Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
De aan [eiseres] verstrekte hypothecaire geldlening met de rentevastperiode moet worden aangemerkt als een overeenkomst voor bepaalde tijd (rov. 3.3), die tussentijds opzegbaar is blijkens het beding waarin is vastgelegd dat [eiseres] altijd vervroegd mag aflossen (rov. 3.4). Artikel 6:39 BW Pro is niet voor deze situatie geschreven (rov. 3.5).
Na te zijn ingegaan op de Gedragscode Hypothecaire Financiering, de Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro, artikel 81c Bgfo en een door de AFM opgestelde Leidraad (rov. 3.7-3.15), oordeelt het hof (in rov. 3.16) dat het beding geen onredelijk bezwarend beding als bedoeld in artikel 6:233 onder Pro a BW in samenhang met artikel 6:237 onder Pro i BW is, “ook niet indien het bepaalde in artikel 7:127 lid 3 BW Pro ten tijde van de vervroegde aflossing reeds geldend recht zou zijn.”
Het beding is niet onvoldoende transparant (rov. 3.18) en ook niet oneerlijk (rov. 3.19).
Rabobank heeft bij het berekenen van de vergoeding niet in strijd met artikel 81c Bgfo gehandeld (rov. 3.20).
3.Juridisch kader
Gedragscode Hypothecaire Financieringen(verder: GHF). De GHF is een door de hypothecaire financiers opgestelde vorm van zelfregulering, [7] die overigens niet vrijblijvend is. [8] De GHF is regelmatig herzien, maar op het vlak van de vergoeding bij vervroegde aflossing niet wezenlijk gewijzigd. De GHF bevat geen bepaling over tussentijdse rentewijziging.
Indien daarvoor een vergoeding in rekening wordt gebracht, wordt bij de berekening daarvan eenmalig rekening gehouden met het bedrag dat contractueel extra vervroegd mag worden afgelost; in ieder geval wordt een extra aflossing van 10% per jaar toegestaan.
Bij algehele vervroegde aflossing is, onder voorwaarden, geen of een gemaximeerde vergoeding verschuldigd in geval van overlijden, verhuizing of gedwongen verkoop. Indien bij verhuizing of gedwongen verkoop een vergoeding verschuldigd is, is het bedrag daarvan gemaximeerd op vier maanden rente over, dan wel drie procent van het vervroegd af te lossen bedrag. In de meest recente versie van de GHF uit 2020 is (kennelijk onder invloed van de Richtlijn hypothecair krediet) voorts bepaald dat de vergoeding bij verhuizing niet meer kan bedragen dan het financiële nadeel dat de hypothecaire financier heeft.
De GHF vermeldt de mogelijkheid dat de vergoeding wordt berekend op basis van de contante waarde van het verschil tussen de door de consument verschuldigde rente en de actuele rente, maar laat ruimte voor andere berekeningsmethodes. Indien de vergoeding bij vervroegde extra of algehele aflossing wordt berekend op basis van de contante waarde, is volgens de GHF geen vergoeding verschuldigd indien de marktrente hoger is dan de door de consument verschuldigde rente. [9]
De actuele rente is de rente die de bank ten tijde van de vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging in rekening brengt aan klanten gedurende een periode die zo veel mogelijk overeenstemt met de hiervoor bedoelde resterende rentevastperiode. ‘Zoveel mogelijk’, omdat denkbaar is dat in een individueel geval de resterende rentevastperiode een aantal jaren beslaat (bijvoorbeeld nog 7 jaar tegen een contractrente van 3,5 %), dat afwijkt van het aantal jaren waarvoor de bank op het relevante moment een hypothecair krediet met een vast rentetarief aanbiedt (bijvoorbeeld 5 jaar vast tegen 2,0% of 10 jaar vast tegen 2.5%). [11] Welke renteperiode (in het voorbeeld 5 of 10 jaar) de bank bij de berekening van de vergoeding hanteert, is in beginsel afhankelijk van de toepasselijke voorwaarden, al vereist de AFM tegenwoordig dat de bank werkt met de ‘naast betere rente’ voor de consument (zie hierna in 3.25.4).
Het (voor de bank nadelige) verschil tussen de op basis van de contractrente respectievelijk actuele rente berekende bedragen wordt vervolgens contant gemaakt, omdat de vergoeding op een eerder moment verschuldigd is dan de toekomstige aflossingen respectievelijk toekomstige rentetermijnen verschuldigd zouden zijn geworden.
‘funding’) aantrekken voor bepaalde hypotheekproducten die zij aan consumenten aanbieden. De door de bank bepaalde wijze van financiering (‘
fundingmix’) bepaalt de ‘inkoopkosten’ van de bank. [12]
loan-to-value-verhouding), en een winstmarge. Dergelijke componenten bepalen het rentetarief.
Profi Credit Polska/Włostowska e.a.). [21] Dit betrof de in Polen gebruikelijke werkwijze dat bij een consumentenkrediet de betaling van de schuld wordt gewaarborgd door middel van een ‘blanco’ orderbriefje waarop aanvankelijk geen bedrag is vermeld. Bij een betalingsachterstand mag de kredietgever het bedrag invullen en de schuld op basis van enkel het orderbriefje innen. Volgens de Poolse wet beperkt de ambtshalve toetsing door de rechter in een betalingsbevelprocedure op basis van een orderbriefje zich tot de wisselverhouding, en kan de toetsing zich niet uitstrekken tot de onderliggende rechtsverhouding (de kredietovereenkomst), tenzij de kredietnemer excepties opwerpt. De Poolse verwijzingsrechter heeft het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, waaronder of (onder meer) artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen zich verzet tegen de nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt om een blanco orderbriefje als zekerheid te stellen voor een consumentenkrediet. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het HvJEU onder andere overwogen:
Constructora Principado) betrof een beding in een koopovereenkomst van een woning op grond waarvan, in afwijking van het toepasselijke nationale recht, kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning voor rekening van de koper kwamen. De Spaanse verwijzingsrechter heeft een vraag gesteld over de uitleg van het begrip ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. Het HvJEU concludeerde dat het voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht niet nodig is dat de kosten die uit hoofde van een contractueel beding ten laste komen van de consument, in verhouding tot het bedrag van de betrokken transactie ernstige financiële gevolgen voor hem hebben, maar reeds voldoende is dat de rechtspositie waarin die consument als partij bij de overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. De nationale rechter moet beoordelen of dit het geval is. [31] Uit deze zaak volgt m.i. dat de omstandigheid dat kosten die naar nationaal recht voor rekening van de verkoper komen, voor rekening van de koper worden gebracht, relevant is voor de beoordeling of een beding oneerlijk is.
Matei)betrof onder meer de vraag of een beding in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente een maandelijkse risicoprovisie verschuldigd was, is aan te merken als een kernbeding als bedoeld in artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. In het kader van de beantwoording van deze vraag overwoog het HvJEU dat indien het provisiebeding onder het bereik van deze bepaling valt, dit niet wegneemt dat de verwijzende rechter moet beoordelen of het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Volgens het HvJEU was het de vraag of in de overeenkomst op transparante wijze is uiteengezet wat de reden is voor de vergoeding die met de provisie overeenstemt, aangezien betwist wordt dat de kredietgever verplicht is om werkelijk een tegenprestatie te verrichten om die provisie te verkrijgen. [32] Uit deze zaak volgt m.i. dat het transparantievereiste meebrengt dat de consument de reden voor een (risicoprovisie)kostenbeding dient te kennen.
Kiss/CIB Bank) betrof bedingen in een leningsovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente ook beheerskosten van 2,4% per jaar en een uitbetalingsprovisie verschuldigd was.
De vraag of het transparantievereiste meebrengt dat de bedingen moeten specificeren welke diensten als tegenprestatie voor die kosten worden verricht, beantwoordde het HvJEU ontkennend. Het heeft er alle schijn van, aldus het HvJEU, dat de consument aan de hand van de betrokken bedingen kon nagaan wat de economische gevolgen waren die voor hem daaruit voortvloeiden. Indien wordt betwist dat daadwerkelijk sprake is van een tegenprestatie voor een provisie, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de kredietnemer in kennis is gesteld van de reden voor de betaling van die provisie (met verwijzing naar de zaak Matei). Uit het feit dat de in ruil voor de beheerskosten en de uitbetalingsprovisie verrichte diensten niet zijn gespecificeerd, kan niet worden afgeleid dat de betreffende bedingen niet voldoen aan het transparantievereiste, mits uit de overeenkomst in haar geheel redelijkerwijs valt op te maken wat de juiste aard van de daadwerkelijk verrichte diensten is. Bovendien moet de consument kunnen vaststellen dat er geen overlapping is van kosten of van diensten die door die kosten worden vergoed. [33]
Caixabank) betrof een beding in een hypothecaire leenovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer bij het verlijden van de akte openingskosten aan de kredietgever verschuldigd was.
Profi Credit Polska/QJ e.a.) betrof bedingen in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast de rente een afsluitvergoeding, een commissieloon en een vergoeding voor een financieel product verschuldigd was.
In verband met het transparantievereiste verwees het HvJEU naar het Kiss-arrest en overwoog het dat de consument zich met betrekking tot de kosten van de “afsluitvergoeding” en het “commissieloon” op goede gronden kon afvragen welke diensten met die kosten zouden worden vergoed en of deze elkaar eventueel overlapten. [37] In verband met de oneerlijkheidstoets overwoog het HvJEU dat de niet-rentekosten van het krediet, waarvoor krachtens de nationale wetgeving een bovengrens geldt, ondanks dat zij onder die bovengrens zijn vastgesteld toch kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, indien de als tegenprestatie verrichte diensten redelijkerwijs niet behoren tot de handelingen die zijn verricht in het kader van de sluiting of het beheer van de kredietovereenkomst, of wanneer de bedragen die als kosten voor de verstrekking en het beheer van de lening voor rekening van de consument komen, duidelijk niet in verhouding staan tot het bedrag van de lening. [38]
De eerste lijn is dat voor de beoordeling of voldaan is aan het transparantievereiste van belang is dat uit de overeenkomst in haar geheel valt op te maken wat de aard is van de diensten waarvoor de kosten in rekening worden gebracht, dat deze diensten daadwerkelijk worden verricht en dat er geen sprake is van een overlapping van kosten of diensten (Matei, Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.). Een gebrek aan transparantie brengt bij een kernbeding mee dat dit kernbeding inhoudelijk kan worden getoetst. Een gebrek aan transparantie weegt voorts mee bij de beoordeling of een beding oneerlijk is.
De tweede lijn is dat afwijking van beperkingen of eisen die het nationale recht stelt aan het bij de consument in rekening brengen van kosten, relevant is bij de beoordeling of een beding oneerlijk is (Constructora Principado en Caixabank) en voorts dat de kosten niet duidelijk onevenredig mogen zijn ten opzichte van de hoogte van de lening (Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.).
De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat.Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend,
is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien.De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. Van een dergelijk rechtmatig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van echtscheiding of werkloosheid.
In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
,deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn.
2. In deze rubriek over de uitstapkosten attendeert de kredietgever de consument op alle uitstapkosten of andere kosten die bij vervroegde aflossing ter vergoeding aan de kredietgever moeten worden betaald en vermeldt hij indien mogelijk het bedrag daarvan.
Indien het bedrag van de vergoeding van verschillende factoren afhangt, zoalshet afgeloste bedrag of
de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet, geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
have regulated in different ways the conditions under which such compensation can be required by the creditor. In Italy and Romania, the law expressly prohibits the lender to charge a compensation fee to the borrower for early repayment of the mortgage,with no exception. In addition, in these two Member States early termination is always possible without any restrictions. It has to be noted that, in Italy, no specific increases in the costs of the mortgages or of interest rates was observed following the introduction of the switching legislation with no fees for early repayment. As confirmed by the consumers’ association, banks are competing to attract clients with switching packages.
,such as fixed interest rate (in Croatia, Cyprus, Finland, Germany, Ireland, Luxembourg, Malta, Slovenia, Sweden), or when the amount of the granted credit or of the repayment exceeds a certain threshold (see Box 5.2) and if repayment is not justified by a legal reason such as the sale of the property, a change of workplace, a forced termination of professional activity, or other circumstances personally affecting the borrower such as the death of the cohabitant (as in the case of France).
have established in detail the ceilings that shall not be exceeded” en waarin “
the maximum compensation is capped with the indication of a percentage (usually 0.5 or 1 per cent) of the amount repaid”, kan ik niet goed plaatsen. De opmerking refereert wellicht aan het (op p. 148) vermelde artikel 11 GHF Pro [48] dat onder voorwaarden een recht op vergoeding kent bij vervroegde algehele aflossing in geval van verhuizing (lid 2) of executoriale verkoop (lid 3) en alsdan die vergoeding beperkt tot een maximumpercentage.
j) „debetrentevoet”: de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage;
l) „totaal kredietbedrag”: het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld;”
;bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing
.
Daarom, en omdat een consumentenkrediet, gezien de gemiddelde duur en omvang ervan, niet wordt gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, dient het maximum voor de vergoeding als vast bedrag te worden vastgesteld. Deze aanpak sluit aan bij het specifieke karakter van consumentenkredieten en dient een eventuele andere aanpak voor andere producten die worden gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, zoals hypothecaire leningen met vaste rente, onverlet te laten.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Lexitorbetrof Poolse kredietovereenkomsten die voorzagen in de betaling aan de betrokken bank van een commissieloon waarvan het bedrag niet afhing van de duur van de overeenkomst. [51] Het HvJEU concludeert dat het recht op verlaging van de totale kredietkosten van artikel 16 lid 1 Richtlijn Pro consumentenkrediet ook ziet op kosten die niet afhangen van de duur van de overeenkomst. In zijn conclusie in deze zaak maakt advocaat-generaal Hogan een onderscheid tussen de in artikel 16 lid 2 bedoelde Pro vergoeding en de in artikel 16 lid 4 onder Pro b bedoelde vergoeding:
afdeling 7.2B.3 BWingevoerd, waarvan de bepalingen (artikelen 7:118-7:128c BW) op 14 juli 2016 in werking zijn getreden. [53] Deze afdeling bevat dwingend recht (artikel 7:128c BW). Afdeling 7.2B.3 BW is van toepassing op overeenkomsten die na 14 juli 2016 zijn gesloten (zie de artikelen 200 en 211b Overgangswet Nieuw BW). Op voordien afgesloten overeenkomsten blijft het voor de inwerkingtreding van afd. 7.2B.3 BW geldende recht van toepassing. [54]
dat renteherzieningen, omzettingen van bestaande hypotheekvormen of andere wijzigingen van de kredietovereenkomst (zonder dat extra krediet wordt verleend of toegezegd) die plaatsvinden op of na 21 maart 2016 derhalve niet als het aangaan van een nieuwe kredietovereenkomst worden beschouwden daarom niet vallen onder de nieuwe titel 7.2B.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
3. Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd.
zoals het afgeloste bedrag of de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet,geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.”
artikel 81ca Bgfoingevoerd, [68] dat het volgende bepaalt over de vergoeding bij tussentijdse rentewijzigingen:
Bij het (enkel) wijzigen van de debetrentevoet is er geen sprake van vervroegde aflossingen is het verbod om meer dan het financiële nadeel in rekening te brengen bij vervroegde aflossing niet van toepassing. De motie Mulder en Van Dijck (beide PVV) roept de regering op om de norm in het BGfo die voor vervroegde aflossing geldt ook van toepassing te verklaren op rentemiddeling. In antwoord op Kamervragen van het lid Ronnes (CDA) heeft mijn voorganger reeds aangegeven dat het onwenselijk is als aanbieders van krediet vergoedingen in rekening mogen brengen die hoger zijn dan het financiële nadeel. Dit besluit bevat daarom een wijziging van het BGfo die er in voorziet dat aanbieders van hypothecair krediet geen vergoeding mogen vragen die hoger is dan het financiële nadeel dat de aanbieder heeft doordat de overeenkomst inzake de debetrentevoet en rentevastperiode bij een hypothecair krediet voorafgaand aan het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst wordt beëindigd. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) krijgt de bevoegdheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de berekening van deze vergoeding.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Leidraadvan de AFM van 20 maart 2017, getiteld “Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek. Uitgangspunten berekening van het financiële nadeel”. [70] Deze leidraad geeft een kader, maar laat andere wijzen om het nadeel te bereken toe (p. 3):
Dit uitgangspunt betekent dat de aanbieder het financiële nadeel dient te bepalen over het totale bedrag dat de klant vervroegd wil aflossen verminderd met het bedrag dat de klant op dat moment contractueel vergoedingsvrij vervroegd mag aflossen (p. 9).
Het verschil tussen de rentebetalingen die de aanbieder verwacht te ontvangen (gebaseerd op de contractrente) en de rentebetalingen die de aanbieder nog kan ontvangen voor de uit te zetten gelden (gebaseerd op de vergelijkingsrente) wordt gebruikt voor het berekenen van het financiële nadeel voor de aanbieder. De AFM is van oordeel (p. 10):
Dit uitgangspunt beoogt te voorkomen, in mijn woorden, dat een gunstiger verhouding tussen de hoogte van de lening en de waarde van het huis, waardoor de (vergelijkings)rente lager wordt, ten laste van de consument komt bij de berekening van de vergoeding. De AFM vermeldt dat de LTV consistent moet worden toegepast (p. 11):
(i) dat de omzettingsbepalingen van de richtlijn in het Burgerlijk Wetboek eerbiedigende werking hebben ten aanzien van reeds bestaande overeenkomsten (3.19), maar dat bepaalde toezichtrechtelijke normen (mogelijk) onmiddellijke werking hebben (3.23.3 en 3.24.7);
(ii) dat vervroegde aflossing (artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro en art. 81c Bgfo) en tussentijdse rentewijziging (artikel 81ca Bgfo) dienen te worden onderscheiden (3.21 en 3.24.1 e.v.); en
(iii) dat de NCW-methode aanvaardbaar is als methode om bij vervroegde aflossing het nadeel van de bank te berekenen (3.20.2, 3.20.3 en 3.23.2).
De Nederlandse regelgever beschouwt de NCW-methode ook als een aanvaardbare methode om bij tussentijdse rentewijziging het nadeel van de bank te berekenen (3.24.2 e.v.).
Aan de toepassing van de NCW-methode kunnen bepaalde eisen worden gesteld, die op bepaalde aspecten kunnen verschillen al naar gelang het gaat om vervroegde aflossing dan wel (een bepaalde vorm van) tussentijdse rentewijziging (3.24.3-3.24.5, 3.25.2 e.v.).
De betekenis van het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn hypothecair krediet voor de behandeling van het cassatiemiddel
Rabobank betoogt in haar schriftelijke toelichting dat het middel dient te falen, voor zover het uitgaat van toepasselijkheid van de Richtlijn hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro. [71] Bij repliek voert [eiseres] hiertegen aan dat de temporele toepasselijkheid van artikel 7:127 BW Pro en artikel 81c Bgfo in cassatie als een niet bestreden uitgangspunt dient te worden aangemerkt. [72] Ik bespreek eerst deze kwestie.
dat Rabobank bij tussentijdse aflossing haar financiële nadeel, bestaande uit het verschil tussen de contractuele rente over het afgeloste bedrag gedurende de resterende rentevastperiode en de ten tijde van de aflossing nog te realiseren rente, in rekening mocht brengen, waarbij het berekende bedrag contant werd gemaakt” (rov. 3.14).
Het hof overwoog dat artikel 81c Bgfo van toepassing is op lopende hypothecaire geldleningen die zijn aangegaan vóór 14 juli 2016 (rov. 3.11). Het artikel is uitgewerkt in de Leidraad van de AFM (rov. 3.12). Het beding is in overeenstemming met de door de AFM geformuleerde uitgangspunten, waarbij Rabobank de vergoeding heeft herberekend in overeenstemming met uitgangspunt 2 (rov. 3.13). Rabobank heeft bij het berekenen van de vergoeding niet in strijd gehandeld met artikel 81c Bgfo (rov. 3.20).
Het hof heeft voorts geoordeeld dat het beding in artikel 22 AV Pro niet onredelijk bezwarend is, “
ook niet indien het bepaalde in artikel 7:127 lid 3 BW Pro ten tijde van de vervroegde aflossing reeds geldend recht zou zijn” (rov. 3.16).
Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat het beding niet oneerlijk is, onder meer omdat het in overeenstemming is met het recht (rov. 3.19).
Blijkens rov. 3.16 heeft hof het beroep van [eiseres] op de Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro en artikel 81c Bgfo niet alleen op inhoudelijke gronden verworpen, maar zich er óók rekenschap van gegeven dat artikel 7:127 BW Pro ten tijde van de vervroegde aflossing nog geen geldend recht was. Hiermee doelt het hof op het temporele toepassingsbereik van artikel 7:127 BW Pro en impliciet van de daarmee omgezette Richtlijn hypothecair krediet. De verwerping van (ook) grief 2 van [eiseres] berust mede op deze overweging. Uit rov. 3.16 volgt dat het hof heeft geoordeeld dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro niet reeds de stand van het recht anno 2008 weergeven.
Blijkens rov. 3.16 heeft het hof immers geoordeeld dat het beding niet onredelijk bezwarend is, zowel (i) beoordeeld naar de normen van 2008 – ter zake waarvan het hof in rov. 3.7 alleen de GFH vermeldt – als (ii) beoordeeld naar de normen van de Richtlijn hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro die in 2008 nog niet van toepassing waren.
Het hiervoor onder (i) bedoelde oordeel van het hof betreft, terecht, een beoordeling van het beding naar de maatstaven van 2008. Bij de toetsing of artikel 22 AV Pro onredelijk bezwarend/oneerlijk is, moet immers worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst − in 2008 − is gesloten. [74] Daarmee is het hiervoor onder (ii) bedoelde oordeel ten overvloede gegeven. Dit betekent dat daartegen gerichte klachten bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden, en het cassatiemiddel in zoverre geen behandeling behoeft, indien het onder (i) bedoelde oordeel in cassatie niet of vergeefs wordt bestreden.
Hetzelfde geldt voor rov. 3.19 in verband met de beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding. Door in rov. 3.19 te overwegen dat het beding in overeenstemming is met het recht, verwijst het hof in rov. 3.19 terug naar onder meer zijn rov. 3.16.
Het hof heeft immers in rov. 3.11 (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat dit artikel ook van toepassing is op lopende hypothecaire geldleningen die zijn aangegaan vóór 14 juli 2016. Hieruit volgt dat het toezichtrecht vereist dat Rabobank bij de tussentijdse aflossing in december 2016 handelt in overeenstemming met deze bepaling (wat zij volgens het hof heeft gedaan).
onderdeel 1(dat is gericht tegen het oordeel in rov. 3.3-3.5 over, kort gezegd, artikel 6:39 BW Pro) noch voor
onderdeel 3(dat is gericht tegen rov. 3.13 en 3.18 en, kort gezegd, het transparantievereiste betreft), maar wel voor de
onderdelen 2 en 4.
Onderdeel 4is gericht tegen 3.14, 3.15 en 3.20 en betoogt dat de vergoeding op basis van het beding in strijd is met de wet en dat het oordeel over artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet uiteindelijk aan de Europese wetgever en rechter is (waaraan de uit rov. 3.7, 3.10-3.12 en 3.15 blijkende Nederlandse opvattingen niet afdoen).
Onderdeel 2bevat aan het slot (in
nr. 22van de procesinleiding) een klacht die berust op argumenten die worden ontleend aan de door [eiseres] verdedigde uitleg van de Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro en artikel 81c Bgfo. De klachten van
onderdeel 4(in
nrs. 21-26van de procesinleiding) berusten daar in hoofdzaak op.
Voor zover de klachten van deze onderdelen de primaire vordering betreffen en uitgaan van toepasselijkheid van de Richtlijn hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro, kunnen zij niet tot cassatie leiden.
Wat betreft artikel 81c Bgfo, bestaat er wel belang bij een onderzoek naar de in verband met de subsidiaire vordering tegen rov. 3.20 gerichte klachten van deze onderdelen.
5.Onderdeel 1 van het cassatiemiddel (recht op voortijdige nakoming)
nrs. 5-8van de procesinleiding, klaagt op
p. 3-4van de procesinleiding dat de overwegingen van het hof in rov. 3.3-3.5 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk, innerlijk tegenstrijdig en niet te herleiden tot de stellingen van partijen zijn. Het hof had moeten overwegen dat uit de overeenkomst onder andere een verbintenis voortvloeit tot betaling van een geldsom (de hoofdsom), waarover gedurende de eerste twintig jaar 5,3% rente verschuldigd is, van welke betalingsverbintenis schuldeiser Rabobank − behoudens maandelijks van de alsdan verschuldigde rente − geen nakoming kan vorderen zolang niet het moment is aangebroken waarop [eiseres] tot algehele aflossing gehouden is, op welke verbintenis bij wijze van uitgangspunt artikel 6:39 BW Pro van toepassing is, en waaraan artikel 22 AV Pro beoogt te derogeren, aldus het middel.
Is wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd.” De per 1 januari 2017 vervallen regeling van de overeenkomst van verbruikleen (de veertiende titel van Boek 7A BW) bepaalde in artikel 7A:1796 BW: “
De uitleener kan het ter leen gegevene niet terug eischen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, verstreken is.” Dit artikel bevatte een herhaling van artikel 6:39 lid 1 BW Pro. [78]
(7) If the loan contract has an unspecified duration then, without prejudice to the borrower’s rights under paragraphs (2) and (3), either party can terminate the relationship by giving the other a reasonable period of notice. (…)’”
Het DCFR kiest voor een afwijking van dit uitgangspunt door een dergelijke beëindiging mogelijk te maken tegen betaling van een vergoeding. Een dergelijke keuze is ook vervat in de Richtlijn consumentenkrediet en de Richtlijn hypothecair krediet (zie de omzettingsbepalingen in de artikelen 7:68 en 7:127 BW). [92]
nr. 5van de procesinleiding dat uit artikel 28 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden waarin is bepaald op welk tijdstip de lening moet worden afgelost, volgt dat de overeenkomst kan worden aangemerkt als een overeenkomst voor bepaalde tijd. Volgens de klacht is echter niet juist de gedachte van het hof in rov. 3.3 dat de kredietovereenkomst een overeenkomst voor bepaalde tijd is omdat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres en haar echtgenoot] . over het uitstaande krediet
renteverschuldigd zijn die gedurende de eerste twintig jaar 5,3% op jaarbasis zal bedragen. Een rentevastperiode heeft volgens de klacht niets van doen met de kwalificatie van de kredietovereenkomst.
nr. 6van de procesinleiding is onjuist, dan wel onbegrijpelijk en niet tot de stellingen van partijen te herleiden, de overweging in rov. 3.4 dat in artikel 22 AV Pro “tussentijdse opzegbaarheid” is overeengekomen. Een vervroegde nakoming door de kredietnemer van diens verbintenis tot aflossing van de schuld, is geen opzegging. Net zo min als de artikelen 9 GHF, 25 Richtlijn hypothecair krediet en 7:127 BW gaat artikel 22 AV Pro over opzegging.
nr. 7van de procesinleiding vervolgt dat een overeenkomst voor bepaalde tijd in beginsel
nietvoor het verstrijken van de bepaalde tijd kan worden
opgezegd(zoals het hof overweegt in rov. 3.4), maar dat voor nakoming van de verbintenis een andere regel geldt, namelijk dat de
schuldenaarde verbintenis voordien vrijwillig kan nakomen (artikel 6:39 BW Pro). Daarom is onjuist, althans onbegrijpelijk, de overweging in rov. 3.5 dat artikel 6:39 BW Pro niet van toepassing is op de situatie dat [eiseres] de uitstaande kredietschuld aflost voordat zij de woning vervreemdt of niet langer bewoont. Op de verbintenis tot betaling van de hoofdsom is artikel 6:39 BW Pro evengoed van toepassing.
Rabobank heeft in de feitelijke instanties niet aangevoerd dat (bij de overeenkomst is bepaald of dat moet worden vermoed dat) [eiseres] de hoofdsom niet voortijdig mag aflossen. Dat de hoofdsom voor het einde van de bepaalde termijn mag worden afgelost vindt dwingendrechtelijke bevestigen in de artikelen 25 lid 1 Richtlijn hypothecair krediet, 7:127 lid 1 jo 7:128c jo. 7:128 lid 3 BW en 81c Bgfo.
nr. 8van de procesinleiding wordt geklaagd dat onjuist is de overweging van het hof in rov. 3.4 en 3.19 dat artikel 22 AV Pro de tussentijdse opzegbaarheid van de overeenkomst creëert die zonder dit beding in beginsel zou ontbreken. Het beding herhaalt slechts wat al uit artikel 6:39 BW Pro volgt: de schuldenaar mag zijn verbintenis voortijdig nakomen.
nrs. 6 en7 bij gebrek aan feitelijke grondslag falen, voor zover zij veronderstellen dat het hof in rov. 3.4 met de tussentijdse opzegging het oog heeft op een opzegging voordat zich een van de gevallen (zoals vervreemden of niet langer bewonen van de woning) als bedoeld in artikel 28 AV Pro voordoet. [94] Het hof doelt op tussentijdse opzegging voor het verstrijken van de rentevastperiode van twintig jaar (zie hiervoor in 5.7).
nrs, 6, 7 en 8maken een scherp onderscheid tussen opzegging en vervroegde nakoming van de overeenkomst.
Voor wat betreft het opzeggingsperspectief volgt dit uit het gegeven dat het gaat om een overeenkomst voor bepaalde tijd. Voor wat betreft het aflossingsperspectief volgt dit uit het gegeven dat het gaat om een (hypothecaire) lening tegen rente.
Voortijdige afbetaling van de schuld kan toegelaten zijn op grond van een daartoe strekkende contractuele regel (zoals artikel 22 AV Pro, in overeenstemming met artikel 9 GHF Pro) of wettelijke regel (zoals de artikelen 25 Richtlijn hypothecair krediet, 7:127 BW en 81c Bgfo). [95]
het financiële nadeel van de kredietgever dat ontstaat als gevolg van de tussentijdse aflossing”), rov. 3.14 (“
haar financiële nadeel, bestaande uit het verschil tussen de contractuele rente over het afgeloste bedrag gedurende de resterende rentevastperiode en de ten tijde van de aflossing nog te realiseren rente” en “
dat het bij kredieten boven de € 75.000 zeer wel mogelijk is dat een kredietgever (vergelijkbaar met de situatie bij een hypothecaire lening met vaste rente) bij vervroegde aflossing met een fors verlies achterblijft”) en rov. 3.20 (“
De stelling van [eiseres] dat Rabobank niet enkel nadeel ondervindt van tussentijdse aflossing van een hypothecaire geldlening brengt daarin geen verandering”).
Hierin ligt m.i. besloten dat volgens het hof de bepaalde tijd van twintig jaar rentevast mede in het belang van Rabobank is gesteld. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde mijn inziens geen nadere motivering.
Hieraan doet niet af dat Rabobank in de feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat (bij de overeenkomst is bepaald of dat moet worden vermoed dat) [eiseres] de hoofdsom niet voortijdig mag aflossen (zoals het middel in
nr. 7aanvoert), gegeven dat [eiseres] voor het eerst een beroep op artikel 6:39 BW Pro heeft gedaan bij pleidooi in hoger beroep en uit de gedingstukken niet blijkt dat hierover debat heeft plaatsgevonden. Om deze reden faalt ook de klacht (in
nr. 6) dat het oordeel niet tot de stellingen van partijen is te herleiden.
nr. 7bestreden overweging in rov. 3.5 dat het door [eiseres] genoemde artikel 6:39 BW Pro “niet voor deze situatie is geschreven”, lees ik in het licht van het voorgaande niet als een ontkenning van de mogelijkheid dat artikel 6:39 BW Pro van toepassing kan zijn op vervroegde aflossing van een geldlening. Het hof doelt met deze overweging op de situatie dat bij (de onderhavige) geldleningovereenkomst tegen rente voor bepaalde tijd het vermoeden van artikel 6:39 lid 1 BW Pro moet wijken (al kan dit artikel nog wel gelden voor rentebetalingen voor de vervaldag).
nr. 8van de procesinleiding is gericht tegen rov. 3.19. Volgens de klacht is, anders dan het hof overweegt, het wettelijk uitgangspunt niet dat de schuldeiser bij voortijdige nakoming (artikel 6:39 BW Pro) recht heeft op een vergoeding. Volgens de klacht derogeert artikel 22 AV Pro in zoverre aan de wet.
nr. 9van de procesinleiding dat onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 3.6 dat tussen partijen niet ter discussie staat dat Rabobank in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van het nadeel dat zij lijdt door de tussentijdse aflossing, maar wel wat de omvang van het te vergoeden nadeel is. Volgens de klacht heeft [eiseres] aangevoerd dat Rabobank vanwege artikel 6:39 BW Pro in beginsel überhaupt geen aanspraak op vergoeding van dat nadeel heeft. Indien het hof met deze overweging heeft bedoeld dat (niet ter discussie staat dat) uit artikel 22 onder Pro d AV in de concrete omstandigheden een vergoedingsrecht voortvloeit, dan heeft het hof niet voorbij mogen gaan aan zijn vaststelling in rov. 2.2 onder (vii) dat [eiseres] zich heeft beroepen op vernietiging van dit beding.
voor zijn werkelijke financiële nadeel, exclusief gederfde winst” en dat Rabobank “
meer dan haar werkelijke nadeel” in rekening heeft gebracht
. [96] Gezien deze stellingen getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.6 heeft geconstateerd dat tussen partijen niet ter discussie staat dat Rabobank in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van het financiële nadeel dat ontstaat als gevolg van de tussentijdse aflossing. Met “in beginsel” heeft het hof kennelijk bedoeld ‘behoudens een geslaagd beroep op vernietiging van het beding’. [97] Ook om die reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.
Onderdelen 2 en 3 van het cassatiemiddel (inhoud en transparantie van het beding)
(…)
Uitgangspunt 3 zegt dat de vergoeding voor vervroegde aflossing niet hoger mag uitvallen door bij het vaststellen van de vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente een inconsistente Loan-to-Value (hierna: LTV) te hanteren. De LTV is de verhouding tussen de hoogte van de hypotheekschuld ten opzichte van de waarde van de woning. Een hogere LTV leidt voor de kredietverstrekker tot een hoger terugbetalingsrisico en dit risico wordt verwerkt in het rentetarief door middel van een opslag. Als onvoldoende betwist staat vast dat in het onderhavige geval bij de berekening van de vergoeding is uitgegaan van dezelfde LTV-opslag als bij het aangaan van de geldlening. De LTV heeft daarmee, conform het door de AFM gehanteerde uitgangspunt, niet tot een hogere vaststelling van de vergoeding geleid. Verder staat als onvoldoende betwist vast dat Rabobank bij de berekening van de vergoeding de hoogte van de andere componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd, zoals fundingkosten, niet ten nadele van [eiseres] heeft gehanteerd.
(…)
(…)
3.19 [eiseres] betoogt daarnaast dat het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van haar aanzienlijk verstoort. Het hof is van oordeel dat dit betoog faalt. In het beding is tussentijdse opzegbaarheid overeengekomen waar die anders in beginsel zou ontbreken (zie 3.4) en het beding is in overeenstemming met het recht. Rabobank kon daarom redelijkerwijs ervan uitgaan dat [eiseres] het beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.
p. 8-9van de procesinleiding over onjuistheid en onbegrijpelijkheid van rov. 3.6 en 3.19 omdat het hof daarin miskent dat de kredietgever
in beginsel geenaanspraak heeft op een vergoeding van het nadeel dat de vervroegde aflossing veroorzaakt (rov. 3.6), en dat een
bedongenvergoeding wegens vervroegde aflossing niet kan worden gekwalificeerd als tegenprestatie voor een opzeggingsbevoegdheid die anders in beginsel zou ontbreken (rov. 3.19). Hierop sluit aan
nr. 10van de procesinleiding waarin het onderdeel klaagt dat dat het hof in rov. 3.19 miskent dat als de vergoedingsplicht van artikel 22 AV Pro niet was bedongen, [eiseres] vervroegd had mogen aflossen zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn. Het is volgens de klacht niet juist of begrijpelijk dat het hof oordeelt dat Rabobank “daarom” redelijkerwijs ervan heeft kunnen uitgaan dat [eiseres] artikel 22 AV Pro zou hebben aanvaard indien daarover op eerlijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.
nr. 10van de procesinleiding voorts de klacht dat het hof artikel 22 AV Pro aan de Richtlijn oneerlijke bedingen had moeten toetsen en dat daaraan niet afdoet dat de GHF en de AFM toelaten dat de kredietgever bedingt dat de kredietnemer in geval van vervroegde aflossing de contante waarde moet vergoeden van het verschil tussen de contractrente en een vergelijkingsrente.
Nr. 11van de procesinleiding bevat een tegen rov. 3.13 gerichte klacht.
nr. 11van de procesinleiding over de oordelen van het hof in rov. 3.13 dat als onvoldoende betwist vast staat dat bij de berekening van de vergoeding is uitgegaan van dezelfde
Loan-to-Value(LTV) als bij het aangaan van de geldlening en dat Rabobank bij de berekening van de vergoeding de hoogte van de andere componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd, zoals
fundingkosten, niet ten nadele van [eiseres] heeft gehanteerd. Volgens de klacht is het hof daarmee slechts ten dele, en daarom onvoldoende begrijpelijk, ingegaan op de in de klacht (en voetnoot 36 daarbij) genoemde bezwaren van [eiseres] tegen de berekening van de vergoeding:
fundingkostenniet ten nadele van [eiseres] zijn gehanteerd;
De Hoge Raad overweegt in rov. 3.7.7, samengevat, dat bij een wijze van schadebegroting die is gebaseerd op een vergelijking tussen de situaties bij ontbinding en bij nakoming, de eventuele (langlopende) financieringskosten die de financiële instelling in verband met het aangaan van de ontbonden leaseovereenkomsten is verschuldigd, buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat die kosten in beide situaties gelijk zijn. Anders gezegd, in een dergelijk geval wordt de schade bepaald door, bij gelijkblijvende financieringskosten, te kijken naar het verschil in opbrengsten bij volledige nakoming respectievelijk bij ontbinding.
Voorts overweegt de Hoge Raad in rov. 3.7.5, 3.7.8 en 3.8.1, samengevat, dat het beding oneerlijk is omdat het niet voldoende rekening houdt met het voordeel dat Dexia heeft doordat het vervroegd ontvangen bedrag voor haar als financiële instelling onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen.
Hoe die verschillende rentes zijn opgebouwd, is in de zaak T./Dexia verder niet aan de orde gekomen, maar het ligt voor de hand dat de hoogte van deze rentes wordt bepaald door componenten als financieringskosten, opslagen en winst. Daarom zijn in de berekening van de schadevergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd. De NCW-methode gaat er (evenals de prejudiciële beslissing in de zaak T./Dexia) van uit dat de oorspronkelijke financieringskosten van de bank doorlopen. Dit doorlopen is juist de aanleiding om een vergoeding te gaan berekenen bij vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging. De NCW-methode bepaalt de vergoeding aan de hand van het (contant gemaakte) verschil tussen de contractrente en de actuele (vergelijkings)rente. Daarom zijn in de berekening van de vergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd. Toepassing van de NCW-methode is daarom m.i. niet in strijd met rov. 3.7.7 van T./Dexia.
Het onderdeel baseert deze conclusie op het betoog (op p. 12, onderaan, en p. 13, eerste tekstblok, van de procesinleiding) dat het gaat om een vergoeding van het nadeel dat Rabobank (naar zij heeft aangevoerd) op portefeuilleniveau lijdt; dat het nadeel als gevolg van het risico dat de klant vervroegd aflost, al is verdisconteerd in opslagen in de basisrente; en dat de vergoeding wordt berekend aan de hand van een abstracte formule (de contantewaardemethode) op basis van een door de AFM verboden maar voor de bank voordelige parameter van de dichtstbijzijnde kortere rentevaste periode.
Het gaat in deze zaken om andere soorten bedingen dan thans in cassatie aan de orde is. Het betrof kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning (Constructora Principado), beheerskosten en een uitbetalingsprovisie (Kiss/CIB Bank), openingskosten bij een krediet (Caixabank) respectievelijk commissieloon en een vergoeding voor een financieel product (Profi Credit Polska/QJ e.a.), terwijl in enkele gevallen kwestieus was of daartegenover wel een prestatie stond (Kiss/CIB Bank, Caixabank en Profi Credit Polska/QJ e.a.). [100] De arresten Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/QJ e.a. zijn relevant in verband met het transparantievereiste, dat hierna nog aan de orde zal komen.
Wat betreft de beoordeling of een beding oneerlijk is, wijzen de arresten Constructora Principado en Caixabank op de betekenis van het nationale recht en wijzen de arresten Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a. op de eventuele onevenredigheid van de kosten ten opzichte van de hoogte van de lening. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 22 AV Pro gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet.
Uit de genoemde arresten van het HvJEU blijkt dat voor de beoordeling of een beding oneerlijk is, mede van belang is of het afwijkt van hetgeen zonder het beding volgens het nationale recht zou gelden. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 22 AV Pro gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet. Het hof heeft hiermee blijkens zijn rov. 3.16 rekening gehouden.
nr. 12van de procesinleiding (op p. 13-14) over de stel- en motiveringsplicht en bewijslast van Rabobank en de ambtshalve taak van de rechter bij de beoordeling of een beding oneerlijk is, is gericht tegen rov. 3.13.
nr. 13van de procesinleiding.
nr. 14van de procesinleiding komt neer op een herhaling van de klachten in
nr. 12van de procesinleiding en deelt het lot daarvan.
nr. 15van de procesinleiding wordt geklaagd dat uit de Richtlijn hypothecair krediet en de Nederlandse omzetting daarvan volgt dat artikel 22 AV Pro onredelijk bezwarend is, beroept het onderdeel zich op regels die nog niet golden op het voor de beoordeling van het beding relevante moment van contractsluiting, en behoeft de klacht geen bespreking (zie hiervoor in 4.6.1-4.6.3).
Voor zover in dit nummer wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.16 ten onrechte heeft overwogen dat artikel 22 AV Pro niet onredelijk bezwarend is, en dat het oordeel in rov. 3.16 onbegrijpelijk is om de in
nr. 11van de procesinleiding gegeven redenen, falen deze klachten op de gronden die hiervoor bij de bespreking van onderdeel 2 aan de orde zijn gekomen.
nr. 16van de procesinleiding) dat het hof in rov. 3.18 niet met zoveel woorden overweegt dat artikel 22 AV Pro beantwoordt aan het transparantievereiste. Ik merk op dat het hof in rov. 3.18 reageert op de (in rov. 3.17 weergeven) stelling van [eiseres] dat artikel 22 AV Pro niet transparant is, omdat het de consument niet in staat stelt de
contante waarde te berekenenvan het verschil tussen de contractrente en de marktrente. Het hof verwerpt deze stelling en overweegt in dat verband, kort gezegd, dat de gemiddelde consument de economische gevolgen voldoende kan voorzien.
nrs. 16-20van de procesinleiding, klaagt dat het oordeel in rov. 3.18 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Ik bespreek hierna de verschillende elementen van het onderdeel afzonderlijk.
p. 17en in
nr. 20van de procesinleiding) betoogt dat het hof had moeten overwegen dat artikel 22 AV Pro niet beantwoordt aan het transparantievereiste en dat artikel 22 AV Pro
daaromoneerlijk is, dient het te falen in het licht van hetgeen eerder (in 3.6.1 tot en met 3.8.2) is opgemerkt over de betekenis van een gebrek aan transparantie voor de beoordeling of een beding oneerlijk is. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat een transparantiegebrek een van de elementen is bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. Uit die rechtspraak volgt niet dat een transparantiegebrek als regel bij die beoordeling doorslaggevend is.
nrs. 17 en 18). Hieraan voldoet artikel 22 AV Pro niet, omdat Rabobank in artikel 22 AV Pro noch elders toegang geeft tot de gegevens die voor de berekening van de contante waarde noodzakelijk zijn, maar zelf bepaalt hoe de contante waarde wordt berekend (
nr. 18). Het hof heeft niet uitgesloten dat de wijze waarop Rabobank de contante waarde berekent, van invloed is op de omvang van de verplichtingen van [eiseres] (
nr. 19).
Dergelijke bijzondere verplichtingen inzake consumentenvoorlichting bestonden niet ten aanzien van hypothecaire kredieten ten tijde van het sluiten van het hypothecaire krediet in het onderhavige geval.
hoede bank de contante waarde berekent. Het hof oordeelt dat het beding op het punt van de contante waarde desondanks voldoende duidelijk is, waarbij het hof in aanmerking neemt dat voor de beslissing van de consument om vervroegd af te lossen met name het verschil tussen de contractrente en de (actuele) marktrente beslissend is, het contant maken van het verschuldigde bedrag in het algemeen in beperkte mate de hoogte van de vergoeding bepaalt en in beginsel in het voordeel van de consument is. Het in
nrs. 18-19van de procesinleiding genoemde arrest HvJEU 7 november 2019, C-419/18 (Profi Credit Polska) noopt niet tot een andere conclusie.
p. 16van de procesinleiding) dat het hof (zonder nadere motivering) niet de stellingen had mogen verwerpen dat het begrip "contante waarde" een belangrijke rol in de berekening van de vergoeding speelt, maar dat de gemiddelde consument, voor wie het een complex bedrijfseconomisch concept is, niet in staat is om de wiskundige exercitie uit te voeren die nodig is om een bedrag "contant" te maken en dat Rabobank de wijze waarop zij bedragen contant maakt, niet uitlegt maar op grond van artikel 22 onder Pro d AV zelf bepaalt.
nr. 19van de procesinleiding), is niet onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat het contant maken van het bedrag in beginsel in het voordeel is van de klant.
nr. 19van de procesinleiding), is niet onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat consumenten voornamelijk belang hechten aan het verschil tussen de contractrente en de marktrente. Het hof heeft met juistheid de transparantie van het beding beoordeeld aan de hand van de maatstaf van de gemiddelde consument, zoals ook besloten ligt in HvJEU 7 november 2019, C-419/18 (Profi Credit Polska) waarnaar de procesinleiding hier verwijst. Het hof behoefde deze overweging niet nader te motiveren, ook niet in het licht van het concrete bedrag dat in het onderhavige geval gemoeid is met het contant maken van het verschil tussen de contractrente en de marktrente.
nr. 19van de procesinleiding berust op een onjuiste lezing van deze overweging. Uit de eerste volzin van rov. 3.13 blijkt immers dat het hof heeft onderkend dat Rabobank de vergoeding heeft herberekend met inachtneming van uitgangspunt 2 van de Leidraad van de AFM.
7.Onderdeel 4 (vergoeding in strijd met de wet?)
nrs. 21-25van de procesinleiding, beroept het onderdeel zich hiertoe op artikel 6:39 BW Pro en – vooral – op artikel 16 Richtlijn Pro consumentenkrediet en de omzetting daarvan in artikel 7:68 BW Pro en op artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet en de omzetting daarvan in de artikelen 7:127 BW en 81c Bgfo. Het onderdeel betoogt in
nr. 26, samengevat, dat het oordeel over artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet uiteindelijk aan de Europese wetgever en rechter is en dat de uit rov. 3.7, 3.10-3.12 en 3.15 blijkende Nederlandse opvattingen daaraan niet afdoen.
onderdeel 1dat dit beroep niet slaagt, en daartoe (ii) een beroep doet op de artikelen 16 Richtlijn consumentenkrediet, 25 Richtlijn hypothecair krediet, 7:68 BW en 7:127 BW, volgt uit hetgeen hiervoor (in 4.3.2 en 4.6.3) is opgemerkt, dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden en bij gebrek aan belang geen bespreking behoeft.
nr. 25van de procesinleiding) dat het hof ten onrechte overweegt dat het uitgangspunt dat Rabobank niet meer dan de rechtstreekse kosten respectievelijk haar werkelijke nadeel als vergoeding mag vorderen, onjuist is. Het hof miskent daarmee niet alleen dat Rabobank rechtens geen nadeel heeft − ze "mist" immers geen rentebetalingen − maar ook dat art. 25 lid 1 Richtlijn Pro hypothecair krediet onderscheidt tussen enerzijds (nog niet verschenen) rente en anderzijds (nog niet verschenen) kosten, en dwingend bepaalt dat de kredietnemer die rente en kosten ook niet zal hoeven te betalen, en dat art. 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet daarom − net als art. 16 lid 2 Richtlijn Pro consumentenkrediet − niet het oog kan hebben op die rente en kosten, maar alleen op de kosten, zoals de administratieve kosten, die rechtstreeks door de vervroegde aflossing worden veroorzaakt, aldus het middel.
nr. 25van de procesinleiding is, denk ik, vooral bedoeld als een uitvloeisel van de tegen rov. 3.14-3.15 gerichte klachten. Ik bespreek haar thans als een zelfstandige klacht.
nr. 25van de procesinleiding niet leiden tot aantasting van het bedoelde oordeel in rov. 3.20. De klacht behoeft daarom niet onderzocht te worden.