Conclusie
Hanzevast Beleggingen B.V.
Gorecht 3 B.V.,voorheen geheten Hanzevast Beleggingen III B.V.
Ontwikkelingsmaatschappij G4 Beheer B.V.
Ontwikkelingsmaatschappij G4 C.V.
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.9, dat voor de zekerheid op dit punt klachten formuleert, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat geldt ook voor de in dit onderdeel geformuleerde klacht tegen rov. 2.3, omdat daarin met ‘Hanzevast’ wordt gedoeld op Hanzevast III (zie hiervoor bij 1.2).
NJ 2009/21).”
NJ 2000, 295).
Air Holland) werd de bestuurders van de vennootschap die schuldenaar was van Air Holland onder meer verweten dat zij de schuld van de vennootschap aan Air Holland van circa € 511.000 onbetaald hadden gelaten door deze te verrekenen met een door hen gestelde tegenvordering van circa € 2.400.000, waarvan in rechte uiteindelijk echter slechts een bedrag van afgerond € 177.000 kwam vast te staan.
Ontvanger/Roelofsensub (ii) bedoelde geval, betoogde het middel dat nu niet evident was dat de tegenvordering van elke grond was ontbloot of dat de gestelde tegenvordering niet de vordering van Air Holland zou overtreffen, de bestuurders in redelijkheid hebben kunnen menen dat per saldo geen vordering van Air Holland zou resteren en voorts dat wanneer slechts ernstig rekening moet worden gehouden met het bestaan van een vordering, het handelen of nalaten van bestuurders niet zodanig onzorgvuldig kan worden geacht dat hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
subonderdeel 1.1) [16] Volgens
subonderdeel 1.2was de te beoordelen vraag namelijk of Hanzevast (uiterlijk) op het
moment van ontbindingwist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat die handelwijze tot gevolge zou hebben dat Hanzevast III haar verplichtingen niet zou nakomen en dat Hanzevast III geen verhaal zou bieden voor als gevolg daarvan optredende schade. De voortbouwende rechtsklacht van
subonderdeel 1.3vult dit nader in met de stelling dat de bestuurder (uiterlijk) op dat moment voorzag, althans kon voorzien, althans ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ontbinding door de rechter ongegrond zou worden geoordeeld en tot gevolg zou hebben dat de projectvennootschap – indien zij niet van financiële middelen zou worden voorzien – geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Bovendien zou voor het aannemen van een ernstig verwijt in een geval als het onderhavige nodig zijn opzet, grove schuld of roekeloosheid dan wel dat geen redelijk handelend bestuurder in dezelfde omstandigheden tot ontbinding zou overgaan zonder de vennootschap van de voor het voldoen van de schadevergoeding benodigde financiële middelen te voorzien.
neergelegd dat de overeenkomst niet meer wordt uitgevoerden er sprake is van een stilzwijgende beëindiging van de overeenkomst (
subonderdeel 1.4), althans dat de wederpartij wist dat zij contracteerde met een
lege projectvennootschap en geen zekerheden heeft bedongenvoor de koopprijs en/of eventuele schadevergoeding en
geen sprake is geweest van vermogensonttrekkingenaan de projectvennootschap door de bestuurder, maar slechts sprake is van het niet voorzien van financiële middelen om te kunnen voldoen aan de schadevergoedingsplicht (
subonderdeel 1.5). Volgens
subonderdeel 1.6heeft het hof miskend dat voor de vraag of er sprake is van een ernstig verwijt bezien dient te worden wat de aard en de ernst van de normschending is en acht dient te worden geslagen op de overige omstandigheden van het geval.
subonderdeel 1.7wordt in zekere zin weer voortgebouwd op de klachten in subonderdeel 1.5 door te betogen dat het voorliggende geval niet in het verlengde ligt van de situatie waarin Hanzevast als bestuurder Hanzevast III op het moment van levering niet zou hebben voorzien van financiële middelen om de overeenkomst met G4 na te komen, omdat de
financiering van de aankoopsomniet op één lijn kan worden gesteld met financiering van schadevergoeding en omdat
G4 geen nakomingmaar schadevergoeding heeft gevorderd.
Ontvanger/Roelofsensub (ii) bedoelde geval en benadrukt daarom onder meer het belang van het moment waarop Hanzevast III de overeenkomst ontbond.
Beklamel-achtige situatie en is het toetsmoment niet het moment van de ontbinding, maar het moment waarop Hanzevast als bestuurder van Hanzevast III de verplichting aangaat. Voor de aansprakelijkheid van Hanzevast als bestuurder mag het niet uitmaken of Hanzevast III rechtstreeks haar verplichting tot betaling van de koopsom niet nakomt dan wel indirect door de koopovereenkomst onterecht te ontbinden. In beide situaties heeft Hanzevast G4 opgezadeld met een contractspartij die, zonder door Hanzevast van financiële middelen te zijn voorzien, niet aan haar verplichtingen kan voldoen en in beide situaties geldt dat Hanzevast zich heeft gecommitteerd tot fourneren (s.t. nrs. 29-30, 39, 43, 45, 48, 50).
Ontvanger/Roelofsente passen. In die typologie gaat het m.i. om een geval waarin de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Ter zake van het sluiten van de overeenkomst als zodanig wordt de bestuurder door het hof geen verwijt gemaakt. Het door het hof aan Hanzevast verweten handelen ziet op de periode na het sluiten van de overeenkomst. Hierop wijzen Hanzevast c.s. terecht (repliek nrs. 5-6).
Air Hollandbetoogt, is het echter niet zo dat de beoordeling van het ‘ernstig verwijt’ noodzakelijkerwijs scharniert om de achteraf verkeerd uitgevallen beslissing om te gaan ontbinden. Die benadering miskent naar mijn mening het belang van de omstandigheid dat de overeenkomst is gesloten en ontbonden door een projectvennootschap die, naar voor de contractspartijen en de bestuurder bekend is, zelf geen middelen heeft en voor haar financiering afhankelijk is van de tussenkomst van haar bestuurder/moedervennootschap.
subonderdelen 1.2 en 1.3, waarin wordt verwezen naar de stellingen van Hanzevast dat zij niet wist of hoefde te begrijpen (i) dat Hanzevast III niet tot ontbinding gerechtigd was, zekere nu daartoe juridisch advies was ingewonnen, en (ii) dat deze ontbinding tot schade zou leiden nu in de koopovereenkomst was aangegeven dat de werkelijke commerciële waarde van het object € 9.740.000 zou bedragen. Het falen van het eerste punt behoeft na het voorgaande geen toelichting. Het tweede punt miskent naar mijn mening dat de schade is vastgesteld op het verschil tussen de koopsom en de waarde van het onroerend goed bij een oplevering conform het overeengekomen niveau op 14 februari 2006. [18]
subonderdeel 1.8faalt, omdat het hof niet ervan is uitgegaan dat, kort gezegd, G4 en Hanzevast III hebben afgesproken dat Hanzevast voor financiering van de koopsom uit eigen middelen zou zorgen en deze financiering niet extern van een bank had mogen betrekken. De overwegingen van het hof geven geen aanleiding te veronderstellen dat het hof van een dergelijke beperking is uitgegaan (zie onder meer rov. 3.19, zevende volzin, waarin het hof spreekt van “(laten) fourneren).
subonderdeel 1.10worden verworpen en daarmee het eerste onderdeel.
subonderdeel 2.2wordt betoogd dat een geval waarin de overeenkomst stilzwijgend is beëindigd en een der partijen schadeplichtig is vanwege ongerechtvaardigde ontbinding zich niet leent voor analoge toepassing van art. 7:36 BW Pro. Dat zou in het bijzonder gelden in dit geval waarin partijen zijn overeengekomen dat de koopprijs iets onder de marktwaarde zou liggen en de koper schadeplichtig is vanwege ongerechtvaardigde ontbinding en de zaak nadien verkocht is aan een derde voor een veel hogere koopprijs dan de in de overeenkomst bepaalde prijs en de prijs ook hoger ligt dan de marktprijs ten tijde van de niet-nakoming. Het hof heeft miskend dat in zo een geval een concrete schadeberekening het meest in overeenstemming is met de aard van de schade, althans had het hof moeten motiveren waarom de hiervoor genoemde omstandigheden niet met zich brachten dat voor een concrete schadeberekening werd gekozen.
subonderdeel 2.1bij gebrek aan belang en faalt ook het louter voortbouwende
subonderdeel 2.3.