitingen van de charters strikt zijn gereguleerd door de nationale en mondiale regels, en dat dit ook geldt voor de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat, wat er verder zij van die stelling, deze naar de aard niet afdoet aan ’s hofs vaststellingen in rov. 5.66 (voortbouwend ook op rov. 5.11) dat de charters “ook een eigen naam [hebben] (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied)” en dat de charters “de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter” op de kleding hebben (in die zin dus eigen onderscheidingstekens op de kleding hebben), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid, zodat er voor het hof geen aanleiding bestond deze vaststellingen gezien die stelling van een nog weer nadere motivering te voorzien. [306] Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof niet verwerpt de stelling van het OM dat de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding, mede gelet op het beperkte onderscheidend vermogen en de dwingend voorgeschreven positie van de onderscheidingstekens, door de gemiddelde persoon niet worden gezien als een uiting van een charter, maar als een uiting van HAMC of HAMC Holland, ziet het subonderdeel wederom eraan voorbij dat het hof in rov. 5.11 onder meer vaststelt dat het daar geschetste geheel, geciteerd hiervoor, “het beeld op[levert] dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied” (en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel). Hierin ligt besloten dat het volgens het hof (ook in rov. 5.66) al met al niet zo is dat de eigen onderscheidingstekens op de kleding (met inbegrip dus van de naam van het charter) door de gemiddelde persoon niet worden gezien als een uiting van een charter, maar als een uiting van HAMC of HAMC Holland. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof wat betreft de eigen naam van de charters los van deze onderscheidingstekens op de kleding (met inbegrip dus van de naam van het charter) nader had moeten responderen op laatstgenoemde stelling van het OM, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat ’s hofs vaststelling in rov. 5.66 dat de charters “ook een eigen naam [hebben] (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied)” geen betrekking heeft op een externe uiting ter zake, maar op het eenvoudige feit dát elk charter een eigen naam heeft (dus “Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied”), zodat deze stelling, wat er verder van zij, naar de aard niet afdoet aan deze vaststelling van het hof en er voor het hof dus geen aanleiding bestond deze vaststelling gezien die stelling van een nog weer nadere motivering te voorzien. [307] , [308] Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover de subonderdelen 5.6 en 5.7 ervan uitgaan dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en missen de subonderdelen daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover de subonderdelen wel feitelijke grondslag hebben, lopen zij ook vast.
Ik begrijp subonderdeel 5.6 dan aldus dat het, voortbouwend op subonderdelen 5.3 t/m 5.5 (althans subonderdelen 5.4 en 5.5), [309] betoogt dat gelet op het in die subonderdelen aangevoerde, “om ieder van deze redenen afzonderlijk, maar al helemaal tezamen”, ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 5.66 “dat de overige Nederlandse charters als zelfstandige lichamen deelnemen aan het rechtsverkeer”. [310] Ik stel vast dat de subonderdelen 5.3 t/m 5.5 falen. Zie onder 4.28-4.33 hiervoor. Ik stel ook vast dat hetgeen het hof overweegt in rov. 5.66, [311] gezien ook rov. 5.65 (en 5.15) [312] en de behandeling van subonderdelen 5.3 t/m 5.5 onder 4.28-4.33 hiervoor, afdoende dragend is voor diens daaruit logischerwijs volgende oordeel [313] dat de Nederlandse Hells Angels-charters als zelfstandige eenheden naar buiten toe optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer, waaraan ’s hofs overwegingen elders in de beschikking zoals genoemd in subonderdelen 5.3 t/m 5.5 naar de aard niet afdoen en welk oordeel derhalve niet een nog weer nadere motivering door het hof behoefde. [314] In het verlengde daarvan sneeft ook subonderdeel 5.7. Naar reeds blijkt uit het voorgaande, geeft ’s hofs uit rov. 5.66 volgende oordeel dat de Nederlandse Hells Angels-charters als zelfstandige eenheden naar buiten toe optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent “het begrip ‘zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer’”. Dit behoeft geen verdere toelichting. [315] Hierop stuiten de subonderdelen af.