Conclusie
Inleiding
Het middel
Het aanhoudingsverzoek
De bespreking van het middel
terechtzittingdoor de verdediging het aanhoudingsverzoek gedaan met het oog op het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van een
verdachte. Uitsluitend voor die situatie is het door de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
NJ2019/285, m.nt. Mevis uiteengezette beoordelingskader (met inbegrip van een onder omstandigheden door de (straf)rechter te maken belangenafweging) geschreven. De Hoge Raad overweegt in rov. 2.1. van dat overzichtsarrest immers: “Het gaat bij deze opmerkingen uitsluitend om verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen”.
Enkele opmerkingen ten overvloede
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro is voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister zal bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, zich een
voltooideinbreuk op diens fundamentele rechten voordoet, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM Pro zijn toegekend, geldt dat wanneer het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, het aan de uitleveringsrechter is te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Ook hier is slechts ruimte voor een oordeel van de uitleveringsrechter indien het gaat om een beroep op een
voltooideflagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en). [4]
Slotsom