Conclusie
Belbus: Klanten vissen achter het net bij Zwembad-Discounter.com”. Dit artikel vermeldt onder meer dat zwembad-discounter.com onderdeel is van ECG, dat ECG ook andere webshops beheert en dat het internet vol staat met negatieve reviews over ECG en haar webshops. Als veelgehoorde klachten worden genoemd: het niet leveren van producten, de slecht bereikbare klantenservices en het niet terugbetalen van geld. Het artikel vermeldt ook dat ECG in 2018 door Thuiswinkel.org is aangesproken wegens het onrechtmatige gebruik van hun keurmerk. Daarnaast verwijst het artikel naar onderhavige zaak. In het artikel wordt verder melding gemaakt van een klant die bij zwembad-discounter.com een overkapping voor zijn opbouwzwembad kocht, en na annulering van de koop zijn geld niet geretourneerd kreeg. Na interventie van Kassa heeft de klant zijn geld alsnog terugbetaald gekregen, met excuses van ECG voor de ontstane situatie. Vermeld wordt dat de bestuurder van ECG zegt dat ECG hard bezig is met het aannemen van nieuwe mensen, zodat de service van het bedrijf beter wordt. Kassa besluit met de mededeling dat zij ECG in de gaten zal blijven houden.
2.Procesverloop
Spoedeisend belang en aard van het geschil
de reputatie van ECG, maar ook aan
de reputatie van de Merken, heeft Maytronics evenwel onvoldoende onderbouwd. Bij dit oordeel neemt het hof in aanmerking dat niet aannemelijk is dat consumenten de indruk zullen hebben dat er een economische band bestaat tussen ECG en Maytronics (zie r.o. 5.8.). Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat Maytronics niet stelt dat de reputatie van de Merken wordt geschaad doordat zij te goedkoop worden verkocht, maar dat het Maytronics gaat om de wijze waarop ECG de prijzen vermeldt. De Merken ontlenen hun reputatie volgens Maytronics aan de technisch hoogstaande producten waaraan zij zijn verbonden, in samenhang met de kwaliteit en de pre- en aftersalesservices. Het hof acht niet aannemelijk dat de wijze waarop de prijzen worden vermeld daaraan afdoet.
de reputatie van ECG zelf, maar ook tot ernstige schade aan
de reputatie van de Merken. Daarbij komt dat slechts zeven van de overgelegde recensies over zwembadrobots gaan en dat slechts vier daarvan eenduidig negatief zijn, terwijl ook maar één e-mail en één brief zijn overgelegd waarin een klant over ECG klaagt (producties EP34 en EP41). In aanmerking genomen dat ECG onbestreden heeft gesteld dat zij jaarlijks circa 750-800 zwembadrobots verkoopt, komt aan die vier negatieve recensies en twee klachten niet voldoende gewicht toe, nog daargelaten dat de vier negatieve recensies de Merken niet noemen (zodat niet duidelijk is of deze betrekking hebben op DOLPHIN-producten).
6 Beslissing
3.Procedurele gevolgen faillissement ECG Nederland
op verzoek van Maytronicsworden geschorst om de curator in het geding te roepen (art. 28 Fw Pro). Indien de curator verschijnt, neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding gesteld. Maytronics heeft zo’n verzoek niet gedaan in onze zaak. Wordt zo’n verzoek niet gedaan, dan zal de procedure tegen de failliet worden voortgezet [11] , nu deze immers haar procesbevoegdheid niet verliest;
van rechtswegegeschorst om alleen dan te worden voortgezet indien de verificatie van de vordering wordt betwist (art. 29 Fw Pro) [12] . Deze betwisting kan worden gedaan door de curator (of een schuldeiser) die dan partij in het geding wordt en in de plaats treedt van de gefailleerde. Ook dat speelt in onze zaak als gezegd niet. In een art. 29 Fw Pro-situatie wordt het geding van rechtswege aan de invloed van een partij als ECG onttrokken. De rechter past dit artikel ambtshalve toe door te constateren [13] dat het geding vanaf de faillietverklaring [14] van rechtswege is geschorst, een figuur die te onderscheiden is van ambtshalve schorsing [15] .
analoge toepassing in een art. 28 Fw Pro geval(niet-verifieerbare vordering aanhangig, ingesteld door wederpartij; ik werk hierna als gezegd uit dat de gebodsvorderingen die in cassatie aan de orde zijn in onze zaak onder art. 28 Fw Pro vallen)? Hoewel dat in de literatuur [16] en lagere rechtspraak [17] wel wordt bepleit en gedaan, zie ik voor deze analogische toepassing geen overtuigende reden. Ik kom daartoe als volgt.
na oproepingdoor eiser verschijnt, eiser bij ‘winst’ hoe dan ook een veroordeling krijgt die tegenover de boedel rechtskracht heeft (art. 28 lid 4 Fw Pro in verbinding met art. 25 lid 2 Fw Pro).
paritas creditorumgeraakt [26] . Dat zijn vorderingen in de zin van art. 26 Fw Pro, die ter verificatie moeten worden ingediend. Het is mogelijk dat in een procedure vorderingen zijn ingesteld die tot meerdere categorieën behoren. In dat geval moet een splitsing plaatsvinden waarbij elke vordering de eigen regels volgt [27] . Dit kan anders zijn als een vordering geacht moet worden geen zelfstandige betekenis te hebben naast een andere rechtsvordering [28] . De in deze cassatieprocedure relevante vorderingen [29] van Maytronics zijn gebodsvorderingen (alle op straffe van een dwangsom):
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste klachtin
subonderdeel 1.1is de rechtsklacht dat het hof in rov. 5.12-5.19 de in rov. 5.11 opgesomde argumenten van Maytronics niet in hun totaliteit en onderlinge samenhang heeft onderzocht, waarna het hof in rov. 5.20 vervolgens concludeert dat Maytronics het bestaan van een gegronde reden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, maar deze argumentatie uitsluitend op zichzelf heeft beschouwd met telkens als oordeel dat de betreffende omstandigheid op zichzelf genomen geen gegronde reden in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro oplevert, terwijl beoordeling in onderlinge samenhang had moeten gebeuren.
of in samenhang met de overige omstandigheden van het geval) […]” (cursivering A-G) en rov. 5.19: “[…] gelet op het voorgaande,
in onderlinge samenhang bezien[…]” (idem). Naar ’s hofs voorlopig oordeel heeft Maytronics haar stellingen onvoldoende handen en voeten heeft gegeven om een gegronde reden op te kunnen leveren en dit behelst wel degelijke een voldoende kenbare samenhangende beoordeling van de aangevoerde argumentatie.
tweede klachtin
subonderdeel 1.1is de motiveringsklacht dat voor zover het hof de argumenten van Maytronics
nietin totaliteit en in hun onderlinge samenhang heeft onderzocht, dat oordeel onbegrijpelijk is, omdat niet wordt uitgelegd waarom de omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd geen gegronde reden opleveren. Gelet op een vaak gehanteerd cassatieklachtenmodel van eerst een rechtsklacht dat een bepaalde regel is miskend, gevolgd door een motiveringsklacht dat, voor zover de betreffende rechtsregel niet is miskend, de motivering niet deugt, lijkt het erop dat “niet” hier moet worden gelezen als “wel”.
subonderdeel 1.2richt Maytronics haar pijlen op rov. 5.4 en rov. 5.10, meer in het bijzonder de zinsnede uit rov. 5.10 dat: “[…] Maytronics aannemelijk moet maken dat de handelswijze van ECG daadwerkelijk ernstige schade toebrengt aan de reputatie van de Merken.” Volgens Maytronics is dat onjuist in het licht van het arrest
Dior/Evora [37] .
Ten eerstehad het hof in zijn beoordeling Maytronics’ stelling moeten betrekken dat de manier waarop ECG de producten verhandelt allesbehalve gebruikelijk is,
ten tweedeheeft het hof niet kunnen volstaan met een enkele beoordeling of sprake is van een gegronde reden volgens
Dior/Evora, omdat in dat arrest niet in algemene zin of limitatief is beslist over wanneer sprake is van een gegronde reden (het gaat om een open begrip, dat nader is ingevuld in de arresten
BMW/Deenik [38] en
Dior/Copad [39] in de zin dat reputatieschade een gegronde reden kan opleveren) en
ten derdeheeft het hof gelet op
Dior/Evoraten onrechte niet bij de beoordeling betrokken dat Maytronics heeft gesteld dat ECG in strijd handelt met de verplichting van een wederverkoper om niet deloyaal te handelen tegenover de merkhouder. Zodoende is het hof volgens deze klachten uitgegaan van een onjuiste, want te beperkte opvatting over gegronde reden in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro, in het bijzonder omdat geen
ernstige schadeis vereist. Voor het geval het oordeel van het hof
ten slottezo moet worden begrepen dat Maytronics uitsluitend gesteld zou hebben dat sprake is van ernstige schade, is dit onbegrijpelijk, omdat zij op verschillende plaatsen heeft gesteld dat het gebruik van ECG de reputatie van de merken schaadt.
Dior/Evora-toets, hetgeen niet volstaat. Dat kan niet slagen, omdat het hof een geïntegreerde beoordeling geeft van al hetgeen te dier zake door Maytronics is aangevoerd, zoals alleen al volgt uit de aan die beoordeling in rov. 5.12-5.19 voorafgaande opsomming van die argumentatie in rov. 5.11. Ook uit het juridisch kader van rov. 5.4 volgt dat het hof in zijn gegronde reden beoordeling niet alleen
Dior/Evorameeneemt, maar ook de arresten
BMW/Deenik [40] , Portakabin/Primakabin [41] en
Copad [42] (voetnoten 3, 4 en 5 van het arrest, in gelijke zin s.t. ECG 1.2.5) en ook (het kopje boven) rov. 5.6 laat zien dat de gegronde reden toets van het hof niet alleen in de sleutel staat van
Dior/Evora.De motiveringsklacht mist feitelijke grondslag, omdat het hofoordeel niet begrepen kan worden op de wijze waar de klacht van uitgaat (zo ook s.t. ECG 1.2.7).
eerste klachtin
subonderdeel 1.3is gericht tegen rov. 5.13, 5.14 en 5.16 t/m 5.19 waarin het hof volgens Maytronics in essentie heeft overwogen dat hetgeen Maytronics heeft aangevoerd veeleer dan wel uitsluitend afbreuk doet aan de reputatie van ECG en niet aan die van de Merken. Dit oordeel is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, voor zover het hof tot uitdrukking brengt dat het alleen de slechte
reputatievan ECG bij zijn beoordeling betrekt, en niet de handelspraktijken van ECG als zodanig. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof de gewraakte handelspraktijken van ECG juist wel in zijn oordeel heeft betrokken; het zijn ook juist die handelspraktijken die tot reputatieschade kunnen leiden (van ECG en/of de Merken).
tweede klachtin
subonderdeel 1.3is een op subonderdeel 1.2 voortbouwende rechtsklacht dat in rov. 5.13-5.14 en 5.16 t/m 5.19 de rechtsopvatting besloten zou liggen dat reputatie of handelspraktijken van een wederverkoper in beginsel geen schade toebrengen aan de reputatie van een merk, hetgeen volgens de klacht onjuist is om de redenen gegeven in subonderdeel 1.2. Daargelaten dat deze klacht feitelijke grondslag mist, omdat de veronderstelde rechtsopvatting mij niet in deze overwegingen besloten lijkt te liggen, is dit geen zelfstandige klacht, zodat die het lot deelt van de klachten uit subonderdeel 1.2.
derde klachtuit
subonderdeel 1.3is dat voor zover de opvatting – naar ik begrijp: dat een slechte reputatie althans (slechte) handelspraktijken van een wederverkoper in beginsel afbreuk kunnen doen aan de reputatie van een merk en daarmee een gegronde reden kunnen vormen voor de merkhouder om zich tegen verdere verhandeling van door deze in de EER in het verkeer gebrachte waren – niet besloten ligt in het oordeel in de aangevallen rechtsoverwegingen, de betreffende overwegingen onbegrijpelijk zijn. Zonder nadere maar niet gegeven toelichting valt niet in te zien hoe de door Maytronics aangedragen omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, niet de reputatie van de merken kunnen schaden, aldus de klacht. Ook dat lijkt mij tevergeefs. In de eerste plaats is voor een motiveringsklacht ontoereikend om alleen te wijzen op stellingen die niet (zouden) stroken met een overweging van het hof [43] en dat is in wezen wat Maytronics hier doet. Ook is meen ik niet voldoende duidelijk gemaakt welke stellingen het hier precies betreft – concrete vindplaatsen ontbreken [44] . In wezen sturen dit soort klachten aan op een herbeoordeling (handelspraktijken van een wederverkoper kunnen (hier) wel tot reputatieschade van merken lijden), maar het hof heeft in dit kort geding nu juist onvoldoende aannemelijk geacht dat daarvan in dit geval sprake is en dat is bij uitstek feitelijke materie in cassatie. Van onbegrijpelijkheid is hier volgens mij geen sprake. Het subonderdeel faalt.
eerste klachtvan
subonderdeel 1.4in rov. 5.4, 5.10 en 5.11 t/m 5.20 miskend dat voor een gegronde reden volgens art. 15 lid 2 UMVo Pro geen daadwerkelijke (ernstige) schade is vereist, maar dat ook dreigende schade kan volstaan, omdat ook een verbod kan worden gegeven bij dreigend onrechtmatig handelen wanneer daar voldoende belang bij bestaat.
subonderdeel 1.4 is dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stapels bewijs aan negatieve feedback over ECG, hetgeen het hof heeft afgedaan met de overweging dat deze feedback Maytronics en de Merken niet noemen, zodat die ook op andere producten kunnen zien. Dat het hof dit op deze manier heeft gewaardeerd, is aan het hof als feitenrechter voorbehouden. Dat daar mogelijk ook anders over geoordeeld zou kunnen worden, maakt het gegeven oordeel nog niet onbegrijpelijk; het is ook in het licht van de ingeroepen stellingen overigens goed te volgen. De motiveringsklacht treft geen doel.
subonderdeel 1.5.1betoogt Maytronics dat zij, anders dan het hof overweegt in rov. 5.8, in de inleidende dagvaarding onder 64 wel degelijk een gemotiveerd beroep heeft gedaan op prod. EP41. Een vergelijkbare klacht uit
subonderdeel 1.5.2is dat anders dan in rov. 5.15 is overwogen, Maytronics wel in de inleidende dagvaarding onder 54 een gemotiveerd beroep heeft gedaan op prod. EP34. Deze klachten kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof overweegt weliswaar dat Maytronics geen beroep zou hebben gedaan op deze producties, maar geeft vervolgens wel een inhoudelijk oordeel in het licht van diezelfde producties, althans met inachtneming van wat uit die producties volgens het hof al dan niet blijkt. Die oordelen zijn op zichzelf in cassatie niet inhoudelijk bestreden.
subonderdeel 1.5.3bestrijdt Maytronics de laatste zin van rov. 5.14 als gebaseerd op een onbegrijpelijke lezing van de gedingstukken. Ik citeer die zin voor een beter begrip met de drie daaraan voorafgaande zinnen:
zonder meermisleidend is. Dat geldt zodoende ook voor de in de laatste zin bedoelde zes producten. Daarbij overweegt het hof in de laatste geciteerde volzin dat dit gaat om de stelling in de toelichting op vorderingen 3 en 4, die in hoger beroep niet meer voorlagen, omdat tegen de afwijzing daarvan door de voorzieningenrechter in rov. 4.17 niet incidenteel is gegriefd door Maytronics (vgl., onbestreden in cassatie, rov. 5.26). Het is geen dragende overweging en de motiveringsklacht is zodoende tevergeefs.
subonderdeel 2.5dat is gericht tegen de tweede alinea van rov. 5.24 [45] :
überhaupt wel onder het Programma vallenen of de gestelde kwaliteitseisen daarvoor ook gelden. Het Programma kan dan niet worden ingeroepen door Maytronics ten betoge dat de Producten niet met haar toestemming op de markt zijn gebracht, zodat wanneer de klacht tegen de tweede alinea van rov. 5.24 faalt, bij de overige klachten van dit tweede onderdeel geen belang in cassatie bestaat, want die zijn gericht tegen rov. 5.22 en rov. 5.24 eerste alinea.
eerste klachtvan subonderdeel 2.5 is het oordeel in de tweede alinea van rov. 5.24 onbegrijpelijk, nu uit prod. EP11 zou volgen dat de “Programma producten” de zwembadrobots omvatten die in de bijlagen bij die productie worden genoemd [46] . Uit diezelfde productie [47] zou ook volgen dat één van de voorwaarden is dat geautoriseerde distributeurs de “Programma producten” alleen verkopen aan eindgebruikers of andere geautoriseerde distributeurs. Verder maken de standaardovereenkomsten en voorwaarden die Maytronics hanteert in het kader van haar selectieve distributiestelsel deel uit van prod. EP11 [48] , aldus Maytronics.
subonderdeel 2.2is voorwaardelijk geformuleerd, namelijk voor het geval in de beoordeling in rov. 5.21-5.24 besloten zou liggen dat ieder selectief distributiestelsel althans in beginsel in strijd is met het kartelverbod. Ook dat blijkt niet uit deze overwegingen en mist feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.3is dat voor zover in rov. 5.21-5.24 besloten zou liggen dat het Programma in strijd zou zijn met het kartelverbod of dat Maytronics niet voldoende gemotiveerd zou hebben dat het Programma daarmee niet in strijd komt, dat onbegrijpelijk is. Het manco van deze klacht is dat deze scharniert om regels van stelplicht en bewijslast en het beweerdelijk passeren van essentiële stellingen, terwijl die regels in kort geding niet onverkort van toepassing zijn en ook aan de motivering in kort geding minder strenge eisen worden gesteld. Op de aangedragen gronden is volgens mij geen sprake van onbegrijpelijkheid in dit kort geding. Daar loopt de klacht op stuk.
subonderdeel 2.4klagen over het oordeel dat Maytronics in de ogen van het hof onvoldoende heeft toegelicht waarom de door haar opgelegde kwaliteitscriteria voor pre- en aftersales service noodzakelijk zijn. Ook hier wordt geklaagd over het passeren van essentiële stellingen en daarvoor heeft hetzelfde te gelden als voor subonderdeel 2.3; het bestreden oordeel is goed te volgen. De klachten falen.
subonderdeel 2.6treft ook geen doel, nu alle klachten falen.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Spoedeisend belang en aard van het geschil
Spoedeisend belang
subonderdelen 1.1 en 1.2klaagt ECG over het door het hof overgenomen oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de voldoende mate van voortvarend handelen van Maytronics na het op de hoogte raken van de gedragingen van ECG [55] , oftewel de wijze waarop het hof grief 1, gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over het vereiste spoedeisend belang, heeft verworpen.