Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.De procedure
4.De beschikking
FeitenOp 11 februari 2020 is onder de klager [betrokkene 1] conservatoir beslag gelegd op een personenauto (Audi Q5 met kenteken [kenteken] ), audiovisuele apparatuur en een kunstwerk.
Op 13 februari 2020 en 18 februari 2020 is onder de stichtingen (ten laste van klager [betrokkene 1] ) (conservatoir) beslag gelegd op onroerend goed, in totaal op 81 panden/appartementsrechten (hierna: de panden).
Dit beslag is gelegd in het kader van de onder bovengenoemd parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager [betrokkene 1] .
Klager [betrokkene 1] wordt er van verdacht dat hij in de periode van 2010 tot en met 2019 onder andermans naam en met gebruikmaking van valse/vervalste documenten en legitimatiebewijzen gokspellen heeft gespeeld bij online casino’s en dat hij daarmee grote geldbedragen heeft verdiend en deze bedragen heeft omgezet in contant geld, goederen en onroerend goed.
Hij wordt ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de artikelen 225, 231 en 420bis jo 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De stichtingen zijn niet aangemerkt als verdachten in de strafzaak.
Het strafrechtelijk onderzoek, met meerdere medeverdachten, te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , loopt nog. Er hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden waarbij een groot aantal voorwerpen in beslag zijn genomen. Deze voorwerpen, waaronder gegevensdragers en administratie, worden nog onderzocht. Tevens zijn er strafrechtelijke financiële onderzoeken gestart.
Medeverdachte [betrokkene 2] heeft bij de politie een (bekennende en voor klager [betrokkene 1] belastende) verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer verklaard dat hij heeft gewerkt in opdracht van [betrokkene 1] en dat zijn werkzaamheden onder andere bestonden uit het spelen van gokspellen bij online casino’s met meerdere accounts onder verschillende persoonsnamen.
Hij heeft van [betrokkene 1] geleerd wat er moest gebeuren en na januari 2019 heeft hij de hele ‘praktijk’ van hem overgenomen voor een bedrag van € 75.000,-. [betrokkene 1] heeft volgens [betrokkene 2] steeds de identiteiten gekocht en [betrokkene 2] heeft deze van hem overgenomen. [betrokkene 1] zou veel verdiend hebben aan de activiteiten en deze verdiensten hebben geïnvesteerd in vastgoed.
Uit de stukken volgt voorts dat [betrokkene 1] vanaf 2016 betrokken is geweest bij de oprichting van alle (als klager in deze procedure betrokken) stichtingen. De verdenking bestaat dat [betrokkene 1] als bestuurder en/of voorzitter via deze stichtingen de beslagen vastgoedportefeuille heeft opgebouwd en dat hij feitelijk de rechthebbende van die vastgoedportefeuille is en dat hij deze bij de stichtingen zijn ondergebracht met als doel eventuele uitwinning te bemoeilijken.
Die verdenking wordt versterkt doordat [betrokkene 1] een prominente rol heeft gespeeld bij de voorgenomen verkoop van de vastgoedportefeuille van de stichtingen als één geheel via [A] B.V., aangezien hij blijkens de ‘Letter of Intent’ van 19 mei 2020 - te weten
nade beslaglegging - voor en namens de stichtingen heeft getekend voor deze voorgenomen transactie van 20 miljoen euro.
[betrokkene 1] heeft zich in de strafzaak beroepen op zijn zwijgrecht.”
Standpunt klager en klaagsters(…)
StichtingenHet beslag op grond van artikel 94a Sv op de panden is zonder wettelijke grond gelegd. Er is niet voldaan aan de voorwaarden van lid 4; er is niet aannemelijk gemaakt dat het door klaagsters gehouden vastgoed aan hen is gaan toebehoren “met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen”.
Standpunten ter terechtzitting(…)
Stichting [klager 2]Het beslag op grond van artikel 94 Sv Pro dient te worden opgeheven nu daartoe geen gronden bestaan.
Het conservatoir beslag kan tevens niet voortduren omdat geen sprake is van een schijnconstructie dan wel verhaalsfrustratie en dus is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 94a lid 4 Sv.
Standpunt officier van justitie(…)
Met betrekking tot de onroerende zaken(beslag op grond van artikelen 94 en 94a Sv)Gelet op de verdenking van klager [betrokkene 1] en de feiten en omstandigheden, waaronder wanneer en de wijze waarop de stichtingen zijn opgericht, hoe de vastgoedportefeuille is verworven en dat de huidige voorgenomen verkoop daarvan is geïnitieerd door klager [betrokkene 1] , is voldaan aan de eisen van artikel 94 Sv Pro. De panden zijn vatbaar voor verbeurdverklaring en handhaving van het beslag is van belang voor de waarheidsvinding als ook voor het verhalen van het daaruit wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er is tevens voldaan aan de voorwaarde van verhaalsfrustratie van het vierde lid van artikel 94a Sv.
Het beslag is niet disproportioneel.”
Art. 94 Sv ProHet standpunt van het openbaar ministerie houdt in dat de onroerende zaken in beslag zijn genomen met de volgende doelen:
- Waarheidsvinding
- Verbeurdverklaring
- Aantonen wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor wat betreft de gronden waarheidsvinding en het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel geldt, dat het beslag van meet af aan niet op deze gronden had kunnen worden gebaseerd. De juridische gerechtigheid tot deze panden volgt dwingend uit het kadaster. Het in beslag nemen van de panden doet daar niets aan toe of af. Beslag kan niet dienstig zijn om meer of andere "waarheid" te vinden dan de waarheid die uit de openbare registers al blijkt.
Dat zelfde geldt voor de economische gerechtigheid tot de panden. Die blijkt uit afspraken, uit overeenkomsten, uit documenten. Dat
diein beslag worden genomen om meer "waarheid" rond de panden te "vinden", dat ligt voor de hand. Maar beslag op de panden zelf is daartoe niet dienstig en zonder enig redelijk belang.
Ten aanzien van de eventualiteit van verbeurdverklaring is bepalend dat de goederen niet toebehoren aan de verdachte. Op de voet van art. 33a lid 2 Sr kan dan slechts worden verbeurdverklaard indien:
- degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede,
- dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
Volgens art. 33a lid 2 is dus bepalend wat de derde wist, of redelijkerwijze kon vermoeden, van
- de
herkomstvan de goederen – namelijk verkregen door middel van het strafbare feit – dan wel
- het
gebruikof de
bestemmingvan de goederen in verband met het strafbare feit.
We hebben het over panden, appartementen, onroerende zaken. Deze hebben op zichzelf geen
gebruikof
bestemmingin verband met "het" strafbare feit waar van [betrokkene 1] wordt verdacht. Kennelijk is het idee bij het openbaar ministerie dat de in beslag genomen panden op de één of andere wijze uit strafbare feiten afkomstig zijn. Dat maakt het noodzakelijk om te bezien hoe de Stichting [klager 2] in het bezit is gekomen van deze panden. Juist op dit punt geeft het door het Openbaar Ministerie verstrekte dossier geen inzicht.
Verkrijging van de portefeuilleAls
Bijlage 1zijn aangehecht de aktes van oprichting van de Stichting [klager 2] en [D] . Kort gezegd kan uit deze stukken volgen dat beide op 7 maart 2018 zijn opgericht door [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] .
In het dossier is niets te vinden over [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Wat er ook wordt gezegd over andere bestuurders van andere stichtingen,
zijzijn op geen enkele wijze betrokken bij de gedragen waar het strafrechtelijk onderzoek zich op richt. Zij zijn op geen enkele wijze "besmet".
Als
Bijlage 2is aangehecht een bankafschrift van de bankrekening van [D] . Daarop zien wij betalingen binnenkomen van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en J [betrokkene 6] met als omschrijving "startkapitaal". Wij zien dat [betrokkene 1] op 9 april 2018 EUR 8.000,- aan startkapitaal heeft ingelegd.
Wij zien voorts dat [betrokkene 5] op 9 april 2018 een bedrag van EUR 20.000 overmaakt, met als omschrijving " Voorschotbetaling VL" – waarbij "VL" staat voor "vaste lening". [betrokkene 5] heeft namelijk leningen verstrekt aan de [D] op basis van een leningsovereenkomst ter hoogte van - eerst - 1,5 miljoen, later opgehoogd naar EUR 2 miljoen. Die leenovereenkomsten heb ik als
Bijlage 3aangehecht. Op basis van die leningsovereenkomst kon, als de aankoop van een volgend pand werd overwogen, een bedrag onder de lening worden "getrokken", waarmee het "kopersdeel" van de aankoop werd gefinancierd. Het restant werd vervolgens gefinancierd door een externe hypotheek verstrekker. Voorbeelden van zulke "trekkingen" heb ik aangehecht als
Bijlage 4De financiële positie van de CV is dan ook, dat de oprichters slechts een nominaal bedrag hebben ingelegd - EUR 4.000 of 8.000 - en dat de portefeuille
geheelis aangeschaft met leningen die zijn verstrekt door [betrokkene 5] , die zijn aangevuld met leningen van externe hypotheekverstrekkers.
Dat verklaart de vermogenspositie per heden. Die heb ik reeds op voorhand toegestuurd, maar heb ik nu ook als
Bijlage 5aangehecht. De inleg van de participanten is nominaal; het eigen vermogen van de CV is niet meer dan de waardestijging van de panden die - elk voor zich -
geheelmet geleend geld zijn gekocht.
In beslag genomen panden niet afkomstig uit strafbare feitenIn het licht van de hiervoor besproken vereisten voor verbeurdverklaring, betekent dit het volgende:
- elk van de gekochte panden is geheel gefinancierd met
vreemdvermogen;
- de bron van dat vreemde vermogen - [betrokkene 5] en de hypotheekbank - is geheel
onverdacht;
- de
aankoopsomvan de panden is dan ook niet verkregen uit enig strafbaar feit – want die is immers geleend uit geheel onverdachte bron;
- de
pandenzijn dus niet verkregen uit enig strafbaar feit.
Reeds daarom zijn de panden (…) niet vatbaar voor verbeurdverklaring.
Nu geen van de gronden voor "klassiek" beslag onder art. 94 Sv Pro aanwezig kan worden geacht, is het beslag ten onrechte gelegd, en is het laten voortduren van het beslag op de voet van art. 94 Sv Pro onrechtmatig.
Art. 94a lid 4 SvHet standpunt van het openbaar ministerie houdt in dat de onroerende zaken mede in beslag zijn genomen met als doel het mogelijk ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene 1] .
Volgens art. 94 lid 4 Sv Pro kunnen voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de verdachte in beslag worden genomen:
- indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en
- die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
Van elk van de onder Stichting [klager 2] in beslag genomen panden staat vast dat zij verworven zijn van anderen dan [betrokkene 1] , en dat zij betaald zijn met
externefinanciering die
niet afkomstigis van [betrokkene 1] . Er zit geen cent van [betrokkene 1] in deze panden.
nietaan Stichting [klager 2] zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen.
Er is ten aanzien van deze panden geen sprake van verhaalsfrustratie.
Resteert de inleg van EUR 8.000 die [betrokkene 1] op 9 april 2018 heeft overgemaakt. Dat dit bedrag aan Stichting [klager 2] is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van de EUR 8.000 te voorkomen, is een onzinnige stelling - even onzinnig als de stelling dat het bedrag dat [betrokkene 1] bij de supermarkt voor zijn boodschappen heeft betaald aan de supermarkt is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning te voorkomen. Met de nominale inleg in een geheel legale beleggingsstructuur wordt geen verhaalsfrustratie gepleegd. Er wordt gewoon iets gekocht – namelijk een aanspraak op een deel van de - hopelijk - te maken beleggingswinst. Er is geen sprake van verhaalsfrustratie.
Ten overvloede nog: dat de Stichting in zo'n geval ten aanzien van de nominale inleg van EUR 8.000 wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat sprake zou zijn van beweerdelijke verhaalsfrustratie, is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.
[E]r is geen grond voor beslag onder art. 94a lid 4 Sv aanwezig. Ook dit beslag is ten onrechte gelegd. Het laten voortduren van het beslag op de voet van art. 94 Sv Pro is onrechtmatig.”
Inhoudelijke beoordelingVooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Gelet op de verdenking tegen [betrokkene 1] en de bovenomschreven relatie tussen hem en de panden verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de in beslag genomen panden aan klagers, nu het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. De panden kunnen immers dienen om de waarheid aan de dag te brengen en/of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de panden zal bevelen.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Conservatoir derden beslag (artikel 94a Sv)In deze zaak hebben derden, die stellen eigenaar te zijn, op grond van artikel 552a Sv klaagschriften ingediend. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klagers als rechthebbende van de voorwerpen moeten worden aangemerkt. Indien de klagers buiten redelijke twijfel als rechthebbende kunnen worden aangemerkt, is vervolgens de vraag aan de orde of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De klagers zijn niet degenen aan wie een geldboete of ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Daarom moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend zal oordelen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat sprake is van wegsluizen van voorwerpen.
Met wegsluizen wordt bedoeld de situatie waarin een voorwerp geheel of ten dele aan de klagers is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en de klagers dit wisten of redelijkerwijze konden vermoeden.
Gelet op de verdenking tegen klager [betrokkene 1] en de feiten en omstandigheden waaronder de stichtingen zijn opgericht, de vastgoedportefeuille is verworven en de latere voorgenomen verkoop van die portefeuille en de grote rol van [betrokkene 1] daarin (zoals uiteen is gezet onder ‘feiten’) is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat de klaagsters (en niet [betrokkene 1] ) de rechthebbenden van de onroerende zaken zijn. Het dossier bevat aanwijzingen die de verdenking staven dat de onroerende zaken aan de stichtingen zijn gaan toebehoren met het kennelijk doel de uitwinning ervan te bemoeilijken of te verhinderen.
Een situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid Sv doet zich dus voor. Daarom zal het beklag ongegrond worden verklaard.”
5.Het eerste middel
6.Het tweede middel
in casude waarheidsvinding als rechtvaardiging voor de continuering van het beslag zou kunnen gelden. [13] Dat betekent dat de stelling van de klaagster dat het niet begrijpelijk is hoe de voortduring van het beslag dat rust op de verschillende panden in onderhavige zaak zou kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding, hout snijdt.
NJ2017/427 m.nt. F. Vellinga-Schootstra waaruit volgt dat wanneer de rechter van oordeel is dat sprake is van zon uitzonderingsgeval, de rechter dient te motiveren dat is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan verbeurdverklaring van niet aan de verdachte toebehorende voorwerpen, genoemd in art. 33a lid 2 Sr. Nu het in onderhavige zaak gaat om zo’n uitzonderingsgeval, had de rechtbank moeten motiveren dat de rechtspersoon bekend was of bekend had moeten zijn met de verkrijging van de gelden uit een of meer strafbare feiten. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten, is het oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.