Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
wederbelegging
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
onder 2.1.2) [6] bevat diverse klachten. Volgens de eerste klacht is de beslissing van de rechtbank onjuist, dan wel onbegrijpelijk gelet op de vereisten zoals die gelden voor het toekennen van een ‘premie uit handen breken’. Voorts verdedigt het subonderdeel in de daaropvolgende klachten de opvatting dat een premie uit handen breken pas kan worden toegekend indien sprake is van (1) een redelijk belang dat herbelegging in onroerende zaken noodzakelijk maakt, (2) een duurzaam belegger en (3) bijzondere omstandigheden, in het bijzonder een redelijk belang dat herbelegging in eenzelfde soort zaak op een specifieke locatie vordert, terwijl dergelijke objecten in de markt in beginsel niet binnen een redelijke termijn beschikbaar zijn. De rechtbank heeft die opvatting volgens de steller van het middel miskend, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, dan wel haar beslissing onvoldoende gemotiveerd.
zou zijn, de vergoeding voor de werkelijke waarde op een hoger bedrag zou moeten worden gesteld. De strekking van deze overweging ten overvloede is dat de Gemeente bij haar bezwaar tegen vergoeding van een bedrag ‘om in de markt te komen’, hooguit gedeeltelijk belang heeft. [10]
subonderdeel 2.2.3is de beslissing van de rechtbank dat [eigenaresse] een redelijk belang heeft bij herbelegging in onroerende zaken onjuist, dan wel onbegrijpelijk. Hiertoe wordt allereerst aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat voor de beoordeling of sprake is van een redelijk belang bij herbelegging in een vervangende onroerende zaak de persoonlijke omstandigheden in samenhang met de vooruitzichten van de belegging in onroerende zaken doorslaggevend zijn.
subonderdeel 2.2.5iets anders te lezen dan een herhaling van zetten.
een direct en uitsluitend gevolg vande onteigening is, dient die schade wel degelijk ook aan een onteigende die niet ondernemer is, te worden vergoed. Ook de onteigende die niet ondernemer is, heeft recht op vergoeding van alle werkelijk geleden onteigeningsschade.
Onteigening Brabanderuit 2011 volgt dat deze vertragingsschade niet noodzakelijk gelijk is aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag, maar schade betreft die gelijk is aan de waarde van het gemiste genot. [20] Dit kan bijvoorbeeld de vorm krijgen van een vergoeding die wordt berekend aan de hand van een marktconforme rente (hoger of lager dan de wettelijke rente). De fixatie van de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom zoals die in het verbintenissenrecht geldt, [21] geldt dus niet in het onteigeningsrecht. [22] Eerder [23] had uw Raad geoordeeld dat in gevallen waarin de partijen in het onteigeningsgeding zich niet hebben uitgelaten over de modaliteit van de toe te kennen vergoeding voor het nadeel dat de onteigende lijdt als gevolg van het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat, de onteigeningsrechter ervan mag uitgaan dat dat nadeel wordt vergoed door de onteigenende partij te verwijzen in de (ingevolge art. 6:119 lid 2 BW Pro samengesteld te berekenen) wettelijke rente over dat bedrag. [24] Andersom zal gelden dat als partijen zich wél hebben uitgelaten over de modaliteit van de toe te kennen vergoeding van deze vertragingsschade anders dan in de vorm van wettelijke rente, de rechter niet ongemotiveerd op toekenning van de wettelijke rente kan terugvallen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
steedseen hogere prijs wordt betaald, daarmee de prijs in het vrije commerciële verkeer hoger wordt en dus ook de werkelijke waarde (art. 40b lid 2 Ow). Er bestaat echter geen eenduidig criterium om te bepalen of dit zich (reeds) voordoet, dan wel – zoals de rechtbank in navolging van deskundigen heeft aangenomen – sprake is van betalingen ‘om in de markt te komen’ bóven de marktwaarde. Het is alleszins begrijpelijk dat de rechtbank zich bij het oordeel van de deskundigen heeft aangesloten. Het is onvermijdelijk dat de beslissing omtrent de hoogte van de schadeloosstelling arbitraire elementen bevat; taxatie is nu eenmaal geen exacte wetenschap.