Conclusie
de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten” (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98 (
Goglio/SMQ Group). Tot slot voeren Spits c.s. rechts- en motiveringsklachten aan tegen de oordelen van het hof dat Boots op grond van haar opzegging van de afnameovereenkomsten onrechtmatig jegens Tiel heeft gehandeld, dat Boots daarom aansprakelijk is voor het nadeel dat Tiel door de opzegging van de franchiseovereenkomst heeft ondervonden en dat de omvang van deze aansprakelijkheid op dezelfde wijze moet worden bepaald als die van Spits. Ik kom tot de conclusie dat deze klachten geen doel treffen.
Tiel, hof] of vice versa, en dit minstens één maand voor het verstrijken van de Duur van de huur, wordt deze Overeenkomst beschouwd als stilzwijgend vernieuwd voor een periode van telkenmale 12 maanden. Indien de overeenkomst al dan niet stilzwijgend wordt vernieuwd, kon deze overeenkomst tegen het einde van ieder kalenderjaar worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.
Alliance, toevoeging hof].
te geschieden, toevoeging hof].
Boots, toevoeging hof], voor de belevering van de vestigingen aangeduid in de aangehechte bijlage, gebruik maakt/gaat maken van SPITS Apeldoorn.
Boots, toevoeging hof] van de overeenkomsten met SPITS B. V. (...)
Boots, toevoeging hof]. Nu jij als geen ander de markt kent, zou het voor Tiel mogelijk moeten zijn om met een commercieel aantrekkelijke reactie te komen. Spits dient rekening te houden met alle mogelijke scenario s; dus ook dat de klant ‘buiten’ Spits een offerte aanvraag zal doen. Mocht een reactie van Tiel derhalve uitblijven en/of niet concurrerend zijn, dan ziet Spits zich genoodzaakt om in voorkomend geval haar verantwoordelijkheid richting de klant te nemen en zal zij overwegen een offerte uit te (laten) brengen. Uiteraard is Spits zich ervan bewust dat zij Tiel alsdan niet kan dwingen om die prijs te accepteren.”
Boots, toevoeging hof] niet bedienen zo lang de relatie tussen SPITS Tiel en SPITS BV voortduurt, op de wijze waarop dit offertetraject is ingezet valt een hele hoop af te dingen en de concurrenten hebben minder gunstige voorwaarden voor de AHC-Apotheken, waardoor een overstap niet te verwachten is.
Boots, toevoeging hof] heeft mij laten weten dat zij de geoffreerde prijzen heeft bestudeerd en op basis daarvan tot de conclusie gekomen is dat de aangeboden tarieven niet marktconform zijn.”
Spits Oosterwolde en Spits Alkmaar, toevoeging hof] heb ik ook offertes gekregen en inmiddels wordt er constructief overleg gevoerd over een nieuw contract met terugwerkende kracht per 1 juli 2014 voor hun deel van onze eigendomsapotheken.
een minnelijke beëindiging van de huidige franchiserelatie in geval van voortzetting van een leverancier/afnemerrelatie”. Tiel heeft daarin twee alternatieven uitgewerkt: (1a) een gefaseerde afbouw van de leveranties aan de eigendomsapotheken in de regio Zuid over een periode van een jaar, onder handhaving van de prijzen uit de eerdere offerte, of (1b) een voortzetting van de leveranties aan deze apotheken op basis van - behoudens opzegging steeds te verlengen - overeenkomsten voor de duur van een jaar, tegen de (lagere) prijzen zoals genoemd in de tweede offerte, en (2) de voortzetting van de belevering van de formuleapotheken in de regio Zuid, gedurende ten minste drie jaren en tegen de door Tiel met deze apotheken uit te onderhandelen prijzen en voorwaarden.
toevoeging hof]
Boots, toevoeging hof] te spreken, maar juist om tot een goede afwikkeling daarvan te komen. Spits Tiel B.V. heeft ook nimmer aangegeven als voorwaarde voor nadere besprekingen te stellen dat voortzetting van de commerciële relatie gegarandeerd zou moeten worden. Dat staat ook haaks op de intentie van Spits B.V., namelijk afwikkeling van de samenwerking.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(…) voor de schade die Tiel heeft geleden als gevolg van het voortijdige vertrek van de drie apotheken”. Die schade bestaat volgens het hof uit de winst die Tiel had kunnen behalen als zij de per 1 juni 2014 vertrokken eigendomsapotheken had kunnen blijven beleveren tot 1 januari 2015. Daarmee heeft het hof volgens mij ook geoordeeld dat de vier aangenomen tekortkomingen van Spits causaal zijn voor deze schade van Tiel.
Spits c.s. hebben wél gesteld dat Tiel te laat en onvoldoende heeft gereageerd op de opzegging van de afnameovereenkomsten door Boots (mva 6.17). Spits c.s. verwijten Tiel met name dat zij niet tijdig is overgegaan tot het uitbrengen van een offerte met verlaagde prijzen. Het hof verwerpt dit (causaliteits- en/of eigen schuld)verweer,waartoe wordt verwezen naar hetgeen in het voorgaande werd geoordeeld in verband met het voortijdige vertrek van de drie apotheken (rov. 6.6.6 en 6.6.10).” [ondertreping A-G]. Dit is een rechtstreekse verwerping van een (mogelijk) causaliteitsverweer van Spits c.s. onder terugverwijzing naar rov. 6.6.6 en 6.6.10, dus de eerste en de vierde door het hof geconstateerde tekortkoming van Spits. In zoverre mist de klacht al feitelijke grondslag.
dat uit de beschikbare correspondentie blijkt dat Tiel vanaf juni 2014 alleszins adequaat heeft gereageerd op de haar toen bekende opzegging van de afnameovereenkomsten door Boots. Zonder nadere toelichting, die Spits c.s. niet hebben gegeven, valt niet in te zien waarom een dergelijke reactie niet ook zou zijn gevolgd bij een schriftelijk en/of telefonisch bericht onmiddellijk na 27 februari 2014.” Hieruit blijkt dat het hof Tiel volgt in haar stelling dat “
als zij eerder was geïnformeerd, in elk geval had kunnen bewerkstelligen dat zij de drie per 1 juni 2014 vertrokken apotheken tot 1 januari 2015 had kunnen beleveren” (zie rov. 6.6.3 tussenarrest) [4] . De eerste tekortkoming van het te laat informeren heeft op zichzelf de gehele schade kunnen doen ontstaan – en dat wordt nog versterkt door de vierde tekortkoming in de vorm van het zich ten onrechte in de weken vóór 1 juni 2014 niet verzetten tegen het vertrek van de drie apotheken bij Tiel en het vervolgens zelf zonder bezwaar middels Spits Apeldoorn meewerken aan de uitvoering van dat besluit (aldus rov. 6.6.10 van het tussenarrest). Dat betekent dat de klacht geen bespreking behoeft voor zover deze ziet op het causaal verband met de twee overige daarin aangeduide tekortkomingen (t.w. 2) het na opzegging niet behartigen van Tiels belangen en haar niet adviseren en bijstaan en 3) de opzegging niet ter sprake brengen in het directieoverleg), omdat belang daarbij ontbreekt in cassatie (waarbij mede in ogenschouw moet blijven dat de causaliteit van de vierde tekortkoming voor de schade
nietwordt bestreden in de klacht).
GTI/Zürich [5] , dat het hof heeft miskend dat extra terughoudendheid geboden is bij het buiten toepassing laten van contractuele bepalingen overeengekomen tussen professioneel dan wel commercieel handelende partijen op grond van de slechts in uitzonderlijke gevallen toe te passen beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Subonderdeel 2.2vervolgt met de subsidiaire motiveringsklacht dat het hof althans onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom Spits een beroep op de desbetreffende opzegbepaling moet worden ontzegd. In het bijzonder zou het hof geen (kenbare) aandacht hebben besteed aan het betoog van Spits c.s. dat sprake is van een commerciële overeenkomst tussen professionele partijen en dat derhalve extra terughoudendheid bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is vereist (plta HB 2.3-2.7), andermaal onder verwijzing naar
GTI/Zürich.
Matatag/De Schelde. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat het beroep op een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid voor ook ernstige fouten van niet-leidinggevend personeel niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Daarbij nam de Hoge Raad onder meer in aanmerking dat het ging om een overeenkomst tussen bedrijven die behoren tot bedrijfstakken die regelmatig met elkaar te doen hebben en waarin exoneratiebedingen gebruikelijk zijn. [12] Meer expliciet zou de extra terughoudendheid blijken uit het arrest
GTI/Zürich. Dit arrest betrof het beroep van aannemer GTI op een beperking van de verjaringstermijn van schadevorderingen die zij had bedongen in een overeenkomst met de gemeente Noordoostpolder. Het hof had geoordeeld dat GTI naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op dit verjaringsbeding kon doen. De Hoge Raad overwoog dat indien het hof heeft bedoeld dat het beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dit oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Niet kenbaar was namelijk welk gewicht het hof heeft toegekend aan een aantal door GTI aangevoerde argumenten, waaronder “
dat bij overeenkomsten tussen professioneel dan wel commercieel handelende grote partijen in de regel extra terughoudendheid gepast is waar het gaat om het op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro buiten toepassing laten van exoneratiebedingen of in plaats daarvan gehanteerde bedingen als het onderhavige, die een beperking van de verjaringstermijn betreffende een reeds onderkende aanspraak inhouden”. [13]
Q-Park/Dekaheeft A-G Valk, wat deze zaak betreft ten overvloede, de kanttekening gemaakt dat het opschalen van de in aanmerking te nemen terughoudendheid tot ‘nog meer terughoudendheid’ in gevallen van commerciële contracten gemakkelijk leidt tot een weinig vruchtbaar woordenspel. Dat de aard van de rechtsverhouding een in aanmerking te nemen omstandigheid is, volstaat. Het aanvaarden van extra terughoudendheid laat in zijn optiek echter onverlet dat ook in commerciële verhoudingen oneigenlijk, niet in de overeenkomst verdisconteerd handelen van een partij op de beperkende werking zal kunnen afstuiten. [14]
Matatag/De Scheldeen
GTI/Zürichniet worden afgeleid dat het met extra terughoudendheid toepassen van de beperkende werking bij een contract tussen grote commerciële of professionele partijen een harde regel is. Het lijkt veeleer een gezichtspunt te zijn. [15] Dit sluit aan bij de factoren ‘de aard van de overeenkomst’ en ‘de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen’ die volgens de Hoge Raad tezamen met andere factoren relevant kunnen zijn voor de onaanvaardbaarheidstoets. [16] Het antwoord op de vraag of de beperkende werking dient te worden toegepast op een commercieel contract tussen grote partijen en welke mate van terughoudendheid daarbij in acht moet worden genomen, is afhankelijk van een weging van de omstandigheden van het geval. [17]
Goglio/SMQ [20] , “
de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten”. Volgens de klacht laat in dit geval de franchiseovereenkomst geen ruimte voor het stellen van aanvullende eisen aan de opzegging op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid nu daarin tussen professionele partijen een uitputtende regeling is overeengekomen met betrekking tot zowel de opzegging/opzegtermijn als het niet verschuldigd zijn van enige vergoeding. Als de opzegmodaliteiten tussen professionele partijen zo duidelijk zijn geregeld, bestaat geen ruimte voor het stellen van aanvullende eisen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, aldus de klacht.
Goglio/SMQ). Daarin heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van zijn rechtspraak over toepassing van de beperkende en aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd:
indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW Pro meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.
indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten” in rov. 3.6.3 lijkt de Hoge Raad eraan te herinneren dat toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW Pro slechts aan de orde kan zijn indien de overeenkomst een leemte bevat. [21] Een leemte kan ook ontstaan doordat toepassing van een contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW Pro. De aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen dan met elkaar samengaan. [22]
in hoofdzaakeen beroep doet op de beperkende werking (…), in elk geval waar zij stelt dat Spits geen beroep toekomt op de in de franchiseovereenkomst opgenomen opzeggingsbepalingen”. [Onderstreping A-G]. Daarmee sluit het hof immers niet uit (‘in hoofdzaak’) dat Tiel
ookeen beroep op de aanvullende werking heeft gedaan. [24]
Goglio/SMQ. De klacht slaagt daarom niet.
Het hof wijst er in dit verband nog op dat in de concept-franchiseovereenkomst sprake is van een opzegtermijn van ten minste twaalf maanden. Het hof ziet hierin, mede gelet op wat werd overwogen in r.o. 6.4.4., een aanwijzing dat de betrokkenen bij het Spits-netwerk ten tijde van de gesprekken over de concept-franchiseovereenkomst van mening waren dat een opzegtermijn van drie maanden niet langer passend was”. Ook kwam het op de passage uit rov. 6.4.4 terug in rov. 6.10.5 van het tussenarrest, waar het hof “
(g)elet op het voorgaande” tot het oordeel kwam dat het, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar is dat Spits de franchiseovereenkomst op 9 juli 2014 heeft opgezegd tegen 1 januari 2015, en dat Spits met een beroep op het opzegbeding in de franchiseovereenkomst heeft geweigerd om Tiel een passende (schade)vergoeding aan te bieden: “
Mede gelet op wat werd overwogen in r.o. 6.4.4. wijst het hof er in verband met dit laatste nog op dat de uitsluiting van de aanspraak op schadevergoeding bij de beëindiging van de relatie in de concept-franchiseovereenkomst alleen in stand is gebleven voor de gevallen waarin de opzegging geschiedt vanwege het tekortschieten van de wederpartij of om bijzondere redenen zoals een faillissement of bedrijfsbeëindiging (…)”.
argument ten overvloedede inhoud van de concept-franchiseovereenkomst heeft betrokken. [26] Uit de formulering dat het hof in dit verband tot twee keer toe “nog” op de concept-franchiseovereenkomst wijst, blijkt dat hetgeen het hof verder in rov. 6.10.3 respectievelijk rov. 6.10.2-6.10.4 heeft overwogen, zijn oordeel al zelfstandig kan dragen. Nu de laatstgenoemde overwegingen in cassatie (voor het overige) niet zijn bestreden, kan de klacht niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang daarbij.
indicatievan wat alle partijen in 2010/2011 als een passende regeling op dit punt beschouwden bij de beoordeling van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft mogen betrekken. Van een aanvulling van het verweer van Tiel of het treden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is geen sprake. Om deze reden slaagt de klacht ook inhoudelijk niet.
- wezenlijke - bijdrage” heeft geleverd aan de uitvoering van het plan om Tiel uit het Spits-netwerk te verwijderen en daarmee onrechtmatig jegens Tiel heeft gehandeld. Het hof vervolgde (in cassatie onbestreden) dat “
aan de andere vereisten voor aansprakelijkheid van Boots op grond van artikel 6:162 BW Pro is voldaan: iets anders is niet deugdelijk onderbouwd gesteld of gebleken”. In beide oordelen ligt duidelijk besloten dat volgens het hof causaal verband bestaat tussen de opzegging van de afnameovereenkomsten door Boots en het financiële nadeel dat Tiel heeft geleden als gevolg van de opzegging van de franchiseovereenkomst. Daar ketst de rechtsklacht op af. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn, ook gelet op hetgeen hiervoor in 3.37 is opgemerkt.
Bootswordt weggedacht, en niet de tekortkomingen van
Spitsten aanzien van de opzegging en afwikkeling van de franchiseovereenkomst. Indien het aan Boots verweten handelen wordt weggedacht, dan zou dat niet zonder meer tot gevolg hebben dat Spits een langere opzegtermijn had gehanteerd, een vergoeding had aangeboden of meer schade-beperkende maatregelen had genomen. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat bij het wegdenken van het handelen van Boots deze gevolgen ook zouden zijn ingetreden, noemt de klacht dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
- wezenlijke – bijdrage” heeft geleverd aan de uitvoering van het plan om Tiel uit het Spits-netwerk te verwijderen en Spits in staat te stellen om zonder vergoeding de afnemers van Tiel over te nemen, ligt volgens mij besloten dat zonder de opzegging van de afnameovereenkomsten Spits de franchiseovereenkomst niet had opgezegd op de manier zoals zij dat heeft gedaan. Op dit een en ander heeft het hof kennelijk gedoeld waar het aan het slot van rov. 6.11.3 oordeelt dat “
(g)elet op het doel van het plan, aan de uitvoering waarvan Boots welbewust heeft meegewerkt” op het punt van de omvang van de aansprakelijkheid geen onderscheid tussen Spits en Boots behoort te worden gemaakt. In de woorden van de s.t. zijdens Tiel in 4.28: “het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een “één-tweetje” in rov. 6.11.3. De redenering van het hof getuigt zo bezien niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoeft naar ik meen geen uitgebreidere motivering om begrijpelijk te zijn. Daar stuiten de klachten uit subonderdeel 3.3 op af, ook al verdient de enkele terugverwijzing naar met name rov. 6.10.5 mogelijk geen schoonheidsprijs. In het licht van de zeer uitvoerige motivering van het hofoordeel over de wijze waarop de relatie met Tiel is afgewikkeld, is dit evenwel van te ondergeschikt belang, nu het oordeel goed te volgen is als wordt ingezoomd op wat voor het hof hier de doorslag heeft gegeven.