Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1), gevolgd door de onderdelen 2.1—2.8 die de klachten bevatten. De klachten betreffen:
- de omschrijving in rov. 6.5 van de kern van de zaak (
onderdeel 2.1);
- de overwegingen in rov. 6.9 dat ter zitting is gebleken dat partijen groot vertrouwen hebben in de deskundigen en dat niet is gesteld of gebleken dat de belangen van partijen onvoldoende gewaarborgd zijn door de wijze waarop het deskundigenrapport tot stand is gekomen (
onderdeel 2.2);
- de beoordeling in rov. 6.10 van het verweer van ABM dat de huurprijsverhoging is gebaseerd op verbeteringen aan het gehuurde die op kosten van ABM, haar rechtsvoorganger of haar onderhuurder zijn aangebracht (
onderdeel 2.3);
- de schatting in rov. 6.10 van het deel van de huurprijs dat ziet op het tankstation (
onderdeel 2.4 en gedeeltelijk onderdeel 2.5);
- de schatting in rov. 6.10 van het deel van de huurprijs dat ziet op de shop en wasstraat (
onderdeel 2.5);
- de overweging in rov. 6.8 dat de deskundigen ter zitting hebben aangegeven dat ABM niet heeft meegewerkt aan het verstrekken van referentieobjecten (
onderdeel 2.6); en
- de veroordeling in rov. 6.16 van ABM in de kosten van het deskundigenrapport (
onderdeel 2.7). Tot slot bevat
onderdeel 2.8een louter voortbouwende klacht.
Nieuwland/Nierop [19] had de rechtbank overwogen dat de door de huurder bekostigde verbouwingen voor een aanmerkelijk deel als verbeteringen in de zin van artikel 1632a lid 2 BW (oud) (thans artikel 7:303 lid 3 BW Pro) moesten worden beschouwd. Uit het deskundigenrapport in die zaak bleek dat lastig was vast te stellen hoe de staat van het gehuurde was voordat de verbouwingen plaatsvonden en dat het vrijwel onmogelijk was om referentieobjecten te vinden met betrekking tot het pand in de toestand van voor de verbouwingen. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat zij geen behoefte hadden aan een nader deskundigenrapport. Vervolgens overwoog de rechtbank dat het onmogelijk was om de huurprijs nader vast te stellen op grond van een vergelijking met de huur van panden die zich bevinden in de toestand waarin het gehuurde zich voor de verbouwingen bevond. De rechtbank heeft daarom de door de deskundigen berekende huurprijs, die was gebaseerd op een vergelijking van het gehuurde in de staat waarin het verkeerde na de verbouwingen met een aantal referentieobjecten, tot uitgangspunt genomen. Vervolgens heeft de rechtbank daarop in mindering gebracht het deel van deze huurprijs dat aan de op kosten van de huurder aangebrachte verbeteringen moest worden toegeschreven. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel, dat niet zozeer de door de rechtbank gebruikte methode als zodanig, als wel de toepassing ervan betrof
Gamba/Mespan I [20] was in het deskundigenrapport de huurprijs vastgesteld op basis van een vergelijking van het gehuurde in de staat waarin het verkeerde na de verbouwingen met een aantal referentieobjecten, waarop correcties werden toegepast in verband met op kosten van de huurder aangebrachte verbeteringen. Bij het opstellen van het rapport was niet meer precies te achterhalen welk deel van de wijzigingen aan het gehuurde als verbeteringen moesten worden aangemerkt en wat de waarde van het gehuurde voorafgaand aan de verbouwing was. De rechtbank oordeelde dat de deskundigen met hun benadering voldoende rekening hadden gehouden met de invloed van de verbeteringen op de huurprijs en volgde het deskundigenrapport. Het cassatiemiddel in deze zaak klaagde onder meer dat de toepassing van de ‘oneigenlijke’ methode – bij gebreke van bijzondere omstandigheden – in strijd was met het recht. De twee hiervoor genoemde complicaties zouden leiden tot moeilijk oplosbare problemen bij de toepassing van de oneigenlijke methode, die zich bij toepassing van de eigenlijke methode niet zouden voordoen. De Hoge Raad verwierp deze klachten met de overweging (rov. 3.3), samengevat, dat de rechtbank niet was uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door zich te verenigen met de methode die de deskundigen voor dit geval waren gevolgd en dat haar oordeel overigens is verweven met een waardering van de omstandigheden.
überhaupteen verhoging van de huurprijs aan de orde is gelet op het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.6 waarvan
onderdeeluitmaakt de vraag in hoeverre er enige waarde aan het deskundigenrapport moet worden gehecht, aldus de klacht. [22]
Maar de beoordeling van dit verweer is pas relevant indien wordt vastgesteld dat niet vergeleken is met vergelijkbare objecten.” De in deze voetnoot voor de zekerheid opgenomen klacht, die is geformuleerd voor het geval deze passage moet worden opgevat als een oordeel van het hof, faalt dus omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest.
Uit het arrest blijkt overigens niet dat het hof aan ABM zou hebben tegengeworpen dat zij geen referentiepanden zou hebben aangedragen. Hetgeen het hof in rov. 6.8 (en 6.9) overweegt, leidt het hof slechts tot de gevolgtrekking in rov. 6.10, dat het hof de huurprijs zal moeten schatten overeenkomstig artikel 7:303 lid 2 BW Pro.
subonderdelen 2.2.1-2.2.2over een twee overwegingen in rov. 6.9. Het hof overwoog:
subonderdeel 2.2.1is onbegrijpelijk de overweging dat het hof ter zitting is gebleken dat partijen groot vertrouwen hebben in de deskundigen, en dat partijen hun ervaring en deskundigheid niet ter discussie hebben gesteld. Het subonderdeel wijst erop dat het proces-verbaal nadere toelichting door deskundigen van 25 augustus 2020 slechts vermeld dat zijdens [verweerder] is verklaard dat [verweerder] vertrouwen heeft de deskundigen. Het subonderdeel betoogt voorts dat ABM de deskundigen verwijt met anonieme objecten te zijn gekomen en verwijst naar de inhoudelijke kritiek van ABM op de onderdelen van het rapport, waaruit volgens het subonderdeel geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat ABM geen vertrouwen had in de deskundigen en in de totstandkoming van het deskundigenrapport.
subonderdeel 2.2.2is onbegrijpelijk de overweging dat niet voldoende is gesteld of gebleken dat de belangen van partijen door de wijze waarop het deskundigenrapport tot stand is gekomen onvoldoende zijn gewaarborgd. In de stelling van ABM dat zij zich niet deugdelijk tegen de uitkomst van het deskundigenrapport kon verweren, omdat dat gebaseerd is op anonieme referentieobjecten, volgens het subonderdeel besloten dat de belangen van ABM door de wijze van totstandkoming van het rapport onvoldoende gewaarborgd zijn.
subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2slagen niet.
subonderdelen 2.3.1-2.3.5over rov. 6.10 (en de daarop voortbouwende rov. 6.14-6.16 en het dictum), waarin het hof, voor zover thans relevant, overwoog:
subonderdelen 2.3.1, 2.3.2-I, 2.3.2-II en 2.3.2-III, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, klagen, samengevat, dat het hof artikel 7:303 lid 3 BW Pro heeft miskend dan wel zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De rechter moet een vordering tot verhoging van de huurprijs afwijzen voor zover deze is gegrond op verbeteringen die op kosten van de huurder zijn aangebracht, zoals in dit geval (
subonderdeel 2.3.1). De huurprijs moet worden vastgesteld alsof deze verbeteringen achterwege zijn gebleven (
subonderdeel 2.3.2-I). Het hof had eerst dienen na te gaan of de huurprijsverhoging wordt veroorzaakt door de door de huurder aangebrachte verbeteringen. Indien dit zo is, houdt het op en dient de vordering te worden afgewezen (
subonderdeel 2.3.2-II). Het hof mocht het beroep op de verbeteringen dus niet afdoen met de stelling dat de deskundigen hebben aangegeven dat de verbeteringen door Tango/ABM al in de huurprijs verdisconteerd zijn of dat eenzelfde situatie zich heeft voorgedaan bij de referentie-panden (
subonderdeel 2.3.2-III).
subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.2-III. Deze klacht komt er in de kern op neer dat het hof de ‘eigenlijke’ methode had moeten toepassen. Voor zover de klacht inhoudt dat bij de nadere vaststelling of schatting van de huurprijs deze methode altijd moet worden toegepast, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover de klacht inhoudt dat het hof in dit geval de ‘eigenlijke’ methode had moeten toepassen, faalt zij omdat het aan de feitenrechter is om te bepalen welke methode in de gegeven omstandigheden het meest passend is. Zie hiervoor in 2.8-2.9.4.
Nu de subonderdelen niet nader aangeven waarom onbegrijpelijk is dat het hof zich op het punt van de verbeteringen heeft aangesloten bij de deskundigen, faalt ook de motiveringsklacht van deze subonderdelen.
subonderdeel 2.3.2-IIberust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof, voor zover het subonderdeel veronderstelt dat in de redenering van de deskundigen en het hof ABM de verhoging van de huurprijs moet accepteren, omdat ook de huurders van de referentieobjecten (onverplicht) een verhoging van de huurprijs hebben geaccepteerd die was gebaseerd op door die huurders aangebrachte verbeteringen aan de referentieobjecten. Ik zie geen aanknopingspunten voor deze veronderstelling.
subonderdeel 2.3.2-IInog aanvoert dat ABM niet adequaat op het deskundigenrapport heeft kunnen reageren, omdat het rapport is gebaseerd op anonieme referentieobjecten, stuit de
subonderdelen 2.3.3a, 2.3.3b en 2.3.4klagen dat het hof niet of onvoldoende heeft gereageerd op de in deze subonderdelen bedoelde stellingen. Deze stellingen komen er in de kern op neer dat door de (onder)huurder(s) een compleet nieuw tankstation en daarna een compleet nieuw onbemand tankstation is opgericht (
subonderdeel 2.3.3a), dat de aard en de omvang van de verbeteringen door [verweerder] niet, althans onvoldoende is betwist (
subonderdeel 2.3.3b), dat Van der Ven de LPG installatie van [verweerder] heeft gekocht en dat alle verbeteringen door de huurders zijn aangebracht (
subonderdeel 2.3.4).
subonderdeel 3.3.3baanvoert, behoefde het hof de daarin bedoelde stellingen van ABM niet als zodanig op de voet van artikel 149 Rv Pro afzonderlijk vast te stellen. Het kon volstaan om met deze stellingen bij zijn beoordeling rekening te houden op de wijze zoals het hof dat heeft gedaan.
subonderdelen 2.3.3c en 2.3.4aan de bedoelde stellingen van ABM de rechtsklacht verbinden dat het hof had moeten oordelen dat er geen grond is voor een huurprijsverhoging c.q. dat de huurder niet gehouden is te betalen voor zelf (op zijn kosten) aangebrachte verbeteringen, stuit de klacht af op hiervoor (in 2.27) gegeven gronden.
onderdeel 2.4(dat bestaat uit de
subonderdelen 2.4.0, 2.4.1-I, 2.4.1-II, 2.4.2, 2.4.3) en in de
subonderdelen 2.5.0, 2.5.1-I, 2.5.1-IV, 2.5.1-V onder a en c, 2.5.2-I en 2.5.2-IIIklachten tegen de schatting van de huurprijs van het tankstation in rov. 6.10. De klachten betreffen (i) het aantal vergelijkingspanden, (ii) de lastenverdeling ten aanzien van het procedureobject, (iii) de vergelijking met het object te Born, (iv) enige overige klachten in onderdeel 2.4 en (v) de invloed van de accijnsverhoging in 2014.
2.4.0 onder (1) en 2.4.1-Iklagen dat het hof zijn schatting van de huurprijs van het tankstation slechts op twee vergelijkingsobjecten baseert en daarmee miskent dat de schatting dient te geschieden aan de hand van voldoende vergelijkbare panden.
2.4.0 onder (2) en 2.4.2 onder a.1 en a.2klagen, samengevat, dat het hof heeft miskend dat bij het bepalen van de huurprijs ook rekening moet worden gehouden met de verdeling van (onderhouds)lasten en dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd is dan wel het hof de devolutieve werking van het appel miskent, omdat het hof niet reageert op de essentiële stelling van ABM in eerste aanleg dat de verdeling van (onderhouds)lasten in dit geval anders dan gebruikelijk is nu alle onderhouds- en vervangingswerkzaamheden voor rekening van ABM als huurder zijn.
In het licht van het voorgaande behoefde hof het hof niet nader te motiveren waarom het deskundigenrapport op dit punt heeft gevolgd, zodat ook de motiveringsklacht niet opgaat.
subonderdelen 2.4.1-I en 2.4.1-IIklagen voorts dat het hof zijn schatting niet mede op het vergelijkingsobject te Born had mogen baseren omdat dit object niet vergelijkbaar is, althans zijn oordeel beter had moeten motiveren gezien de daartegen door ABM ingebrachte bezwaren. Het middel verwijst in dit verband naar de stellingen van ABM die worden genoemd in de
subonderdelen 2.4.2 onder b en c, 2.5.1-IV en 2.5.1-V onder a.
Subonderdeel 2.4.2klaagt dat het hof (onder meer) de onder b en c genoemde essentiële stellingen van ABM onbesproken heeft gelaten, waaruit volgt dat het object Born op geen enkele wijze vergelijkbaar is met het door ABM gehuurde.
Subonderdeel 2.5.1-IVklaagt eveneens dat het hof niet op dergelijke stellingen heeft gereageerd, terwijl
subonderdeel 2.5.1-V onder aklaagt dat het hof ten aanzien van een dergelijke stelling uit de eerste aanleg de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Hierop wijst ook
subonderdeel 2.5.0voor zover dit betrekking heeft op het tankstation.
De stellingen van ABM waarop deze klachten doelen houden in, kort gezegd, [38] (1) dat het terrein van het referentieobject vijfmaal zo groot is; (2) dat het referentieobject in goede staat verkeert; (3) dat bij het referentieobject een volledig geoutilleerd tankstation wordt verhuurd, inclusief Bonjourshop, Total wasstraat en garage met de nodige faciliteiten; en (4) dat de eigenaar van de grond eigenaar is van de exploiterende bedrijven, en dus een fiscaal belang bij een hogere huurprijs heeft.
Locatie minder goed. Marktgebied minder goed. Ook grensinvloeden.” en voorts “
Referentie-object tanken vergelijkbaar, overige gehuurde uitgebreider, daarom correctie 30%. Wellicht ten overvloede merken wij op dat de gebruikte correctiefactor voor het overige deel overeenkomt met ca. € 15k huur per jaar. Dit komt, bewust, overeen met de hieronder vastgestelde huurwaarde voor het overige onroerende goed.” Dit laatste verwijst naar de omstandigheid dat bij het referentieobject de shop en wasstraat in de totale huurprijs zijn inbegrepen. [40]
In eerste aanleg heeft ABM in verband met de hiervoor (in 2.40) genoemde stelling (4) over het fiscale belang van de verhuurder van het object Born aangevoerd dat dit zou moeten leiden tot een hogere correctie dan door deskundigen was toegepast. [41] [verweerder] heeft het gestelde box 3-belang bij de eigenaar/verhuurder betwist. [42] Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat deze stelling van ABM in het licht van de betwisting van [verweerder] onvoldoende is onderbouwd. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk. Evenmin heeft het hof de devolutieve werking van het appel miskend.
De hiervoor (in 2.40) bedoelde klachten ten aanzien van het tankstation van de
subonderdelen 2.4.1-I, 2.4.1-II, 2.4.2 onder b en c, 2.5.0, 2.5.1-IV en 2.5.1-V onder aslagen niet.
subonderdeel 2.5.1-Iverwijst naar de in 2.38-2.43 behandelde klachten, dient het eveneens te falen.
subonderdeel 2.4.2 onder ddat het hof onbesproken heeft gelaten de stelling dat [verweerder] de LPG-installatie aan [de B.V.] heeft verkocht en dat ABM deze dus niet van [verweerder] huurt, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit het deskundigenrapport, noch uit het arrest van het hof volgt dat de fysieke LPG-installatie mede aan de (verhoging van de) huurprijs ten grondslag is gelegd.
subonderdeel 2.4.3de klachten van subonderdeel 2.4.2 herhaalt, dient het eveneens te falen.
Voor zover dit subonderdeel aanvoert dat geen rekening is gehouden met het feit dat het huurcontract uit 1999 met Total (dat wil zeggen voor referentieobject Born) dateert uit een periode met totaal andere marktomstandigheden dan in de referentieperiode, dient het te falen omdat deze klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd en het middel niet verwijst naar vindplaatsen uit de procestukken waaruit blijkt dat deze klacht al in feitelijke instanties is aangevoerd.
subonderdeel 2.5.1-V onder cheeft het hof, samengevat, de devolutieve werking van het appel miskend, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door niet te responderen op de stelling van ABM (in haar conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie nrs. 40-43) dat de deskundigen ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de gevolgen van accijnsverhogingen die (met name) vanaf 2014 een negatieve invloed hebben gehad op de huurwaarde van tankstations in de grenssteek, zoals het gehuurde.
onderdeel 2.4,de
subonderdelen 2.5.0 en 2.5.1-I(voor zover deze zien op het tankstation) en de
subonderdelen 2.5.1-IV, 2.5.1-V onder a en c en 2.5.2- III.
onderdeel 2.5richten zich tegen de schatting van de huurprijs van de shop en wasstraat in rov. 6.10 (en rov. 6.14-6.16 en het dictum). Het hof overwoog:
subonderdelen 2.5.0, 2.5.1-I, 2.5.1-II en 2.5.1-IIIklagen, samengevat, dat de deskundigen zich in het deskundigenrapport ten aanzien van de shop en de wasstraat hebben gebaseerd op de vijf anonieme referentieobjecten, en dat het hof bij zijn schatting gebruik gemaakt van dat deskundigenrapport, hoewel ABM het gebruik van anonieme referentieobjecten steeds heeft bestreden (
subonderdelen 2.5.0 en 2.5.1-I), waarmee het hof de strekking van artikel 7:303 lid 2 BW Pro heeft miskend (
subonderdeel 2.5.1-II) alsmede het fair trial beginsel van artikel 6 EVRM Pro (
subonderdeel 2.5.1-III).
Subonderdeel 2.5.1-V onder bslaagt niet.
de subonderdelen 2.5.0 en 2.5.1-I(voor zover deze zien op de shop en wasstraat) en
2.5.1-I, 2.5.1-II, 2.5.1-III, 2.5.1-IV onder b, 2.5.2-I en 2.5.2-IIen daarmee
onderdeel 2.5.2.
subonderdelen 2.7.1, 2.7.2 en 2.7.3, samengevat, dat het hof, met miskenning van de devolutieve werking van het appel het in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde verweer van ABM dat een aanzienlijk deel van de kosten van de deskundigen onnodig is gemaakt, onbesproken heeft gelaten en de kostenveroordeling daarmee ontoereikend heeft gemotiveerd.
subonderdeel 2.7.3).
Deze gedachte spreekt ook uit (het hiervoor enigszins geproblematiseerde) artikel 7:304 lid 3 BW Pro, waarin deze bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Zoals hiervoor is opgemerkt, ontbreekt rechterlijk toezicht op de hoogte van de kosten echter in beginsel in het stadium waarin de rechter op verzoek van huurder of verhuurder overgaat tot benoeming van deskundigen (artikel 7:304 lid 2 BW Pro).
Voor dit toezicht biedt de procedure van artikel 7:303 BW Pro tot vaststelling van de huurprijs wel een gelegenheid, namelijk bij de kostenveroordeling op de voet van artikel 237 Rv Pro. Indien een partij een gemotiveerd bezwaar opwerpt ten aanzien van de kosten van het aan de ‘303’-procedure voorafgaande deskundigenonderzoek, ligt het m.i. voor de hand dat de rechter daar door middel van een (desnoods summiere) motivering op reageert. Daarmee wordt, zij het indirect, toepassing gegeven aan de gedachte van de wetgever dat de artikelen 195 en 199 Rv van overeenkomstige toepassing zijn op het advies dat wordt uitgebracht door de in artikel 7:304 BW Pro bedoelde deskundigen.
onderdeel 2.7bedoelde stellingen van ABM en de conclusie van het hof dat het de anonieme referentieobjecten buiten beschouwing moet laten.
onderdeel 2.7naar mijn mening.
onderdeel 2.7Hetzelfde geldt voor de louter voortbouwende klacht van
onderdeel 2.8voor zover dat is gericht tegen rov. 6.16 en het dictum. In zoverre slaagt het principale cassatieberoep. Het verwijzingshof zal alsnog gemotiveerd dienen te beslissen op het verweer van ABM ten aanzien van de kosten van het deskundigenbericht.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
subonderdelen 1.2-1.5(
subonderdeel 1.1bevat geen klacht).
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, klaagt
subonderdeel 1.3dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat (i) het hof niet kenbaar heeft beslist op de vordering van [verweerder] om een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het hof niet kenbaar is ingegaan op de in het subonderdeel genoemde stellingen die [verweerder] in dat kader heeft betrokken, kort gezegd, dat ABM in de onderhandelingen voorafgaand aan de vordering tot vaststelling van de huurprijs niet de redelijkerwijs in acht te nemen voortvarendheid heeft betracht.
Aanvullend klaagt
subonderdeel 1.4dat het oordeel onjuist is, voor zover hof ervan uitgaat dat het niet meer hoefde te beslissen op de vordering om een eerdere ingangsdatum te bepalen op de grond dat [verweerder] daarover alleen in eerste aanleg stellingen heeft betrokken, omdat het hof daarmee heeft miskend (i) de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel, (ii) dat [verweerder] bij pleidooi in appel nog heeft verzocht om ook te beslissen op de vordering om een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (iii) dat deze vordering is opgenomen in het petitum van de appeldagvaarding.
De vordering tot nadere huurprijsvaststelling is slechts ontvankelijk indien deze vergezeld gaat van een advies omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door een of meer door partijen gezamenlijk benoemde deskundigen (art. 7:304 lid 1 BW Pro). Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de benoeming van een deskundige, benoemt de rechter deze op verzoek van de meest gerede partij (art. 7:304 lid 2 BW Pro). In dat geval geldt de dag van dat verzoek voor de toepassing van onder meer art. 7:303 lid 4 BW Pro als de dag waarop de vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs is ingesteld en dus als ingangsdatum van de nieuwe huurprijs. De rechter die de huurprijs nader vaststelt kan op grond van art. 7:303 lid 4 BW Pro op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum van de huurprijs vaststellen.
Voor wat betreft de ingangsdatum (…)”en de vermelding van de vordering ten aanzien van de ingangsdatum van de nieuwe huurprijs in rov. 6.2.1 en 6.3 − dat het hof het punt van de ingangsdatum onder ogen heeft gezien en heeft geoordeeld dat er in dit geen geval geen reden was om voor de ingangsdatum af te wijken van de datum van het verzoek.
subonderdeel 1.2berust op een onjuiste lezing van het arrest en daarom niet opgaat.
subonderdeel 1.2terecht voorop stelt dat de rechter voldoende gemotiveerd dient te beslissen op een gemotiveerde vordering tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum dan die van het verzoek tot benoeming van deskundigen [63] en dat
subonderdeel 1.3terecht klaagt over een gebrek aan motivering nu het hof niet ingaat op de stellingen van [verweerder] op dit punt, die overigens door ABM zijn bestreden. [64] De rechter dient zijn oordeel dat kan worden uitgegaan van de datum van het verzoek te motiveren tegenover de stellingen van de partij die een andere ingangsdatum heeft gevorderd. [65] Overigens dient ook een keuze voor een van de datum van het verzoek afwijkende ingangsdatum gemotiveerd te worden. [66] Denkbaar is dat meer of minder strenge eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel om niet op grond van ‘bijzondere omstandigheden’ af te wijken van de in beginsel door de wet aangewezen ingangsdatum van de nieuwe huurprijs, al naar gelang men oordeelt dat van deze afwijkingsmogelijkheid minder of meer behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt. [67] Ook indien minder strenge eisen aan de motivering kunnen worden gesteld, dient de motivering wel enig inzicht te geven in de door de rechter gevolgde gedachtegang die hem bracht tot afwijzing van de vordering om een eerdere ingangsdatum vast te stellen.
In hoger beroep heeft [verweerder] grieven gericht tegen de afwijzing van zijn vordering en in het petitum van de appeldagvaarding mede gevorderd dat het hof een eerdere ingangsdatum voor de nader vast te stellen huurprijs bepaalt. De aldus omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep omvatte dus zowel de nadere vaststelling van de huurprijs als de ingangsdatum van een nieuwe huurprijs. Het hof heeft dit onderkend blijkens rov. 6.3 (waarin de betreffende vorderingen in hoger beroep worden weergegeven) en rov. 6.10 (waarin het hof eerst een nieuwe huurprijs vaststelt – dus oordeelt dat grief II slaagt; zie rov. 6.14, slot− en vervolgens de ingangsdatum adresseert).
Binnen de aldus getrokken grenzen van de rechtsstrijd, brengt de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat alle in eerste instantie door partijen aangevoerde stellingen, voor zover deze niet zijn prijsgegeven, in hoger beroep alsnog of opnieuw moeten worden beoordeeld. Dit geldt primair voor de verweren van ABM (geïntimeerde/gedaagde in eerste aanleg) tegen het bepalen van een eerdere ingangsdatum, maar ook voor de stellingen die [verweerder] (appellant/eiser in eerste aanleg) tegenover de gedevolueerde stellingen van ABM heeft aangevoerd. [68] Die stellingen van eiser kunnen n.m.m. ook (zoals in dit geval) besloten liggen in de dagvaarding en behoeven niet eerst te zijn aangevoerd in een stuk dat reageert op de conclusie van antwoord (een andere opvatting zou evident onpraktisch zijn).
subonderdeel 1.4berust op een onjuiste lezing van het arrest.
subonderdeel 1.3van het incidentele cassatiemiddel slaagt. Het verwijzingshof zal alsnog gemotiveerd dienen te beslissen op de vordering om een eerdere ingangsdatum vast te stellen.