Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Veronderstellingen
De RVC is dus wel akkoord met de investering op punten als (i) grootte van het bedrijf; (ii) markt; (iii) starten zonder algemeen directeur bij closing; (iv) risico’s aangegeven door BDO indien goed af te dekken en uitgezocht, etc)
Voorstel: Wij stellen voor de kooprijs van de aandelen bij Closing op nul te stellen en de beoogde Koopprijs van Aandelen (zie boven: € 195k) bij de earn-out van 2016 op te tellen. Hiermee wordt de koopprijs van de aandelen op Closing niet negatief, maar houdt het wel rekening met het hoge risico van een lager resultaat 2016.
of de vertegenwoordigers van Antea op 15 juli 2016 hebben ingestemd met een kostenafspraak die inhield dat elke partij de eigen kosten zou dragen” (rov. 8.4 onder (iv), eerste volzin). Het hof oordeelt dat dit het geval is, waartoe het in rov. 8.4 onder (iv) (vanaf de tweede volzin) als volgt overweegt:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1), en dat die bevestigende beantwoording in lijn is met de brief van 19 juli 2016 van CHL (
subonderdeel 1.2) en met het memo van 18 juli 2016 (
subonderdeel 1.3). De subonderdelen klagen dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn, omdat het proces-verbaal van het getuigenverhoor geen andere uitleg toelaat dan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2]
nietbevestigend hebben geantwoord op genoemde vraag, en noch uit de brief van 19 juli 2016, noch uit het memo van 18 juli 2016 volgt dat Antea ermee heeft ingestemd dat elke partij de eigen kosten draagt. In de samenvatting van het onderdeel die aan de subonderdelen voorafgaat, is een en ander als volgt kort weergegeven:
Ieder zou zijn eigen kosten dragen. Vanuit de andere kant werd enigszins verward gereageerd, maar niet afwijzend. Er is niet gezegd dat is niet zo, er is amper op gereageerd. Dat was gebaseerd op wat ik op 12 juli teruggekoppeld had dat er was ontbonden wegens de voorgestelde prijsverlaging. [19] In het arrest van 4 februari 2020 [het tussenarrest van het hof; A-G] wordt er ook aan gerefereerd dat als er geen overeenstemming zou zijn bereikt over de koopsom, de overeenkomst zou komen vervallen. Het was voor mij een herbevestiging over wat er op 12 juli aan de telefoon was besproken.
De hele bespreking was een poging van Antea om de kosten veilig te stellen. Dat is de reden geweest dat ze geen advocaten aanwezig wilde hebben. Het had geen functie want op 12 juli was de overeenkomst beëindigd.
- U vraagt mij of de gespreksnotitie van [betrokkene 2] gedateerd 18 juli 2016 een juiste vastlegging is van het gesprek. Dit is volstrekt juist vastgelegd.
- U vraagt mij of de brief van 19 juli 2016 een juiste vastlegging is. Dat is een juiste vastlegging.
- Als op 15 juli duidelijk was gemaakt dat Antea geen afstand deed van eventueel gemaakte kosten, dan had ik niet de hand geschud. Dan had ik aangegeven dat eerder al op 12 juli was beëindigd.
- De hele teneur van de gedragingen van Antea in de periode ervoor en erna is erop gericht geweest om situaties te creëren die zouden leiden tot rechtvaardiging van aanspraak op gemaakte kosten.”
- De getuigenverklaring van [betrokkene 2]
- “(…)
In het gesprek bleek dat wij verschillen van mening over de kosten. Wij zeiden de kosten zijn ieder voor zich en Antea vond dat de kosten bij CHL zouden moeten liggen. [betrokkene 1] en ik hadden voor het gesprek van 15 juli 2016 al besproken hoe het zou zitten met eventuele kosten. We hadden van tevoren het standpunt ingenomen dat ieder zijn eigen kosten zou dragen.
U vraagt mij of de brief van 19 juli 2016 van CHL ook een juiste weergave [is]? Dat is het.
- U vraagt mij of ik mij kan herinneren op welke manier partijen hebben gezegd dat ieder de eigen kosten draagt? De exacte bewoordingen kan ik niet terughalen maar wel dat we uiteindelijk de hand hebben gegeven om het daarbij te laten.
- Antea heeft toen geen voorbehoud gemaakt over eventueel kostenverhaal.
- CHL zou niet akkoord zijn gegaan als Antea een voorbehoud had willen maken.”
kenbaarzag op een akkoord over de door CHL gestelde afspraak over de kosten (en waaruit blijkt dat dit zo was) of dat en waarom (en gelet op welke feiten) CHL het handen geven in de gegeven omstandigheden zo zou hebben mogen begrijpen. De verklaringen houden niet meer in dan dat het handen geven wat betreft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die betekenis had, niet dat (en waarom) Antea dit heeft moeten begrijpen of dat (en waarom) Antea bij haar de indruk heeft gewekt dit te begrijpen. Uit de verklaringen volgt dus niet, althans niet zonder vermelding van nadere feiten of toelichting, dat Antea op deze wijze met het afzien van een kostenvergoeding zou hebben ingestemd.
in casu [is] in ieder geval geen sprake van een expliciete afstand van recht”) – geldt, kort samengevat, dat uit de verklaringen en gedragingen van de rechthebbende ondubbelzinnig moet blijken dat afstand van recht wordt gedaan, althans dat terughoudendheid op zijn plaats is bij het uit verklaringen en gedragingen afleiden dat sprake is van een impliciete aanvaarding van een aanbod tot afstand van recht, althans dat aan het vertrouwen van de wederpartij op een schijn van afstand hogere eisen gesteld moeten worden. Het hof heeft deze strengere maatstaven volgens het subonderdeel miskend. Voor het geval het oordeel van het hof zou berusten op deze maatstaven, klaagt
subonderdeel 3.2dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
men, vooral als het een kwijtschelding betreft, niet lichtvaardig uit de gedragingen van de schuldeiser mag afleiden, dat hij van de verbintenis afstand heeft willen doen”. [26] Dezelfde gedachte is terug te vinden in de literatuur, waarin wel wordt vermeld dat als uitgangspunt geldt dat men niet snel mag aannemen dat de schuldeiser afstand wil doen van zijn recht, en dat terughoudendheid in het bijzonder is vereist indien het gaat om (een voor de schuldeiser nadelige) afstand om niet [27] of om stilzwijgende afstand. [28] Zo wordt wel aangenomen dat voor stilzwijgende afstand een ondubbelzinnige gedraging van de schuldeiser vereist is. [29] Buiten het arbeidsrecht ontbreken echter uitspraken van de Hoge Raad waarin deze in acht te nemen terughoudendheid, in weerwil van het gegeven dat in beginsel de Haviltex-maatstaf geldt, is vertaald naar een dergelijk formele eis voor het kunnen aannemen van afstand. [30] Die formele eisen vallen denk ik ook moeilijk te stellen. Van de wederpartij valt wel te eisen dat hij een hogere mate van zekerheid heeft omtrent de bedoelingen van degene om wiens gedragingen of verklaringen het gaat, maar onder omstandigheden kan die ook bestaan als geen sprake is van ondubbelzinnige uitingen. Art. 3:35 BW Pro (‘de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen’) en dus de Haviltex-maatstaf bieden bovendien genoeg ruimte om de gewenste terughoudendheid in de beoordeling te verdisconteren. Naar ik meen, is de door het onderdeel op zichzelf terecht voor het aannemen van afstand ingeroepen terughoudendheid dan ook niet meer dan een gezichts- of uitgangspunt bij de toepassing van die maatstaf.
2 punten x tarief V à € 3.278,-”. Dit betreft onmiskenbaar een toepassing van hetgeen in het Liquidatietarief in A (aantal punten) en in B onder 1 en 5 is bepaald. Volgens de bepaling in B onder 1 valt deze zaak gelet op de omvang van de vordering in tarief V en volgens de bepaling in B onder 5 wordt een punt in principaal hoger beroep in tarief V gewaardeerd op € 3.278,-. Het hof heeft bij zijn kostenbegroting geen toepassing gegeven aan hetgeen in B onder 6 van het Liquidatietarief is bepaald, namelijk dat in een incidenteel hoger beroep de helft van het tarief van het principaal hoger beroep wordt berekend.