Conclusie
eerste middeldat klaagt over de overschrijding van de redelijke (inzendings)termijn slaagt nu het cassatieberoep namens verdachte is ingesteld op 15 maart 2021 en de stukken van het geding op 21 december 2021 door de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. De door de Hoge Raad gestelde termijn van acht maanden is dus met iets meer dan een maand overschreden. Dit moet ingeval de overige middelen geen grond voor cassatie opleveren, leiden tot strafvermindering.
8.Hetslaagt.
tweede middelklaagt allereerst dat het hof bij zowel het eerste als het derde feit de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Van alle onder 1 tenlastegelegde transporten heeft het hof volgens de stellers vrijgesproken. Er zijn echter wel vier transporten bewezen verklaard, die niet ten laste waren gelegd. Voor het derde feit geldt in de kern hetzelfde. Van alle 71 tenlastegelegde ‘valsheden’ is vrijgesproken, terwijl 38 andere valsheden zijn bewezenverklaard. Als afzonderlijke, tweede deelklacht wordt dan voor zowel voor feit 1 als 3 gesteld dat de bewijsconstructie niet redengevend is voor enig onderdeel van het bewezenverklaarde.
19.Hetfaalt.
derde middelklaagt over de motivering van de in Hoofdstuk 3 opgenomen inleidende overwegingen van het hof.
23.Hetfaalt.
vierde middelvalt uiteen in drie deelklachten. De eerste en derde deelklacht klagen over het bewezenverklaarde “feitelijk leidinggeven” met betrekking tot de feiten 1 en 3. De tweede deelklacht luidt dat in de bewijsoverwegingen 5.1.3 en 5.2.4 feiten en omstandigheden zijn opgenomen die niet (met voldoende mate van nauwkeurigheid) blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen.
36.Hetbehoeft niet tot cassatie te leiden.
vijfde middelklaagt over de motivering van het eerste bewezen verklaarde feit voor zover het hof heeft geoordeeld dat het onaannemelijk is dat er toestemming was om niet in Farmsum door [C] bewerkte olie naar Duitsland over te brengen.
40.Hetheeft geen kans van slagen.
zesde middelricht de pijlen op onder randnummer 24 al geciteerde onderdelen van overweging 5.1.3 uit het arrest van het hof en klaagt in de eerste plaats dat het hof de grondslag van de tenlastelegging van feit 1 heeft verlaten door de verdachte te veroordelen voor iets wat in art. 2 onder Pro 35 sub d van de EVOA strafbaar is gesteld, terwijl de tenlastelegging is toegesneden op art. 2 onder Pro 35 sub a en/of sub b. De derde deelklacht luidt dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft dan wel ’s hofs oordeel ontoereikend is gemotiveerd, voor zover het inhoudt dat kortgezegd het verwijt onder sub a en b hetzelfde inhoudt als het verwijt onder sub d van art. 2 onder Pro 35 van de EVOA. De tweede deelklacht luidt dat het hof vastgestelde (redengevende) feiten en omstandigheden heeft opgenomen die ofwel niet in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, ofwel de vindplaats daarvan niet is aangeduid.
45.Hetfaalt.
zevende middelklaagt in de eerste plaats over het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet van [C] bij feit 1. De tweede deelklacht luidt dat het hof vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden heeft opgenomen die ofwel niet in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, ofwel de vindplaats daarvan niet is aangeduid. De derde deelklacht houdt in dat het bewezen opzet van de rechtspersoon geen steun vindt in de bewijsmiddelen.
54.Ook hetheeft geen kans van slagen.
achtste middelals van het
negende middelbetreffen (kort gezegd) opnieuw de bronopgave maar nu van in totaal zes onderdelen van rechtsoverweging 5.2.4. Ik meen te kunnen volstaan met verwijzing naar hetgeen ik al heb opgemerkt onder de randnummers 33 en 43 hierboven.