De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor oplichting en het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet door het runnen van een hennepkwekerij.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van de door haar voorgestelde straf en dat de redelijke termijn was overschreden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde gezien de ernst van de feiten, waaronder een grootschalige hennepkwekerij en oplichting van een bank voor meer dan €400.000, en het eerdere strafblad van de verdachte. Echter, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, vermindert de Hoge Raad de gevangenisstraf van 18 maanden naar 15 maanden.
De Hoge Raad wijst erop dat het hof niet verplicht was om in detail te reageren op alle strafvoorstellen van de verdediging, mits de motivering voldoende is. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie leidde tot strafvermindering. Het arrest wordt vernietigd en het hof wordt opgedragen de straf te herzien in overeenstemming met deze uitspraak.