Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in algemene zin, volgens welke voor normaal gebruik van een beleggingsobject bestemd voor verhuur nodig is dat het object voldoet aan de brandveiligheidseisen voor bestaande bouw volgens het op het moment van levering geldende Bouwbesluit.
Haviltex-maatstaf geoordeeld dat [koper] mocht verwachten dat hij een beleggingsobject bestaande uit tien appartementen voor de verhuur zou krijgen. In rechtsoverweging 36 heeft het hof vastgesteld dat het verkochte ten tijde van de levering in 2004 niet voldeed aan de destijds geldende brandveiligheidsnormen voor bestaande bouw van het Bouwbesluit 2003. Klaarblijkelijk was daarmee de non-conformiteitsvraag voor het hof nog niet beslist, want rechtsoverweging 37 kondigt als volgende te beantwoorden vraag aan of de omstandigheid dat het verkochte op het moment van levering in bepaalde opzichten niet voldeed aan de brandveiligheidsnormen van het Bouwbesluit 2003 (voor bestaande bouw) betekent dat sprake was van non-conformiteit, wat volgens het hof gelijkstaat aan de vraag of het verkochte niet de eigenschappen bezit die [koper] als koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Vervolgens onderzoekt het hof die vraag in de aangevallen overweging aan de hand van de inhoud van de koopovereenkomst, waaronder de mededeling van [verkoper] dat het verkochte de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik als beleggingsobject bestemd voor de verhuur.
bestaandebouw; zie rechtsoverweging 35. Verder nog: het ligt mijns inziens geenszins voor de hand om essentiële veiligheidsaspecten van een verkochte zaak (zonder welke gebruik van de zaak niet toegelaten is) te brengen onder een beding omtrent verouderde bouwkwaliteit. (naar aanleiding van stelling v. en vii.)
subonderdeel 2.1heeft het hof aldus miskend dat het aan [koper] en niet aan [verkoper] was om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat het verkochte ten tijde van de levering niet voldeed aan de brandveiligheidseisen voor bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2003.
schuldenaarkan worden toegerekend.
subonderdeel 3.2heeft het hof miskend dat toerekening alleen plaats kan vinden op grond van schuld, krachtens de wet, krachtens rechtshandeling of op grond van in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75 BW Pro), althans heeft het hof in het licht van die maatstaf zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Vervolgens bevat het subonderdeel enkele nadere klachten. Wat betreft de vraag of [verkoper] schuld treft, wordt verwezen naar de stellingen van [verkoper] [9] dat hij (i) niet zelf heeft gebouwd of verbouwd in het verkochte en (ii) niet wist van publiekrechtelijke gebreken. Wat betreft de vraag of de tekortkoming krachtens rechtshandeling aan [verkoper] kan worden toegerekend, verwijst de steller van het middel naar de stelling dat [verkoper] geen garantie heeft verstrekt die inhoudt dat het verkochte ten tijde van de levering voldeed aan de brandveiligheidseisen voor bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2003. Wat betreft de vraag of de tekortkoming krachtens verkeersopvattingen aan [verkoper] kan worden toegerekend, verwijst het subonderdeel ten slotte naar de stellingen dat het (i) een verborgen gebrek betreft en (ii) [verkoper] maar zeer kort eigenaar is geweest, terwijl het overheidsbeleid met betrekking tot brandveiligheid significant is gewijzigd.
uitvoeringsfasevan de overeenkomst die de schuldenaar verhinderen om de verschuldigde prestatie te verschaffen. Wat betreft een koopovereenkomst bijvoorbeeld het geval dat de verkochte zaak voor aflevering wordt gestolen, die zaak door buitengewone omstandigheden verloren gaat of beschadigd raakt, of een plotseling ingesteld importverbod de verkoper in de weg zit.
f900,— terwijl de kosten van de operaties waarvan de koper vergoeding vorderde meer dan het drievoudige bedroegen (
f3.240,—) en uit de stamboom van de hond volgden geen aanwijzingen voor een aanleg voor heupdysplasie. De appelrechter had het beroep op overmacht onbesproken gelaten. Dat uw Raad casseerde, betekent dat
op zichzelfdenkbaar is dat de bedoelde onwetendheid van de verkoper overmacht oplevert. Maar zoals gezegd, de feiten van de zaak met betrekking tot de rashond met heupdysplasie waren sprekend. Met betrekking tot industrieel vervaardigde producten heeft uw Raad de vuistregel aanvaard dat de tekortkoming voor rekening van de verkoper komt, ook als hij het gebrek kende noch behoorde te kennen en de zaak niet zelf heeft vervaardigd. [12] Intussen lijkt mij ook overigens het geval dat een ten achter blijven van de verkochte zaak bij de redelijke verwachtingen die de koper op grond van de koopovereenkomst mocht hebben niet aan de verkoper behoort te worden toegerekend, een min of meer uitzonderlijk geval.