Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1A-1C), de vordering van [eiser 2] en [eiser 3] ter zake van gemiste huurinkomsten (
onderdelen 2A-2B), de vordering van [eiser 2] en [eiser 3] met betrekking tot gederfde winst uit hun horecaonderneming (
onderdelen 3A-3C) en de vordering van [eiser 2] en [eiser 3] tot vergoeding van schade ter zake van bij de ontruiming van het gehuurde door De Woonplaats afgevoerde zaken (
onderdeel 4).
Onderdeel 5bevat een voortbouwklacht.
onderdelen 1A-1Crichten klachten tegen het oordeel van het hof dat de schade van [eiseres 1] (maximaal) moet worden vastgesteld op de gederfde winst van haar kamerverhuurbedrijf voor de periode van één jaar. Het hof komt tot de slotsom (i) dat [eiseres 1] niet zou hebben kunnen overgaan tot de benodigde investeringen om het gehuurde te laten voldoen aan de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente gestelde eisen op het gebied van brandveiligheid, bouwvergunningen en andere (bouw)voorschriften, (ii) dat uiterlijk een jaar na de sloop van het pand, dus op 13 november 2007, de huurovereenkomst zou zijn geëindigd omdat Burgemeester en Wethouders van de gemeente bestuursdwang zouden hebben toegepast in verband met het ontbreken van de benodigde vergunningen dan wel De Woonplaats rechtsgeldig de huurovereenkomst zou hebben ontbonden vanwege het niet nakomen van de verplichtingen van de huurovereenkomst en (iii) dat daarom de schade van [eiseres 1] (maximaal) moet worden vastgesteld op de gederfde winst voor de periode van een jaar, dat wil zeggen € 25.600,- (rov. 4.9).
Zonshofje I, waaruit, kort gezegd, volgt dat afdeling 7.4.5 BW inzake de huur van woonruimte van toepassing is op een hoofdhuurovereenkomst ter zake van een complex van zelfstandige en/of onzelfstandige woonruimten, dat niet voldoet aan de definitie van woonruimte, als de hoofdhuurder dat complex (in onderdelen) als woonruimte onderverhuurt. [3]
onderdeel 1Btegen rov. 4.7 en
onderdeel 1Ctegen rov. 4.8.
onderdelen 1A-1Cen het daarop voortbouwende
onderdeel 2A, gaat naar mijn mening niet op.
De stelling dat [eiseres 1] en [eiser 2] en [eiser 3] c.s. met elkaar kunnen worden vereenzelvigd, stuit erop af dat het hof – onbestreden – heeft vastgesteld dat sprake is van een separate huurovereenkomst en onderhuurovereenkomst, en uit het arrest niet volgt dat [eisers] met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.
Onjuist is de stelling dat [eisers] in de memorie van grieven alleen hebben gesteld dat aanpassingen in verband met brandveiligheid voor rekening van De Woonplaats zouden zijn gekomen (zie hierna in 2.7.2).
De stelling dat het sowieso tot bestuursdwang dan wel ontbinding zou zijn gekomen omdat [eiser 2] niet voor de in verband met de brandveiligheid benodigde aanpassingen van het bedrijfsgedeelte had zorg gedragen en daarin had verbouwd zonder de vereiste vergunning, wat daarvan ook zij, berust op een feitelijk novum waarvoor in cassatie geen plaats is. Het hof heeft hieraan geen overweging gewijd.
onderdelen 1B en 1C.
onder 6) dat de overweging in rov. 4.7 dat [eiseres 1] in ieder geval de gebreken die door haar eigen verbouwingen waarvoor vergunningen ontbraken, zijn ontstaan, zal moeten herstellen en dat zij de investeringen die nodig waren voor het herstel van die gebreken voor eigen rekening had moeten doen, het eindoordeel in rov. 4.8-4.9 niet zelfstandig kan dragen. Daartoe voert het onderdeel aan dat het hof niet heeft vastgesteld welke gebreken er waren, welke kosten met het herstel daarvan gemoeid zouden zijn en in hoeverre en binnen welke termijn dat herstel noodzakelijk was. Verder voert het onderdeel aan dat het hof niet motiveert waarom het herstel van deze gebreken, in de situatie dat de in rov. 4.9 genoemde investeringen voor rekening van De Woonplaats zouden komen, desondanks zou leiden tot een beperking van de schade voor de periode van één jaar.
onderdeel 1.C (onder 7)kunnen de overwegingen in rov. 4.8 de conclusies in rov. 4.8 (slot) en rov. 4.9 niet dragen.
onder 8) lijkt te veronderstellen, staat aan deze overwegingen niet in de weg dat het rapport van Imotep verzuimt te specificeren om welke investeringen het gaat. Ook de stelling dat deze kosten voor rekening van de verhuurder komen, gaat (in ieder geval) niet op voor zover het betreft de in rov. 4.7 bedoelde gebreken, nu onderdeel 1B niet slaagt.
De klachten
onder 8, 9 en 10berusten op een onjuiste lezing van het arrest en falen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, anders dan deze klachten veronderstellen, wel onderkend dat een deel van de benodigde investeringen de horecaonderneming betroffen en niet de verhuurde woonruimte (zie hiervoor in 2.8).
Onderdeel 1Cslaagt niet.
Onderdeel 1Abehoeft daarom geen bespreking. Ik zie daarom af van bespreking van dit onderdeel. Desverzocht kan ik op dit punt aanvullend concluderen.
onder 11) een voortbouwklacht, die inhoudt dat het oordeel van het hof in de eerste twee zinnen van rov. 4.12 – dat [eiser 2] gedurende één jaar huurinkomsten zou hebben gederfd van [eiseres 1] − niet in stand kan blijven als onderdelen 1A-1C slagen.
onder 12-13) over de overweging in rov. 4.12 en 4.18 dat [eisers] na de beëindiging van de onderhuur door [eiseres 1] na maximaal een jaar alleen met toestemming van De Woonplaats aan een nieuwe onderhuurder voor het woongedeelte op de eerste en tweede verdieping (rov. 4.12) en voor het bedrijfsgedeelte op de begane grond (rov. 4.18) had mogen onderverhuren. Daartoe verwijst het onderdeel, kort gezegd, naar het uitgangspunt van art. 7:221 BW Pro dat onderverhuur toelaat en naar de overeenkomst tussen [eisers] en PK Holding.
onderverhuurder ( [eiser 2] en [eiser 3] ) zouden worden gedaan. In de tweede plaats overweegt het hof, ten overvloede, dat De Woonplaats erop heeft gewezen dat zij geen toestemming voor onderverhuur van het bedrijfsgedeelte zou hebben gegeven.
De verwerping op de eerste grond volgt uit de rov. 4.14-4.16. Voor het bedrijfsgedeelte was een investering van € 250.000,- (afwerking van vloeren en wanden, verlichting en geluid, barmeubels, sanitair etc.) en € 300.000,- (inventaris) door [eisers] vereist (rov. 4.14, zie ook rov. 4.8). [eisers] hebben niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat zij deze investeringen hadden kunnen betalen (rov. 4.15), zodat het hof ervan uitgaat dat zij geen geld hadden om de vereiste investeringen te betalen (rov. 4.16). Dit oordeel, dat vergeefs wordt bestreden door de onderdelen 3A-3C (zie hierna in 2.18 e.v.), kan de verwerping van de stelling van [eisers] dat zij de begane grond voor een periode van vier jaren hadden kunnen verhuren aan een andere partij, zelfstandig dragen.
Bij deze stand van zaken ontbreekt belang bij de klacht tegen het, ten overvloede gegeven, oordeel in rov. 4.18 over het vereist zijn van toestemming van de hoofdverhuurder voor het aangaan van een onderhuurovereenkomst.
onderdelen 2A en 2Bslagen niet.
onderdelen 3A-3Ckomen op tegen het oordeel in rov. 4.14-4.19 dat [eiser 2] en [eiser 3] geen schade hebben geleden als gevolg van het verlies van hun onderneming. De klachten betreffen de hiervoor al genoemde rov. 4.14-4.16.
onder 14kan het oordeel geen stand kan houden indien, kort gezegd, [eiseres 1] de exploitatie langer dan een jaar had kunnen voortzetten.
onder 15is het oordeel onjuist of onbegrijpelijk, omdat het hof onvoldoende rekening zou houden met de stellingen van [eisers] dat zij op langere termijn (langer dan een jaar) wel voldoende middelen zouden hebben om de vereiste investeringen te betalen. In de memorie van grieven nrs. 50, 61 en 67-69, waarnaar de procesinleiding verwijst, hebben [eisers] samengevat het volgende gesteld.
(i) Met de aanwezige inventaris had een ander soort onderneming kunnen worden gedreven (zoals een snackbar of pizzeria), waarvoor geen grote investeringen nodig waren. Eventuele benodigde inventaris konden [eiser 2] en [eiser 3] binnen afzienbare tijd aanschaffen, al dan niet met behulp van een lening.
(ii) Als het gehuurde niet was gesloopt, dan hadden [eiser 2] en [eiser 3] deze andere onderneming vanaf 1 januari 2007 kunnen exploiteren. Vanaf 1 januari 2008 hadden zij dan de oorspronkelijke onderneming kunnen hervatten.
(iii) Uit de brandveiligheidsrapportage van de brandweer volgt dat slechts beperkte investeringen van hooguit enkele duizenden euro’s vereist zijn om (de begane grond van) het gehuurde ten behoeve van de brandveiligheid aan te passen.
(iv) Er was geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [eiser 2] en [eiser 3] er niet in zouden slagen de benodigde vergunningen te verkrijgen.
(v) Voorafgaand aan de sluiting in 2004 werden aanzienlijke winsten behaald. Het was redelijkerwijs de verwachting dat de onderneming weer vergelijkbare winsten zou behalen. De verwachting was dat zij binnen twee jaar na het hervatten van de exploitatie weer eenzelfde winstniveau zouden kunnen behalen.
onder 16) in het verlengde van het voorgaande dat het hof, althans bij het slagen van een van de voorgaande onderdelen, gemotiveerd had moeten ingaan op de stellingen van [eisers] die erop neerkomen dat op grond van de beschermende bepalingen van het huurrecht eerst had moeten worden vastgesteld welke investeringen door welke partij moeten worden gedragen. Het gaat volgens het onderdeel om essentiële stellingen, omdat [eisers] meer financiële armslag zouden hebben gehad als de aanzienlijke kosten van de investeringen voor rekening van De Woonplaats zouden komen.
onder 17dat het oordeel onbegrijpelijk is voor zover het hof in rov. 4.8 heeft geoordeeld dat sprake was van specifieke, van de wettelijke regeling afwijkende, afspraken tussen [eiser 2] en PK Holding of De Woonplaats ten aanzien van de kosten van de investeringen van de bedrijfsruimte op de begane grond.
onder 18een voortbouwklacht, die inhoudt dat rov. 4.18 niet in stand kan blijven als de klachten van onderdeel 2B dan wel de onderdelen 3A-3B slagen.
onder 19getuigt het oordeel in rov. 4.28 van een onjuiste rechtsopvatting, omdat als uitgangspunt geldt dat bij de ontruiming van een woning zaken van de huurder in beginsel niet mogen worden weggegooid, tenzij deze kennelijk waardeloos zijn of de huurder er afstand van heeft gedaan, zodat het op de weg van De Woonplaats lag om te stellen en bewijzen welke zaken na de ontruiming zijn opgeslagen, en dat die zaken kennelijk waardeloos waren of dat [eisers] daarvan afstand hadden gedaan.
onder 20is, naar ik begrijp, ook voorgesteld voor het geval de zojuist besproken klacht niet opgaat.
Bij memorie van antwoord (nrs. 140-149) heeft De Woonplaats betwist dat de afgevoerde en vernietigde zaken een waarde vertegenwoordigden van € 100.000 en gesteld dat zich op de begane grond geen zaken bevonden met een waarde van enige substantiële omvang, zoals waardevolle inventaris of bars, hetgeen zou blijken uit overgelegde videobeelden. De Woonplaats heeft gesteld dat er geen documenten meer zijn waarmee zij kan aantonen dat er zaken in bewaring zijn gegeven. Zij wijt dit aan het feit dat de schadestaatprocedure pas eind 2016 is gestart. Daarnaast heeft De Woonplaats gesteld dat [eisers] de zaken zeker zouden hebben opgehaald als deze een substantiële waarde vertegenwoordigden, en dat uit het feit dat [eisers] de zaken niet hebben opgehaald dus volgt dat geen sprake is van zaken die een substantiële waarde vertegenwoordigen.
Blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 12 januari 2021 (blad 5) zijn de door De Woonplaats bedoelde beelden – het bleek om foto’s te gaan − ter zitting van het hof bekeken.
onder 20dat De Woonplaats het bestaan van de bars, geluidsisolatie en lambrisering etc. op zichzelf niet heeft betwist. In zoverre mist deze klacht feitelijke grondslag.
Het onderdeel klaagt mijns inziens terecht dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eisers] ten aanzien van de aanwezigheid van ‘overige inventaris’, waarmee het hof kennelijk doelt op de andere zaken dan de bars, toonbank, geluidspanelen en lambrisering. In deze procedure staat immers vast dat, tegen aanzienlijke kosten (€ 8.000,-), zaken bij de ontruiming zijn afgevoerd en opgeslagen.
Daarentegen is op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het hof de verwijzing door [eisers] naar de bouwtekening en naar de (bij memorie van grieven overgelegde, maar niet nader toegelichte) foto’s onvoldoende heeft geacht om te kunnen vaststellen dat bij de ontruiming drie bars, een toonbank, geluidspanelen en lambrisering zijn afgevoerd. Een beoordeling van de klacht in dit opzicht zou overigens ook achterwege kunnen worden gelaten, gezien het navolgende.
Het hof heeft echter niet vastgesteld dat de afgevoerde zaken geen enkele waarde vertegenwoordigden of dat [eisers] afstand van de zaken hebben gedaan. In dit licht valt niet in te zien dat [eisers] door de vernietiging van de opgeslagen zaken in het geheel geen schade hebben geleden. Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat weliswaar aannemelijk is dat [eisers] als gevolg van de vernietiging van de zaken schade hebben geleden, maar de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, had het hof de omvang van de schade op de voet van artikel 6:97 BW Pro moeten schatten. Daaraan staat niet in de weg hetgeen het hof in rov. 4.28 overweegt, in het bijzonder dat er geen boekhouding/administratie is (overgelegd) waaruit de waarde van de inventaris zou kunnen worden afgeleid. In zoverre slaagt de klacht
onder 20.
onder 21een voortbouwklacht die slaagt voor zover zij voortbouwt op onderdeel 4. Dit betreft overigens niet de in rov. 4.21 bedoelde buitengerechtelijke kosten.
onderdeel 4van het middel slaagt, en dat de overige onderdelen van het middel niet tot cassatie kunnen leiden. Het bestreden arrest moet worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.