Conclusie
1.Inleiding
matching-beginsel een fout zoveel mogelijk moet herstellen in het jaar waarin zij is gemaakt. Zo mogelijk moet dus nagevorderd worden. De 12-jaars navorderingstermijn ex art. 16(4) AWR is volgens de Rechtbank echter niet van toepassing omdat het niet gaat om een bij de Inspecteur niet bekend winstbestanddeel dat “in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.” De afgeboekte HIR bestond immers uit de boekwinst op een Nederlands bedrijfsmiddel. De fout kond daardoor niet geheel (voor alle jaren) door navordering worden hersteld, zodat zij volgens de Rechtbank hersteld kan worden met de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar. De inspecteur heeft volgens de Rechtbank daarom terecht de fout voor alle jaren in 2013 hersteld met de foutenleer.
BNB1994/190 en met de gesloten vso) is afgeboekt op de kostprijs van het Belgische gebruiksrecht óók voor de bepaling van de vrij te stellen Belgische v.i.-winst in plaats van alleen voor de bepaling van de generale winst. De daardoor te lage afschrijving op het Belgische gebruiksrecht leidde elk jaar tot te hoge vrij te stellen v.i.-winst. Het uitsteleffect van de HIR werd daardoor ten onrechte een afsteleffect: de boekwinst op het verkochte Nederlandse huurrecht valt ten onrechte buiten de totale winst. In zoverre is de foutenleer naar haar strekking (verzekering van enkelvoudige heffing over de totale ondernemingswinst) in casu stellig van toepassing, mede gegeven dat het om een afschrijvingsfout gaat, die onder de foutenleer valt.
Rupiah-arresten: de winstvaststelling van een buitenlandse v.i. moet worden gebaseerd op de “veronderstelling, dat de buitenlandse fiscus met betrekking tot de belasting van de bedrijfswinst van voor hem buitenlandse belastingplichtigen zou handelen gelijk de Nederlandse fiscus volgens de hier te lande geldende voorschriften moet handelen met de bedrijfswinst van degenen die voor deze fiscus buitenlandse belastingplichtigen zijn”.
2.De feiten en het geding voor de Rechtbank
NTFR2022/1417) onderschrijft de uitspraak:
V-N2022/16.10 is het met de Rechtbank eens:
Berekening vrij te stellen winst
NLF2022/0666) onderschrijft de uitspraak van de Rechtbank:
Afboeking Nederlandse herinvesteringsreserve ter zake van een buitenlands vermogensbestanddeel?
FutD2022-0749 is het kennelijk met de Rechtbank eens.
3.Het geding in (sprong)cassatie
BNB1994/190 moeten uitgaan van de aanschaffingsprijs van het Belgische gebruiksrecht en niet van de met de HIR verlaagde aanschaffingsprijs. Dit is weliswaar geen fout in de eindbalansen van de generale onderneming, maar volgens de Staatssecretaris geldt die leer ook voor fouten in de waardering van vermogensbestanddelen op een balans ter bepaling van vrij te stellen buitenlandse v.i.-winst. Voor die bepaling geldt de zelfstandigheidsfictie op grond waarvan volgens hem: (a) de winst van de v.i. volgens art. 7(2) van het Belastingverdrag met België 2001 bepaald wordt op basis van ondernemings-splitsing en van Nederlandse fiscale maatstaven; (b) voor de vaste inrichting andere fiscale waarderingsmaatstaven gekozen kunnen worden dan voor de generale onderneming; [17] dat wijst op een afzonderlijke fiscale v.i.-balans; daarop wijst ook HR
BNB1994/190 (zie 5.5 hieronder), dat zijns inziens in casu verplicht tot verschillende waardering van het Belgische gebruiksrecht op de v.i.- en generale balansen; (c) de vrij te stellen v.i.-winst – gezien de
Rupiah [18] - en
Rupiahleer [19] -arresten – uitsluitend wordt bepaald op basis van feiten en omstandigheden die de v.i. betreffen en van de fictie dat het v.i.-land de Nederlandse fiscale regels toepast; en (d) andersom ook winst van een Nederlandse v.i. van een niet-ingezetene aan die v.i. wordt toegerekend op basis van ondernemingssplitsing (artt. 18(1) jo. 8 Wet Vpb 1969). De Rechtbank heeft daarom volgens de Staatssecretaris terecht de foutenleer toepasbaar geacht op de fouten in belanghebbendes fiscale v.i.-balans en fiscale v.i.-winstbepaling. De vergelijking met een fout in de berekening van de zelfstandigenaftrek gaat volgens de Staatssecretaris niet op omdat een onjuiste zelfstandigenaftrek een incidentele fout is en het in belanghebbendes geval wél gaat om een voortwoekerende fout in de balanswaardering waarvan het niet corrigeren het totaalwinstbeginsel juist zou schenden.
4.Vergelijking met fouten in de bepaling van de fiscale oudedagsreserve (FOR)
BNB1995/175 [21] betrof een oudedagsreserve die had moeten vrijvallen bij de staking in 1984 van een onderneming. Navordering was kennelijk niet mogelijk. De vraag was of de reserve alsnog in de heffing van inkomstenbelasting in het nog openstaande jaar 1985 kon worden betrokken met toepassing van de foutenleer. U antwoordde bevestigend:
5.Voorkoming van internationale dubbele v.i.-winstbelasting
BNB1994/190 [27] oordeelde u dat een vervangingsreserve afgeboekt kan worden op de kostprijs van een vervangend bedrijfsmiddel dat dienstbaar is aan een buitenlandse v.i., maar alleen voor de berekening van de generale winst; niet voor de berekening van de vrij te stellen v.i.-winst:
BNB1953/19 hield in dat voor bezittingen en schulden toerekenbaar aan een buitenlands filiaal andere fiscale waarderingsmaatstaven gekozen kunnen worden dan voor de generale onderneming: [28]
BNB1960/63 (
Rupiah) [29] overwoog u als volgt over de bepaling van de vrij te stellen buitenlandse ondernemingswinst:
6.De foutenleer
BNB1989/1 [33] oordeelde u dat de Inspecteur de belastingplichtige een redelijke tegemoetkoming moet bieden als door toepassing van de foutenleer meer belasting wordt geheven dan bij juiste wetstoepassing zou zijn geheven:
BNB1995/175 [34] al geciteerd, waarin u de foutenleer toepaste op een extra-comptabele fout bestaande uit het ten onrechte niet laten vrijvallen van een fiscale oudedagsreserve bij de staking van een onderneming.
BNB1999/283 [35] oordeelde u dat de inspecteur niet vrij is in de keuze tussen navordering en toepassing van de foutenleer:
BNB2001/3 [36] oordeelde u in afwijking van eerdere rechtspraak dat de foutenleer ook geldt voor afschrijvingsfouten:
BNB2010/87 [39] leerde dat ook onjuiste verwerking van fiscale reserves gecorrigeerd kan worden met toepassing van de foutenleer:
BNB2014/256: [40]
BNB2018/110 [41] leerde dat een ten onrechte achterwege gebleven correctie van een onttrekking aan het ondernemingsvermogen niet in een later jaar kan worden gecorrigeerd met de foutenleer als de ondernemingsbalans geen fout bevat:
NTFR2015/1337 [47] constateert Lubbers dat niet alle fouten hersteld kunnen worden met de foutenleer, met name niet incidentele fouten zoals een onjuiste zelfstandigenaftrek:
7.De verlengde navorderingstermijn (art. 16(4) AWR)
Tot slot merk ik nog op dat de verruimde navorderingstermijn ziet op alle belastingen en premies die bij wege van aanslag worden geheven. Buiten de al genoemde inkomstenbelasting, vermogensbelasting en premieheffing volksverzekeringen vallen ook de vennootschapsbelasting en de heffingen ingevolge de Successiewet 1956 hieronder.”
BNB2004/367 [53] oordeelde u dat de verlengde navorderingstermijn blijkens zijn totstandkomingsgeschiedenis geldt voor alle inkomsten die in het buitenland zijn verkregen en voor in Nederland verkregen inkomsten die naar het buitenland zijn overgeboekt:
Het middel faalt. Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.6 terecht overwogen dat de wetgever bij het tot stand brengen van artikel 16, lid 4, van de Wet specifiek het oog heeft gehad op inkomsten die in het buitenland zijn verkregen of op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt. Die situaties doen zich in het onderhavige geval niet voor. Het enkele feit dat het beheer van de onderhavige rekening vanuit het buitenland is geschied, is onvoldoende om de verlengde navorderingstermijn van genoemde bepaling van toepassing te doen zijn.”
BNB2018/87 [54] betrof een geval waarin firmanten in een ijssalon contante inkomsten hadden verzwegen en aanvankelijk in een kluis hadden bewaard om die vervolgens op een Luxemburgse rekening te storten. U oordeelde dat de verlengende navorderingstermijn niet gold voor navordering over het verzwegen inkomen (box 1), maar wel voor navordering over het verzwegen (fictieve) vermogen(srendement) (box 3):
8.Beoordeling
Herstel van onjuiste jaarlijkse afschrijving op een buitenlands v.i.-activum; middelen (i) en (iii)
BNB1994/190 (zie 5.5 hierboven) en met de door haar gesloten vso de HIR heeft afgeboekt op de kostprijs van het Belgische gebruiksrecht óók voor de bepaling van de vrij te stellen Belgische v.i.-winst in plaats van uitsluitend voor de bepaling van haar generale winst, met als resultaat een telkenjare te hoge vrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele winstbelasting.
BNB2009/130 (zie 6.5 hierboven) moet de foutenleer “voorkomen dat ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld een stuk bedrijfswinst onbelast blijft, hetzij dubbel wordt belast”. Naar haar strekking is toepassing van de foutenleer in casu dus stellig op haar plaats, mede gegeven dat het om een afschrijvingsfout gaat, waarop de foutenleer van toepassing is (zie 6.5 hierboven).
Rupiah-arresten (zie 5.7-5.9 hierboven): voor de winstvaststelling van een buitenlandse v.i. moet worden uitgegaan van de “veronderstelling, dat de buitenlandse fiscus met betrekking tot de belasting van de bedrijfswinst van voor hem buitenlandse belastingplichtigen zou handelen gelijk de Nederlandse fiscus volgens de hier te lande geldende voorschriften moet handelen met de bedrijfswinst van degenen die voor deze fiscus buitenlandse belastingplichtigen zijn”.
BNB2004/367 (zie 7.3 hierboven) en HR
BNB2018/87 (zie 7.4 hierboven) is de verlengde navorderingstermijn in de winstsfeer bedoeld voor verschijnselen als “op een buitenlandse bankrekening gestalde retourprovisies of commissies die in wezen tot de in Nederland te belasten winst behoren” en “situaties waarin inkomsten uit in Nederland verrichte activiteiten rechtstreeks worden uitbetaald op een rekening in het buitenland.” Deze voorbeelden zien op verhulling en feitelijke geldstromen en liggen mijns inziens ver af van de litigieuze afschrijvingslocaliseringsfout tussen generale winst en v.i.-winst, waarvan de Inspecteur bovendien op de hoogte was of kon zijn, gegeven ook de vaststellingsovereenkomst. Het gaat niet om verzwegen inkomsten of vermogensbestanddelen ter zake waarvan het de “fiscus in feite ontbreekt aan toereikende controlemogelijkheden”, wat volgens de in onderdeel 7 geciteerde parlementaire geschiedenis “de achterliggende gedachte” is van de 12-jaars navorderingstermijn.