Conclusie
1.Het cassatieberoep
4. eerste cumulatief: telkens: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd”,
2.Het tweede middel
Rechtvaardigingsgrond63. De zusjes van [slachtoffer 1] hebben verklaard dat zij door hem zijn verkracht, waardoor [verdachte] genoodzaakt is geweest om hem van de kinderen af te scheiden. Het bewijs van de verkrachting volgt uit de aangifte van [slachtoffer 2] (en de melding van 2015) en de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris. Overdag ging [slachtoffer 1] er gewoon uit en naar het werk, zoals door hem verklaard. Er was op dat moment te weinig bewijs om aangifte te doen. [verdachte] heeft uiteindelijk alsnog aangifte gedaan. Het OM heeft dit niet willen oppakken, omdat uiteindelijk de zussen op onverklaarbare wijze geen aangifte tegen [slachtoffer 1] meer wilden doen. Mogelijk is er chantage in het spel. Waarschijnlijk komt de waarheid helaas nooit meer boven tafel.
4.3.5 BewijsoverwegingenTen aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2]De rechtbank overweegt dat slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht. De verdediging heeft een beroep gedaan op het bestaan van een noodtoestand. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende terecht heeft laten prevaleren. Uit de stukken van het dossier en hetgeen namens verdachte is aangevoerd, is niet gebleken dat sprake is geweest van een dergelijke noodzaak. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om te voorkomen dat hij zijn kinderen wederrechtelijk van hun vrijheid zou beroven. Het verweer tot het aannemen van een noodtoestand als rechtvaardiging voor het begaan van een deel van het ten laste gelegde wordt aldus verworpen.(…)”
Aanvullende overwegingen
3.Het eerste middel
Halverwege dit jaar heb ik een e-mailbericht naar het hof gestuurd in verband met de medische toestand van verdachte. Verdachte heeft een beroerte gehad.”
Speciale en generale preventie en genoegdoening71. [verdachte] is van mening dat in de strafmaat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de omstandigheden die zich na het feit hebben voorgedaan en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] .
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”
’ [15] benadrukt dat nog steeds geldt dat de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt en dat de cassatierechter om die reden zich terughoudend moet opstellen bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. [16] In het geval van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de strafmotivering heeft de Hoge Raad nader gespecificeerd dat het bij de controle in cassatie gaat om de vraag: