Conclusie
1.Het cassatieberoep
1B “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen”
De verdachte en zijn echtgenote zijn de ouders en feitelijke verzorgers van [betrokkene 1] (6 jaar oud) en [betrokkene 2] (5 jaar oud). [2] Zij zijn aanhangers van het puritanisme. Beide kinderen zijn nooit ingeschreven op enige school omdat hun ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen of instellingen waarop hun minderjarige kinderen geplaatst zouden kunnen worden. De bewezenverklaarde feiten betreffen het ‘absolute’ schoolverzuim van [betrokkene 1] (1A) en [betrokkene 2] (1B), dat wil zeggen: het niet voldoen aan de verplichting tot inschrijving op een school in de zin van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). [3]
2.De procedure
hij in de periode van 25 november 2016 tot en met 29 mei 2017 in Nederland, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2010, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven;
hij in de periode van 1 februari 2017 tot en met 29 mei 2017 in Nederland, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2012, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.”
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
Nederland Pc/Woonplaats: [postcode] [plaats]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Nederland Pc/Woonplaats: [postcode] [plaats]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]
Pc/Woonplaats: [postcode]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]
Pc/Woonplaats: [postcode] [plaats]
Schoolloopbaan: geen
Huidige inschrijving: geen
Deze cliënten hebben op de rapportagedatum, 29 mei 2017, geen actuele inschrijving in ons registratiesysteem.
Bewijsoverwegingen(…)
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op de zogenaamde vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 toekomt.
Voorafgaand aan de formulering en behandeling van de verweren van de verdediging stelt het hof het navolgende algemene juridische kader voorop, zoals advocaat-generaal D.J.C. Aben op 30 maart 2021 onder “algemene beschouwingen over de vrijstellingsgrond ‘richtingsbezwaren’” bij het Parket bij de Hoge Raad heeft geformuleerd (ECLI:NL:PHR:2021:306):
(iii) bedenkingen tegen de richting van het onderwijs kunnen ook het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs betreffen. De bedenkingen kunnen derhalve ook gericht zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs;
(iv) onder ‘overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs’ kan
nietworden verstaan bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs;
(v) van 'overwegende bedenkingen’ is op grond van de hierover onder (i), (ii), (iii) en (iv) genoemde overwegingen dan ook pas sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing;
(vi) degene die zich op deze vrijstelling beroept, dient – gelet op het voorgaande – duidelijk aan te geven wat zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, zodat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen.
nietworden begrepen een voorkeur voor thuisonderwijs of een voorkeur uit pedagogische overwegingen. Ook de enkele omstandigheid dat de betrokken ouder zelf het bezwaar heeft aangemerkt als stoelend op een levensovertuiging brengt niet mee dat dit bezwaar reeds om die reden kan worden aangemerkt als een overwegende bedenking tegen de richting van het onderwijs op alle scholen die binnen een redelijke afstand van de woning zijn gelegen.”
o De strijdigheid met artikel 9 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is gelegen in de omstandigheid dat een te vergaande beoordeling van de naar voren gebrachte richtingsbezwaren leidt tot een te beperkte uitleg van de vrijstellingsbepaling van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 en aldus tot inbreuk op het recht op vrijheid van godsdienst, zoals bedoeld in artikel 9 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het hof is van oordeel dat het standpunt van de verdediging dat het hiervoor vermelde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de bewijslast dat het zou gaan om richtingsbezwaren volledig bij de verdachte wordt neergelegd en op geen enkele wijze bij het Openbaar Ministerie en hierdoor de schuld van de verdachte direct vast zou komen te staan, berust op een onjuiste opvatting. Zoals hiervoor vermeld brengt artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, met zich dat degene die het gezag uitoefent over dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht is om die jongere, zodra die leerplichtig is in te schrijven als leerling van een school en te zorgen dat het kind deze school geregeld bezoekt. Degene die hier niet aan voldoet, maakt zich schuldig aan overtreding van dit artikel. Het Openbaar Ministerie is degene die bewijsmiddelen moet aandragen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, Leerplichtwet 1969. Indien degene die zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van deze bepaling een beroep wenst te doen op een vrijstelling zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, ligt het (vervolgens) op de weg van deze persoon feiten en omstandigheden aan te dragen die – mits aannemelijk geworden – een beroep op deze vrijstelling rechtvaardigen.
Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat het bovengenoemde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met artikel 9 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens overweegt het hof als volgt.
Hierbij heeft de Hoge Raad nog opgemerkt dat de omstandigheid dat ouders op grond van artikel 9 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens de vrijheid hebben om hun – al dan niet gewijzigde – godsdienst of levensbeschouwing in het onderwijs aan hun kinderen tot uitdrukking te (laten) brengen en dat de overheid volgens artikel 2 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren dient te eerbiedigen, niet tot gevolg heeft dat ingeval zich binnen redelijke afstand van de woning niet een school bevindt waar onderwijs wordt gegeven dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zij zijn vrijgesteld van de in artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969 bedoelde inschrijfplicht en dat zij gerechtigd zijn hun kind uitsluitend huisonderwijs te (laten) geven. De overheid is onder die omstandigheden evenmin gehouden een binnen redelijke afstand van de woning gelegen school van de door die ouders gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting op te richten.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat ten aanzien van de overwegende bedenkingen van de verdachte in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 door de verdachte voldoende concrete en voldoende zwaarwegende richtingsbezwaren naar voren zijn gebracht, waardoor de verdachte bij de beoordeling hiervan vrijstelling van de inschrijfplicht toekomt, overweegt het hof als volgt.
In deze zaak is de vraag aan de orde of verdachte een beroep toekomt op de vrijstellingsgrond van artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet 1969. In het dossier heeft het hof de standpunten van de verdachte hieromtrent gelezen. In het verslag van een gesprek van 14 februari 2017 heeft de verdachte voor de
eerstemaal zijn standpunt omtrent zijn bedenkingen gegeven. Tijdens dit gesprek heeft de verdachte aangegeven dat voor hem en zijn vrouw de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid leidend zijn en dat zij middels de doopbelofte gehouden zijn hun kinderen op te voeden in leer en leven. Met betrekking tot de diverse scholen in de omgeving heeft de verdachte aangegeven dat het wel kan zijn dat deze scholen in hun statuten de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid als grondslag van de school aanhalen, maar dat dat niet genoeg is, omdat er op deze scholen niet echt naar geleefd wordt en dat het daar juist om gaat. Voorts heeft de verdachte aangegeven dat een mens niet wereldgelijkvormig mag worden, waarbij hij als voorbeelden het in de onderwijsmethoden opgenomen gebruik van internet, alsmede het gebruik van smartphones door andere leerlingen en leerkrachten, heeft genoemd. De
tweedekeer dat het standpunt van de verdachte naar voren komt in het dossier is ter terechtzitting in eerste aanleg bij de kantonrechter op 2 februari 2018, welke verklaring ongeveer gelijk is aan de eerder genoemde verklaring. Een nieuw element in deze verklaring is dat de verdachte naar voren heeft gebracht dat hij en zijn vrouw de eenvoud van het leven missen door de toename van digitalisering. Vervolgens heeft het hof een standpunt van de verdachte aangetroffen in een tweetal bijlagen, behorend bij het e-mailbericht van de raadsman van de verdachte van 26 oktober 2020. In bijlage 1 is een schrijven van de verdachte aan het hof van 7 december 2019 gevoegd, waarin de verdachte zijn levensovertuiging expliciteert waarop het richtingsbezwaar is gebaseerd, namelijk het Puritanisme. In bijlage 8 is een verklaring van de verdachte ten behoeve van de zitting van 7 januari 2020. opgenomen, welke zitting geen doorgang heeft gevonden. Deze verklaring is vorm gegeven aan de hand van de criteria van een arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019.
“Uit deze overweging (in het arrest van 19 februari 1980) kan worden afgeleid dat de rechter het gewicht van het bezwaar niet heeft te beoordelen. Uit de overweging die Uw Raad in het arrest van 17 december 2019 heeft geformuleerd, kan worden afgeleid dat Uw Raad van de rechter vraagt, te beoordelen of bezwaren voldoende zwaarwegend zijn. Uit de geciteerde overwegingen blijkt niet wat Uw Raad tot deze bijstelling heeft gebracht. Het kan zijn dat Uw Raad anno 2019 minder gewicht is gaan hechten aan de wetsgeschiedenis van de Leerplichtwet 1969. Het kan ook zijn dat Uw Raad deze wetsgeschiedenis anders is gaan lezen."In punt 27 is het volgende opgenomen:
“Dat Uw Raad van de rechter verlangt dat hij nagaat of de bedenkingen ‘voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat 'kan bieden’ lijkt mij derhalve te verenigen met de wetsgeschiedenis en de redactie van de wet. Inhoudelijk lijkt deze rechterlijke toets van de bezwaren mij gelukkig, gegeven de zwaarwegende belangen die met schoolbezoek gemoeid zijn."
Het betreft inderdaad een mengeling. Voor wat betreft de richting was ik niet goed in staat om mijzelf in woorden uit te drukken, maar nu word ik bijgestaan door een vertrouwenspersoon die hiertoe wel in staat is. Ik heb een schrijven bij mij, wat ik wens over te leggen omtrent de inhoud van het Puritanisme (…)
Ook het hof heeft onderzoek verricht naar de vraag omtrent het verschil tussen het Puritanisme en de Reformatorische richtingen. Uit algemeen toegankelijke bronnen op internet kan het een en ander worden afgeleid. Op www.refoweb.nl is aan dominee Van Rossem de vraag voorgelegd of er verschillen zijn tussen de puriteinen en de reformatoren. In zijn antwoord van 20 januari 2011 geeft hij aan dat er geen verschillen zijn, hoogstens accentverschillen. Op www.hhgnijkerk.nl, onder geloof, Drie Formulieren van Enigheid, is te lezen dat veel gereformeerde en reformatorische scholen van hun personeelsleden verlangen dat zij instemmen met deze geschriften. Wat zijn dan de overwegende bedenkingen van uw zijde tegen de richting van het onderwijs van deze scholen, als de personeelsleden van een reformatorische school deze formulieren onderschrijven?
De passiviteit van deze scholen geeft de overwegende bedenkingen. De leer en het leven in overeenstemming met de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid zijn niet terug te zien bij deze scholen, terwijl leer en leven juist tot activiteit moet leiden. Die activiteit moet ook zichtbaar zijn in alle aspecten van onderwijs. De geestelijke vorming van het kind moet voorop staan in het onderwijs; dat zien we niet terug op de scholen.
Het hof kan zich voorstellen dat u en uw vrouw vanwege geloofsovertuiging bezwaren hebben tegen openbare, katholieke en protestants-christelijke scholen, maar het hof heeft ook gekeken naar reformatorische scholen op redelijke afstand van de eigen woning. In de omgeving zijn verschillende reformatorische scholen die misschien niet ten volle een weerspiegeling zijn van de opvattingen van u en uw vrouw, maar op de grondslag van de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid zijn gevestigd.
Dat is nu juist het probleem, dat het niet een volle weerspiegeling betreft van onze overtuigingen. In het Puritanisme gaat het om een persoonlijke relatie met God door het geloof, waarbij intensieve Bijbelstudie hoort en een voortdurende zuivering van die leer. Bij de reformatorische scholen is te zien dat daarvan geen sprake is en dat is wat mijn vrouw en mij betreft een groot bezwaar. In deze richting ontbreekt de intentie dat het geloof volkomen verweven is in alle aspecten van het onderwijs, waarbij de geestelijke vorming van het kind voorop staat. Ook heb ik bezwaar tegen de houding van passiviteit in het handelen in deze richting. Ik vind deze strijdig met de normen, waarden en voorbeelden van gewenst actief gedrag die Jezus aangaf in het Evangelie en die een mens door middel van oefening moet kunnen naleven. God beschikt in mijn visie over het behoud van de mens en de vergeving van zijn zonden; de analogie van de tuin is hier van toepassing: God laat gewassen al dan niet groeien, de mens is niet in staat dit te sturen, maar wel kan en moet de mens de planten in de tuin water geven, zodat zij in elk geval niet door gebrek daaraan afsterven. Zo is het ook in de menselijke omgang. Als Christenen dienen wij levenswater te zijn voor de medemens, zodat diens hart voor het geloof in Christus open kan komen te staan en hij kan worden behoed. Ik mis het inzicht in deze boodschap van Jezus en de aansporing in het navolgen hiervan ter zeerste in deze reformatorische scholen. Ten slotte staat voor mij voorop het beginsel van de apostel Paulus, dat van de drie aspecten geloof, hoop en liefde, waarbij de liefde in de onderlinge omgang het allerbelangrijkste is. Ik mis dit voor mij essentiële uitgangspunt in deze reformatorische scholen. Voor wat betreft de mening van dominee Van Rossem wil ik opmerken dat iedereen wel kan zeggen dat er geen verschil bestaat tussen puriteinen en reformatoren, maar dat is in feite niet juist. Het betreft een dominee van de huidige tijd, terwijl het Puritanisme is ontstaan in de 17e eeuw.
Bij de zoekslag door het hof is speciaal gekeken naar personen die zelf in de reformatorische hoek verkeren en niet naar zomaar iemand. Het hof heeft geprobeerd zich een beeld te vormen van specifieke punten waarin het Puritanisme verschilt van reformatorische opvattingen. Indien dat verschil niet bestaat of als gering moet worden beschouwd, dient men zich af te vragen wat de overwegende bedenkingen zijn.
Met geestelijke passiviteit bedoel ik dat in de reformatorische wereld het er maar van afhangt of we zalig worden, daar kunnen we niets aan doen. Zij leven met de hoop dat God nog naar hen omkijkt. De wereldgelijkvormigheid gaat door in die richting, dat is een uitwerking van die passiviteit. Het Puritanisme zegt dat je met alles wat in je zit je God moet dienen en dit zie je niet terug in de reformatorische richting. Bij het Puritanisme is er sprake van afhankelijkheid van God, waarbij men volledig de wet en geboden van God actief dient na te leven. Er is sprake van een persoonlijke relatie met God, waarbij heel je leven, een inademing is van God.
In de reformatorische opvatting is dat toch niet anders? Als je uitgaat van de leer van de predestinatie en als je uitverkoren bent, waarom zou je dan het goede doen als je bent uitverkoren? Het antwoord van de catechismus is dan: uit dankbaarheid voor mijn uitverkiezing. Dat betekent ook dat een reformatorische opvatting niet kan blijven bij “ik ben uitverkoren, ik ga verder zondigen, want ik ben toch uitverkoren”. De uitverkiezing is het startpunt om je dankbaarheid voor je uitverkiezing te laten zien, wat een actieve houding vraagt.
De Heidelbergse Catechismus bestaat uit drie delen, namelijk ellende, verlossing en dankbaarheid. Die dankbaarheid is een beweging. Het lijkt vrij algemeen wat u naar voren brengt. Om het concreet te maken, wat doen volgens u de reformatorische scholen in de omgeving onvoldoende qua beweging met hun richting van onderwijs? Kunt u concreet maken met betrekking tot de uitvoering van lessen dat de reformatorische scholen onvoldoende die activiteit laten zien met het geloof?
De raadsman deelt mede:
Mijn cliënt heeft zojuist al aangegeven dat het om de passiviteit van deze scholen gaat.
U vraagt mij of ik de afgelopen tijd het gesprek heb gezocht met reformatorische scholen in de omgeving om voldoende concreet af te tasten of mijn geloofsovertuiging een optie zou kunnen zijn bij deze scholen. Ik heb een gesprek gehad op de Ds Koelmanschool in Gorinchem en toen kwam ik erachter dat er sprake was van passiviteit.
Na een zoekslag op internet is gebleken dat ook de Ds Johannes Groenewegenschool in Werkendam, de Oranje Nassauschool te Veen en de Koningin Wilhelminaschool in Hardinxveld-Giessendam scholen betreffen waarbij de grondslag wordt gevormd door de Bijbel en de Drie formulieren van Enigheid.
In het Puritanisme wordt gedoeld op de persoonlijke relatie met God en de strikte levensheiliging daarnaast. Het is een leer en die moet ook nageleefd worden. Deze scholen laten die activiteit onvoldoende zien. De Drie formulieren van Enigheid worden voorgeschreven, maar daar is niets van terug te zien. Om een voorbeeld te noemen: zondag is een speciale dag die gegeven wordt van God, maar bij het Puritanisme leidt dat niet tot een verschil met de andere dagen van de week, bijvoorbeeld met betrekking tot de intensieve Bijbelstudie die op elke dag van de week moet plaatsvinden. Dat is in reformatorische kringen anders omdat je eigenlijk geen verschil ziet tussen reformatoren en andere mensen. Bij reformatorische scholen worden de Bijbel en de Drie formulieren van Enigheid onderschreven, maar er is niets van terug te vinden in het onderwijs. Een directeur kan bijvoorbeeld wel zeggen dat hij het onderwijs zal geven zoals mijn vrouw en ik dat wensen, maar dan staan de leerkrachten er nog niet hetzelfde in. Ik weet wat voor onderwijs gegeven wordt op deze scholen. De zuivering van die leer en de levenshandeling direct daarnaast is een eenheid, net als dat een man en vrouw een eenheid moeten zijn. Een school kan dat onderschrijven, maar ze kunnen vervolgens anders handelen. Ik heb diverse personen gesproken, waaronder ook leerkrachten, en de richting van het onderwijs komt niet overeen met de geloofsrichting die wij aanhangen. Als men het geloof niet aanhangt zoals wij dat beleven, is het niet te begrijpen.”
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Bespreking van het tweede middel
aardvan de bezwaren die verband houden met het onderwijs dat door een school aangeboden wordt. Het zijn deze bezwaren waaraan de eis wordt gesteld dat deze voldoende concreet en zwaarwegend dienen te zijn. Daarbij heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de bedoelde vrijstelling kennelijk zo beperkt mogelijk wil houden met het oog op het belang van een kind bij aanspraak op onderwijs. Dat neemt niet weg dat de rechter deze bezwaren nog steeds niet
inhoudelijkmag toetsen en wegen. [33] Dat heeft het hof in onderhavige zaak mijns inziens ook niet gedaan.
juistheeft toegepast zonder daarbij – in strijd met de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie – de overwegende bedenkingen inhoudelijk te toetsen.