ECLI:NL:PHR:2022:572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
22/01451
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:7 WvggzArt. 7:11 WvggzArt. 44 lid 2 SvArt. 45 lid 4 SvArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking zorgmachtiging wegens ontbreken onderzoek naar wens betrokkene voor nieuwe advocaat

Betrokkene werd een zorgmachtiging opgelegd door de rechtbank Gelderland na een verzoek van de officier van justitie. Tijdens de mondelinge behandeling via beeldbellen was betrokkene niet bereid zich te laten horen en verbleef zij op het toilet. De toegevoegde advocaat verklaarde dat betrokkene niet langer wenste dat zij haar bijstond. De rechtbank ging desalniettemin over tot inhoudelijke behandeling en verleende de zorgmachtiging.

Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de rechtbank had moeten onderzoeken of zij een andere advocaat wenste voordat zij tot verlening van de zorgmachtiging overging. De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 1:7 Wvggz Pro de rechter verplicht is te onderzoeken of betrokkene een andere raadsman wenst indien zij aangeeft de toegevoegde advocaat niet langer te willen. Dit onderzoek had moeten blijken uit de beschikking.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit onderzoek niet had verricht en dat dit een schending van de procesregels is. Ook het ontbreken van dit onderzoek maakt de vrijheidsbenemende maatregel niet rechtmatig in de zin van art. 5 EVRM Pro. Daarom werd de beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Gelderland voor een nieuw onderzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor onderzoek naar de wens van betrokkene voor een andere advocaat.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01451
Zitting13 juni 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
(hierna: betrokkene)
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland
(hierna: de officier van justitie)
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze zaak heeft tijdens de zitting de aan betrokkene toegevoegde advocaat verklaard dat betrokkene uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij niet langer wil dat de advocaat haar bijstaat. Betrokkene klaagt dat de rechtbank ten onrechte de mondelinge behandeling heeft voortgezet, het verzoek inhoudelijk heeft behandeld en beslist heeft tot verlening van een zorgmachtiging zonder onderzoek te doen of betrokkene een andere advocaat wenste.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) op 11 januari 2022, heeft de officier van justitie een zorgmachtiging aansluitend op de voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:11 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene verzocht voor de duur van zes maanden.
1.2
De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom COVID-19 via beeldbellen plaatsgevonden op 19 januari 2022.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:
- de advocaat van betrokkene;
- [ANIOS psychiatrie] , als ANIOS psychiatrie verbonden aan Pro Persona.
1.4
De officier van justitie is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig vond.
1.5
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Tijdens de mondelinge behandeling verbleef betrokkene op het toilet en reageerde zij niet op het verzoek van de verpleging om de mondelinge behandeling bij te wonen. De behandelaar gaf tijdens de mondelinge behandeling ook aan dat betrokkene eerder al meerdere keren heeft aangegeven dat zij niet aanwezig wil zijn bij de mondelinge behandeling. Om die reden is de mondelinge behandeling voortgezet buiten de aanwezigheid van betrokkene
1.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat verklaard dat betrokkene uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij niet langer wil dat de advocaat haar bijstaat. Omdat de rechtbank de advocaat heeft toegevoegd, is de advocaat bij de behandeling aanwezig. De advocaat voelde zich echter niet vrij om een standpunt namens betrokkene in te nemen.
1.7
Bij beschikking van 19 januari 2022 heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend voor de vormen van verplichte zorg zoals verzocht door de officier van justitie.
1.8
Namens betrokkene is tijdig [1] beroep in cassatie ingesteld van voormelde beschikking van 19 januari 2022, waarbij een voorbehoud is gemaakt om de klachten te mogen aanpassen, wijzigen dan wel nader te onderbouwen na ontvangst van het proces-verbaal. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
1.9
Het proces-verbaal is eerst op 7 juni 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De cassatieadvocaat heeft op 8 juni 2022 aangegeven dat hij afziet van een inhoudelijke reactie omwille van de voorspoedige behandeling van de zaak.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen.
2.2
Onderdeel 1klaagt dat de rechtbank niet kon en mocht beslissen tot de verlening van de zorgmachtiging zonder betrokkene eerst in de gelegenheid te stellen zich door een andere raadsman te laten bijstaan. Door bij mondelinge uitspraak op 19 januari 2022 en in haar beschikking van die datum de zaak inhoudelijk te beoordelen en beslissen (op de wijze en de gronden als zij deed), heeft de rechtbank miskend dat na de melding ter zitting door de aan betrokkene toegevoegde advocaat dat betrokkene uitdrukkelijk had aangegeven niet langer te willen dat zij haar zou bijstaan, zij niet kon en mocht beslissen tot de verlening van de zorgmachtiging zonder betrokkene eerst in de gelegenheid te stellen zich door een andere raadsman te laten bijstaan, c.q. te onderzoeken of betrokkene de toevoeging van een nieuwe advocaat wenste.
2.3
Immers, ingevolge art. 1:7 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien ten aanzien van een betrokkene een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene als niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Ten aanzien van de vergelijkbare bepaling in art. 8 lid 3 Wet Pro Bopz (oud) in verbinding met art. 45 lid Pro 4 (oud) Sv is in HR 19 december 2014,
NJ2015/35 uitgemaakt dat, naar een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepalingen, de rechter in de situatie dat de betrokkene te kennen geeft niet meer door de toegevoegd advocaat te willen worden bijgestaan, moet onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst en in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te laten blijken; dat geldt ook in het geval de betrokkene te kennen geeft 'zelf een advocaat te willen regelen' maar de eerder toegevoegde raadsman nog niet is teruggetreden. HR 17 september 2021,
NJ2021/305 bevestigt dat de rechtspraak onder de Wet Bopz (oud) ten aanzien van art. 1:7 lid 1 en Pro lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv Pro haar gelding heeft behouden.
2.4
Onderdeel 2bevat een voortbouwklacht inhoudende dat door het in onderdeel 1 aangevoerde de rechtbank met haar oordelen/beslissingen (dan ook) niet heeft geoordeeld en beslist "
in accordance with a procedure prescribed by law" en de vrijheidsbenemende maatregel krachtens de verleende zorgmachtiging niet kan worden aangemerkt als “
a lawful detention of [a person] of unsound mind” in de zin als bedoeld in art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, en de daarop gevormde (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad en die van het EHRM. [2]
Rechtskader: bijstand door advocaat in Wvggz-zaken
2.5
Uw Raad heeft op 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273, geoordeeld:
“3.2 Ingevolge art. 1:7 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien ten aanzien van een betrokkene een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft.
Art. 8 lid 3 Wet Pro Bopz (oud) bevatte een vergelijkbare bepaling. De Hoge Raad heeft ten aanzien van deze bepaling in verbinding met art. 45 lid Pro 4 (oud) Sv, geoordeeld dat een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepalingen meebrengt dat, indien de betrokkene te kennen geeft niet meer door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst, en dat de rechter in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek dient te doen blijken. Dat is ook het geval indien de betrokkene te kennen geeft “zelf een advocaat te willen regelen”, maar de eerder toegevoegde raadsman (nog) niet is teruggetreden. [3]
Deze rechtspraak heeft onder art. 1:7 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz Pro en art. 44 lid 2 Sv Pro haar gelding behouden.
3.3 (…) In aanmerking genomen dat een persoon ten aanzien van wie een zorgmachtiging wordt verzocht niet steeds in staat zal zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen, had de rechtbank zelf betrokkene ervan in kennis moeten stellen dat een procedure als deze niet met een dagvaarding, maar met een verzoekschrift aanvangt, en moeten onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Vervolgens had de rechtbank in haar beschikking van het resultaat van dit onderzoek moeten doen blijken.”
2.6
Uit jurisprudentie van het Europese Hof volgt dat afstand van een in het EVRM beschermd recht uit vrije wil en ondubbelzinnig moet zijn gedaan en met minimumgaranties zijn omgeven die in verhouding staan tot het belang van het recht dat wordt prijsgegeven. [4]
2.7
Uit de rechtspraak volgt dat niet lichtvaardig mag worden omgegaan met de vraag of het onderzoek naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenst nog zin heeft als betrokkene weigert gehoord te worden. [5] In ieder geval mag niet te snel de conclusie worden getrokken dat pogingen om de betrokkene te vragen naar een andere advocaat in een dergelijke situatie geen zin zullen hebben, zodat een onderzoek achterwege kan blijven. Het resultaat van het onderzoek, of en hoe de rechtbank zich heeft ingespannen om bij betrokkene navraag te doen of een andere advocaat gewenst is, moet uit de beschikking blijken.
2.8
In de onderhavige zaak blijkt noch uit het proces-verbaal, noch uit de beschikking dat de rechtbank een dergelijk onderzoek heeft gedaan. De rechtbank stelt enkel in rov. 2.4 vast dat de advocaat heeft verklaard dat betrokkene uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij niet langer wil dat de advocaat haar bijstaat, maar verbindt daar in lijn met de uitspraak van Uw Raad van 17 september 2021 niet de conclusie aan dat onderzocht dient te worden of betrokkene een andere advocaat wenst en gaat onmiddellijk over tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Nu de rechtbank ten onrechte een dergelijk onderzoek niet heeft gedaan, althans dit niet uit de motivering van de beschikking blijkt, slaagt de klacht in onderdeel 1 en in het voetspoor ook de klacht in onderdeel 2.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 19 januari 2022 van de rechtbank Gelderland en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De procesinleiding is op 19 april 2022 binnen de driemaandentermijn van art. 426 Rv Pro via het webportaal ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
2.Het middel verwijst naar EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980/114 (
3.In de uitspraak wordt verwezen naar onder meer HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, rov. 3.8 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, rov. 3.5-3.6.
4.Zie ook de conclusie van A-G Snijders voor HR 18 juni 2021; Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:616, onder 3.16-3.19. In voetnoot 14 wordt verwezen naar HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, NJ 2018/99, en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2087, NJ 2019/161 m.nt. J. Legemaate.
5.Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:616, onder 3.20.