Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Amsterdam/Ikon, [23] dus naar de toetsing aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die sinds dat arrest ook bij de civiele rechter plaatsvindt.
binnenhet bedoelde terrein kan men de kwalificatie ‘marginale toetsing’ aanvaarden en vanwege de aard van de toetsing
daarbuitenkan men haar ook verwerpen. Dat maakt niet per se een inhoudelijk verschil, zolang we maar weten wát we zeggen. De formulering ‘niet een volle toets’ van uw Raad drukt opnieuw hetzelfde uit.
op maatte bepalen naar gelang de aard en de mate van de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan, onder meer ook aan de hand van het soms subtiele onderscheid tussen, kort gezegd, enerzijds de (zuivere) opportuniteit van het besluit en anderzijds de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid ervan.
ruimte’ en ‘beoordelings
ruimte’ de voorkeur. [33] Ik meen opnieuw dat smaak een rol speelt en dat het niet per se nodig en nuttig is om van de oude terminologie afscheid te nemen. [34]
kunnenGedeputeerde Staten tot landinrichting besluiten. In het verlengde hiervan bestaat er naar zijn aard ook beleidsvrijheid wat betreft de afgrenzing van het gebied voor de herverkaveling wordt aangewezen, het (herverkavelings)blok (vergelijk hiervoor 3.3).
hulpregeldie een in het algemeen in acht te nemen rangorde inhoudt.
in zijn geheelzijn geformuleerd. Een belanghebbende kan aan art. 15 lid 2 Bilg Pro niet zomaar de aanspraak ontlenen dat, ten koste van andere belangen, een zo groot mogelijke concentratie plaatsvindt van kavels rond
zijnbedrijfskavel. Ook met andere belangen zal immers rekening moeten worden gehouden. In dit verband is uiteraard mede relevant wat door andere belanghebbenden binnen het blok in de herverkaveling wordt ingebracht. Een belanghebbende die een grote concentratie van kavels dichtbij zijn bedrijfskavel inbrengt, behoeft geen genoegen te nemen met een toedeling van vooral kavels op afstand, want herverkaveling dient tot verbetering van de verkaveling, ook voor individuele belanghebbenden. Dit laatste geldt evenzeer voor de belanghebbende die juist vooral verspreid gelegen kavels inbrengt; ook deze kan zo enigszins mogelijk een verbetering tegemoet zien. Maar verbetering is noodzakelijk een relatief begrip. De laatstbedoelde belanghebbende kan, in verband met het verschil van wat is ingebracht, niet verwachten dat de herverkaveling hem
in dezelfde mateeen concentratie van kavels bij de bedrijfskavel zal opleveren als de eerstbedoelde belanghebbende.
medevan belang welke alternatieven het bestuur had, maar heeft verworpen.
onderdeel 3iets anders te lezen dan een herhaling van zetten. De steller van het middel vergist zich opnieuw in de aard van de norm van art. 15 lid 2 Bilg Pro en de daar bedoelde rangorde.
onderdeel 6de klacht dat de rechtbank niet kenbaar heeft onderzocht of de toedeling leidde tot een zo evenwichtig mogelijk resultaat. Daarbij betrekt de steller van het middel ook dat Gedeputeerde Staten het zorgvuldigheidsbeginsel in acht dienden te nemen, op grond waarvan alle bij het besluit betrokken belangen behoorden te worden afgewogen.
Onderdeel 8voegt hieraan toe dat in dat licht de overweging van de rechtbank onder 4.2, dat ‘een vergelijking met anderen die een mogelijk gunstiger toedeling hebben gekregen (…) geen beoordelingscriterium is’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
als zodaniggeen beoordelingscriterium is. Dat de rechtbank wel degelijk ook mogelijke alternatieven voor de in het ruilplan opgenomen toedeling in haar beoordeling heeft betrokken en de zorgvuldigheid van de door de Bestuurscommissie gemaakte belangenafweging heeft onderzocht, volgt uit wat naar aanleiding van de voorgaande onderdelen is gezegd.