ECLI:NL:PHR:2022:861

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
21/02794
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 Wetboek van Strafrecht BESArt. 246bis Wetboek van Strafrecht BESArt. 393 SvArt. 401 SvArt. 402 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring doodslag ondanks alternatief scenario en kennelijk leugenachtige verklaringen

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf wegens doodslag en bezit van kinderporno. Hij stelde vijf cassatiemiddelen in, voornamelijk gericht op de bewezenverklaring van doodslag. Het Hof had de verdachte veroordeeld ondanks een alternatief scenario dat de vriend van het slachtoffer verantwoordelijk zou zijn voor haar dood door uit de hand gelopen wurgseks.

De Hoge Raad overwoog dat het Hof voldoende gemotiveerd had waarom het alternatief scenario werd verworpen, mede vanwege de overvloed aan bewijs waaronder DNA-sporen, WhatsApp-berichten en getuigenverklaringen. De verdachte had kennelijk leugenachtige verklaringen afgelegd om het tijdstip van seksueel contact en zijn aanwezigheid bij het slachtoffer te verdoezelen. Het Hof had deze verklaringen terecht gebruikt voor het bewijs en had het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging gemotiveerd verworpen.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat de bewezenverklaring van doodslag, inclusief de wijze van strangulatie, voldoende was onderbouwd door het forensisch bewijs. Het Hof had ook de mogelijkheid van uit de hand gelopen wurgseks overwogen maar verworpen wegens gebrek aan ontzenuwende verklaring van de verdachte. De klachten over motivering, bewijswaardering en afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt faalden, evenals het middel over de dagvaarding en bezit van kinderporno. De conclusie van de procureur-generaal was dat de middelen falen en de veroordeling in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot elf jaar gevangenisstraf wegens doodslag en bezit van kinderporno.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02794 C

Zitting27 september 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij vonnis van 24 juni 2021 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), wegens 1 primair “doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 300 Wetboek Pro van Strafrecht BES” en 4 “een afbeelding – of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben door middel van een geautomatiseerd werk, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 246bis van het Wetboek van Strafrecht BES” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte hebben S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, en J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld, die zij later hebben aangevuld met een nadere toelichting.
3. De eerste vier middelen houden verband met de onder 1 primair bewezenverklaarde doodslag. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire (hierna: het Gerecht) had de verdachte hiervan vrijgesproken, omdat de verdachte en het slachtoffer in de nacht van 14 op 15 april 2015 weliswaar seks hadden gehad en er “mogelijk zelfs een direct verband bestaat tussen de seks en het gewelddadig overlijden”, maar alternatieve scenario’s niet konden worden uitgesloten. Het vijfde middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde bezit van kinderporno.

Het eerste middel

4. Het middel bevat twee klachten over de motivering van de bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag. Ten eerste zou het Hof hebben nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven voor het afwijken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omtrent het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario, welk scenario inhoudt dat (zeer) aannemelijk is dat niet de verdachte maar de vriend van het slachtoffer op 15 april 2015 tussen 01:10 uur en 05:00 uur dan wel tussen 04:00 uur en 05:00 uur de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Ten tweede zou het oordeel van het Hof dat het feitelijke moment waarop de verdachte seks had met het slachtoffer “in tijd min of meer samenvalt met het op het slachtoffer uitgeoefende dodelijke geweld” zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn.
5. Voordat ik deze klachten bespreek, geef ik voor een goed begrip van de zaak weer: de tenlastelegging (randnummer 6), hetgeen door de verdediging is aangevoerd over het alternatieve scenario (randnummer 7), de bewezenverklaring (randnummer 8), de bewijsmiddelen (randnummer 9) en tot slot de bewijsoverweging van het hof, waarin nader wordt ingegaan op de redengevendheid van de bewijsmiddelen (randnummer 10).
6. Aan de verdachte is – na de ‘aanpassing korte omschrijving feit’ in eerste aanleg – onder 1 primair tenlastegelegd:
“dat hij op of omstreeks 15 april 2015, althans in de maand april 2015 op het eiland Saba, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het heeft leven beroofd,
immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] gestranguleerd en/of gewurgd en/of de zuurstoftoevoer van [slachtoffer] afgesloten, door:
- de keel/nek/hals van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of dicht te drukken en/of dichtgedrukt en dichtgeknepen te houden en/of
- een stuk stof en/of ander materiaal, om de keel/nek/hals van die [slachtoffer] te slaan en/of te binden, dit aan te trekken en/of (vervolgens) aangetrokken gehouden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.”
7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 mei 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord ter verdediging gevoerd zoals opgenomen in de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“57. Daarentegen blijkt uit het verhoor van [betrokkene 1] bij de rechter commissaris recentelijk dat hij rond 01.00 uur een bericht van [slachtoffer] had ontvangen, waarna hij naar haar toe is gegaan. Uit andere getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] toen net thuis was, afgezet door cliënt en [betrokkene 2] . Ze heeft even met haar buurmeisje zitten praten en nog wat gedronken en heeft klaarblijkelijk daarna [betrokkene 1] gebeld. [betrokkene 1] is naar aanleiding van bedoeld bericht bij haar langs geweest en heeft seks met haar gehad, volgens eigen zeggen en het aangetroffen DNA.
[…]
71. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] (al dan niet per ongeluk) door haar toenmalige vriend, [betrokkene 1] om het leven is gebracht, als gevolg van gewelddadige uit de hand gelopen wurgseks. Het voornoemde is zeer aannemelijk door de volgende feiten en bewijsmaterialen.
72. Het staat vast dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] een affectieve intieme relatie met elkaar hadden, waar ze regelmatig ruige seks met elkaar hadden. Dit volgt uit verschillende getuigenverklaringen, verklaringen van [betrokkene 1] zelf, en whatsapp gesprekken tussen het slachtoffer en [betrokkene 1] .
73. Dat [betrokkene 1] onder andere in de (na)middag van 14 april 2015 seks met elkaar hadden. Dit volgt onder meer uit een verklaring van [betrokkene 1] , waarin hij aangaf dat hij seks met [slachtoffer] op die dag had gehad, tussen 18:00 en 20:30uur op haar kamer. Hij verklaarde dat
nade ontmoeting en seks met [slachtoffer] , er nog bloed (menstruatie bloed van [slachtoffer] ) onder zijn nagels zat. Uit nader onderzoek blijkt dat [betrokkene 1] onmogelijk tussen 18:00 en 20:30 bij [slachtoffer] was omdat zij op dat moment bezoek bij haar thuis zou hebben gehad en daarna een facetime gesprek met haar vader zou hebben gehad.
74. Uit de inhoud van een Whats-app bericht, gestuurd rond 17:30 uur door [betrokkene 1] aan [slachtoffer] , blijkt dat hij op dat moment al bloed onder zijn nagels had:
“You’re amazing <3 just walked into the library and my hands are bloodied. Didnt even notice haha. Ppl are prob like ughhhh did he just kill someone”.
Hieruit blijkt dat dat [betrokkene 1] leugenachtig verklaart omtrent het tijdstip van het seksueel contact met [slachtoffer] en dat zijn verklaringen omtrent seks met [slachtoffer] met een korreltje zout moeten worden genomen. Dit valt ook af te leiden uit meerdere verklaringen van [betrokkene 1] over zijn seksleven met [slachtoffer] .
75. Sperma van [betrokkene 1] is middels DNA onderzoek in en rond de vagina van [slachtoffer] aangetroffen.
76. Vier dagen voor de dood van [slachtoffer] (11 april 2014) heeft [slachtoffer] via WhatsApp-berichten haar seksuele wensen/ wurgseks fantasieën aan [betrokkene 1] kenbaar gemaakt:
a. Ze vertelde hem dat ze door hem omgedraaid en voorovergebogen wilde worden, en van achteren gepenetreerd wilde worden, (“ik wil je vieze kleine slet zijn die je vooroverbuigt en mept en omdraait”/ “that u bend over and smack and turn around”.)
b. Dat ze tijdens het seks gewurgd wilde worden (“terwijl je me wurgt.”/ “while you choke me...”
c. Dat ze wilde dat hij haar handen zou vastbinden/vasthouden zodat ze niet zou kunnen bewegen (“...en mijn handen vastbindt (of vasthoudt) zodat ik niet kan bewegen./ ‘..and pin my hands up so i can’t move”).
d. Op diezelfde dag schrijft [betrokkene 1] in verschillende WhatsApp berichten aan [slachtoffer] :
NL: “Ik wil gewoon schreeuwen...ofje verkrachten...ik heb liever verkrachten- smiley”.
ENG: Just wanna yellllllllllllll....orrrrrrrrape you.. ..i prefer rape
77. De voornoemde WhatsApp-berichten zijn voor 3 redenen zeer opmerkelijk:
1. De positie en houding waarin het lichaam/het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op haar bed was gevonden, komt nauwgezet overeen met de beschrijving van haar (wurg)seks fantasieën 4 dagen daarvoor(!) aan [betrokkene 1] . Het meest sprekende detail in verband hiermee is dat er uit het autopsie rapport blijkt dat cliënt door verstikking als gevolg van wurging om het leven is gekomen: in de hals van het slachtoffer werd immers inwendige bloedstortingen vastgesteld, welke bij leven volgens de forensisch patholoog-anatoom waren ontstaan door mechanisch (samen) drukkend geweld (stranguleren), opgeleverd door wurgen.
“Het overlijden kan hiermee goed worden verklaard door verstikking, ten gevolge van bovengenoemd doorgemaakt geweld op de hals”... ”Het mechanisch (samendrukkend) geweld (stranguleren) kan zijn opgeleverd door verwurgen (manuale strangulatie)...”
2. Omdat [betrokkene 1] in een verhoor juist aangaf dat ze zeer terughoudend waren bij het seksen, en dat er nauwelijks sprake was van penetratie. De verschillende WhatsApp berichten geeft alles behalve de indruk van terughoudendheid. [betrokkene 1] had duidelijk iets te schuilen door te zeggen dat de seks tussen hem en [slachtoffer] terughoudend was, juist om zichzelf te distantiëren van enig vermoeden van een seksueel gewelddadig delict (motief om zich van ruige/wurg seks te distantiëren). Hij gaf ook aan dat deze terughoudendheid door hun religie kwam, maar uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat [betrokkene 1] een “player’ was die met verschillende meisjes tegelijk seks had. Hieruit blijkt eveneens dat [betrokkene 1] leugenachtig verklaart omtrent zijn seksleven met [slachtoffer] .
3. Uit het autopsierapport blijkt tevens dat er geen letsel aan de geslachtsdelen van [slachtoffer] werd aangetroffen. Hieruit blijkt dat de (wurg) seks die voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, consensueel en vrijwillig was. Uit de WhatsApp berichten met [betrokkene 1] blijkt dat ze vrijwillig wurgseks met hem zou willen hebben. Dit verklaart waarom iemand zonder tekenen van verkrachting door gewelddadige (wurg)seks komt te overlijden; omdat die persoon
het zelf wilde.
78. Volgens getuige [betrokkene 3] heeft [slachtoffer] haar ook advies gevraagd over “choking” en vroeg of tijdens ruige seks het normaal is om aan de haren te worden getrokken.
79. Volgens getuige [betrokkene 4] (een vriendin van [slachtoffer] ) hield zij op seksueel gebied van “hairpulling” en “doggystyle’ en dat [slachtoffer] tegen haar had gezegd dat
ze fantasieën had om “min of meer” verkracht te worden. Al het voornoemde heeft [slachtoffer] volgens [betrokkene 4] aan haar verteld
gedurende de periode dat [slachtoffer] een relatie had met [betrokkene 1]. [slachtoffer] had ook aan [betrokkene 4] verteld dat ze iets heeft gevonden om haar geluiden tijdens seks te dempen. Dit zou volgens [betrokkene 4] iets “fysieks” zijn geweest (vermoedelijk wurgen). Verder vroeg [slachtoffer] aan [betrokkene 4] of pijn na ruige seks normaal is.
80. Volgens getuige [betrokkene 5] (kamergenoot van [betrokkene 1] ) bleef [slachtoffer] regelmatig bij [betrokkene 1] slapen en [betrokkene 5] was op de hoogte dat [betrokkene 1] en [slachtoffer] seks hadden. [slachtoffer] zei tegen [betrokkene 5] dat de seks tussen haar en [betrokkene 1] soms ruig werd en vroeg of dit normaal is.
81. [betrokkene 1] verklaarde tijdens een verhoor dat hij toen [slachtoffer] hem opbelde al aan het slapen was. Dit was volgens hem rond 1.00 uur. Volgens getuige [betrokkene 5] (kamergenoot van [betrokkene 1] ) ging [betrokkene 1] echter iets later naar zijn kamer (rond 1.15 uur). [betrokkene 5] geeft verder aan dat het mogelijk is dat [betrokkene 1] stiekem het huis verliet hierna, aangezien hij dit wel vaker deed. [betrokkene 5] zag [betrokkene 1] in ieder geval rond 5.00 uur (toen [betrokkene 5] wakker werd) uit zijn kamer komen.
82. [betrokkene 1] had aan getuige [betrokkene 5] (zijn kamergenoot) een seks video laten zien waar hij seks heeft met zijn ex-vriendin. Op de video kon [betrokkene 5] duidelijk tweemaal zien
hoe [betrokkene 1] zijn ex-vrienden tijdens seks wurgde.
83. Volgens getuige [betrokkene 5] probeerde [betrokkene 1] op 15 april (de dag dat [slachtoffer] dood in haar bed werd aangetroffen) een alibi te zoeken bij hem. Op 15 april was [betrokkene 1] samen met [betrokkene 5] (en enkele andere studenten) thuis. Op een gegeven moment vroeg [betrokkene 1] aan [betrokkene 5] om met hem mee te gaan naar zijn kamer, en deed vervolgens de deur dicht. Toen vroeg [betrokkene 1] aan [betrokkene 5] het volgende:
“If the police interviews you, tell them that at night you had a question, you knocked on my door at 2, 2:30 and 3:00 in the morning. You saw me asleep in bed. Because i am afraid the Saba police will try to frame me”.
Een eensluidende vraag werd volgens [betrokkene 3] ook 2 dagen later (17 april 2015) aan haar en [betrokkene 5] gevraagd.
“The police has cleared me as a suspect, but you guys have to have my back and can you say that you saw me at 2:00, 2:30 and 3:00”.
[betrokkene 1] probeerde dus een alibi veilig te stellen bij 2 getuigen! Waar hij aan zijn kamergenoot( [betrokkene 5] ) en zijn vriedin (die die avond bij [betrokkene 5] is blijven slapen)
verzocht om voor hem te liegen (aanqezien ze beide verklaren dat ze hem tussen in ieder geval 1.00 uur en 5.00 uur juist niet hebben gezien). Het feit dat [betrokkene 1] steeds het tijdstip tussen 2.00 uur en 3.00 uur benadrukt, is ook opmerkelijk. Dit zou kennelijk de tijdspanne zijn geweest in welke hij juist
nietthuis was, aangezien hij zo wanhopig voor die tijdspanne een alibi probeert te verzekeren. Dat dit ook de tijdspanne direct nadat [slachtoffer] contact met hem zocht/hem opbelde, is zeer sprekend.
84. Bovendien kan wurgseks gevaarlijk zijn, vooral als de deelnemers onervaren hiermee zijn. Een simpele Google-zoekopdracht laat zien dat dit verreweg niet het eerste geval is van (vermoedelijk) uit de hand gelopen wurgseks. [slachtoffer] was kennelijk voorafgaand aan haar relatie met [betrokkene 1] niet bekend hiermee, aangezien ze advies vroeg aan ruim 3 getuigen ( [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5] ) over ruige seks en zich af vroeg of bepaalde dingen (zoals pijn en haren trekken) tijdens ruige seks wel normaal is (tijdens haar relatie met [betrokkene 1] ). Derhalve is het ook zeer waarschijnlijk dat ze door uit de hand gelopen wurgseks om het leven is gekomen. Er is bovendien een overvloed aan bewijs en omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] degene was met wie zij deze wurgseks had,
en niet cliënt.
85. Het feit dat de wijze en positie waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen zeer nauwgezet overeenkomt met haar seksuele wensen die zij in haar WhatsApp bericht aan [betrokkene 1] (4 dagen eerder) had beschreven, het feit dat ze uitdrukkelijk aangaf gewurgd te willen worden door hem, en het feit dat uit het autopsierapport is gebleken dat ze door verstikking als gevolg van wurging is komen te overlijden, wijst op de waarschijnlijkheid dat zij door (uit de hand gelopen) wurgseks met [betrokkene 1] om het leven is gekomen. Het voornoemde wordt verder onderstreept door het feit dat er geen gebruikelijke kenmerken van verkrachting aanwezig waren. Uit het autopsierapport blijkt namelijk dat geen letsel/beschadiging aan haar geslachtdelen is aangetroffen.
86. Het feit dat [betrokkene 1] ook aangaf haar te willen verkrachten (duidelijk sprake van verkrachtingsfantasieën en ruige gewelddadige seks fantasieën wederzijds) bevestigt dit verder. Het sperma van [betrokkene 1] is bovendien in haar vagina aangetroffen. Het feit dat [betrokkene 1] aangaf ook eerder op die dag seks met haar te hebben gehad maakt het niet minder waarschijnlijk dat ze ook in de vroege uren van 15 april (kennelijk tussen 1:15uur en 5:00 uur) weer seks hebben gehad.
87. Vooral gezien het feit dat [slachtoffer] contact zocht met [betrokkene 1] die nacht nadat ze werd af gezet door haar vriendinnen en [verdachte] . Het is verder ook waarschijnlijk dat wurgseks tot de dood kan lijden, vooral wanneer de deelnemers niet deskundig zijn op dit gebied. Uit getuigenverklaringen valt in ieder geval af te lijden dat [slachtoffer] (in ieder geval voorafgaand aan haar seksuele relatie met [betrokkene 1] niet ervaren was met ruige seks, laat staan wurgseks, waardoor de kans op mislukte wurgseks groot is.
88. Tenslotte legt [betrokkene 1] leugenachtige verklaringen af en probeert getuigen te overhalen en beïnvloeden om hem een alibi te verschaffen.
89. Naar aankleding van alle voornoemde omstandigheden, feiten en bewijsmaterialen, kan worden geconcludeerd dat er een overvloed aan bewijs aanwezig is dat er sprake was van een alternatief scenario: de waarschijnlijkheid dat [slachtoffer] door [betrokkene 1] doormiddel van uit de hand gelopen wurgseks om het leven is gekomen, tussen 1:15/1:30 en 5:00uur; een tijdspanne waarin [betrokkene 1] niet overtuigend voor kan verantwoorden (en waarin hij uitdrukkelijk een alibi probeert te verzekeren).
90. Client had daarentegen wel een echt alibi tussen de tijd dat hij en [betrokkene 2] [slachtoffer] thuis hebben afgezet (omtreeks 1:30 uur) en de tijd dat hij het huis van [betrokkene 2] verliet (omstreeks 4 uur). Toen was cliënt immers op bezoek bij [betrokkene 2] . [betrokkene 2] verklaart dat het even heeft geduurd voordat zij aankamen bij haar thuis, aangezien ze onderweg twee keren waren gestopt om te rusten, omdat [betrokkene 2] erg moe was en zelf aan het trillen was. Ze moest immers op een muurtje gaan zitten. Toen zij bij haar thuis aankwamen geeft [betrokkene 2] aan dat ze ongeveer anderhalf uur op onder andere haar bank bleven praten. Toen [verdachte] wegging was het volgens [betrokkene 2] tussen 2:30 uur en 3:00 uur. De exacte tijd kan [betrokkene 2] niet met zekerheid aangeven omdat zij zelf aangeeft dat zij geen geen horloge had.
91. [verdachte] verklaart dat hij omstreeks 4.00 uur het huis van [betrokkene 2] verliet. Aangezien [betrokkene 2] niet met zekerheid aan kan geven wanneer [verdachte] wegging en zelf aangeeft dat ze niet naar de tijd keek, kan ervan uit worden gegaan dat dit ook later had kunnen zijn. [betrokkene 2] gaf die avond ook aan erg moe te zijn, waardoor (vooral gezien het tijdstip) haar “gevoel” omtrent hoe laat het was toen [verdachte] vertrok temeer niet met zekerheid kan worden gevolgd. [betrokkene 2] gaf ook zelf aan ze “heel slecht” is in het schatten van tijden:
“..daar ben ik vanaf kind heel slecht in”. [betrokkene 2] ’s verklaringen omtrent hoe laat [verdachte] was vetrokken zijn dus onbetrouwbaar.
92. Aangezien cliënt aangaf dat hij omstreeks 4.00 uur is vertrokken en ook omstreeks 4.00 uur door een getuige [betrokkene 6] tegenkwam op straat, kan worden geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat [verdachte] inderdaad rond die tijd is vertrokken. Het duurt immers maar een paar minuten van [betrokkene 2] ’s huis naar het huis van cliënt. De mogelijkheid dat [verdachte] tussen 3.00 uur en 4.00 uur naar [slachtoffer] is gegaan, haar heeft verkracht en vermoord of met haar uit de hand gelopen wurgseks had, is dus zeer onwaarschijnlijk.
93. Deze mogelijkheid steunt met name op de door haarzelf toegegeven onbetrouwbare verklaringen van [betrokkene 2] . Dit is verder ook gebaseerd op het feit dat [verdachte] door getuige [betrokkene 6] is gespot in de buurt van de woning van [slachtoffer] , maar tegelijktijdig ook in de buurt van zijn eigen woning. In de buurt van de woning van [slachtoffer] is immers ook “in de buurt” van zijn eigen woning, aangezien [verdachte] in het gebouw naast het gebouw van [slachtoffer] woont. Client is niet bijvoorbeeld uit het gebouw van [slachtoffer] komen lopen, volgens [betrokkene 6] , waardoor niet overtuigend kan worden bewezen dat hij tussen 3.00 uur en 4.00 uur bij [slachtoffer] was.
94. Het feit dat [verdachte] sperma in de anus van [slachtoffer] is aangetroffen bewijst evenmin overtuigend dat hij haar tussen 3.00 uur en 4.00 uur heeft verkracht. Client gaf namelijk aan dat zij een heimelijke puur seksuele relatie met elkaar hadden en dat zij eerder de dag daarvoor (14 april 2015) seks hadden. Het feit dat niemand toendertijd hiervan afwist is daarom ook begrijpelijk. Na de dood van [slachtoffer] ging wel opeens de roddel rond dat ze een heimelijke relatie met elkaar hadden.
95. Kortom, cliënt dient te worden vrijgesproken van het eerste ten laste gelegde feit, omdat er niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat cliënt zich aan dit feit schuldig heeft gemaakt en bovendien is er een overduidelijk alternatief scenario denkbaar.”
8. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 15 april 2015, op het eiland Saba, opzettelijk [slachtoffer] van het leven
heeftberoofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] gestranguleerd en/of gewurgd en de zuurstoftoevoer
voor[slachtoffer] afgesloten, door:
- de hals van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of dicht te drukken en/of dichtgedrukt en dichtgeknepen te houden en/of
- een stuk stof hals van die [slachtoffer] te slaan en te binden, dit aan te trekken en vervolgens aangetrokken
te houden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.”
9. Als bewijsmiddelen heeft het Hof ten aanzien van feit 1 de volgende stukken gebruikt:
“Aantreffen slachtoffer [slachtoffer] , haar overlijden en forensische bevindingen
1. Een proces-verbaal van verhoor
getuige [betrokkene 7](aantreffen stoffelijk overschot [slachtoffer] ), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201507171006.202, onderzoeksdossier Hector AMB, map 1 van 5, p. 65, gesloten en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk Hoofdagent en agent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 17 juli 2015, voor zover inhoudende de verklaring van voornoemde getuige, zakelijk weergegeven:
Ik geef aan hoe ik [slachtoffer] heb aangetroffen
(het Hof begrijpt: op 15 april 2015, locatie slaapkamer woning [slachtoffer] te Saba). Zij lag met haar buik op bed, haar handen waren op haar rug met haar polsen tegen elkaar. Haar handen waren tot min of meer een vuist gebogen. Haar handen waren niet vastgebonden. [slachtoffer] had een jurk aan, die tot haar heup was opgetrokken. Haar onderlichaam was naakt.
2. Een proces-verbaal van
bevindingen onnatuurlijke dood, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 20150416.0920.052.132, onderzoeksdossier Hector AMB p. 15, gesloten en ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 16 april 2015, voor zover inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 15 april 2015 bevond ik mij op dienst. Op voornoemde datum rond 11.08 uur kwam een melding binnen via de hoofdlijn van het Politieburo Saba. Ik hoorde de melder zeggen dat de politie met spoed bij de appartementen van […] moest komen. De melder gaf door dat er iemand in het appartement ligt welke geen teken van leven gaf. Omstreeks 11.10 uur zijn wij op het adres [a-straat 1] aangekomen. In de kamer zag ik een vrouw welke op haar rug lag. Verder zag ik dat de vrouw een kleurig bloesje (het Hof begrijpt: opgestroopte jurk) aan had en dat haar onderlijf bloot was.
3. Het
schouwingsrapportvan [betrokkene 8] , arts te Saba, d.d. 15 april 2015, betreft [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1991, te [geboorteplaats] , onderzoeksdossier Hector AMB p. 19, voor zover inhoudende de verklaring van voornoemde arts, zakelijk weergegeven:
Om 11.00 AM (Hof: op 15 april 2015) kwam er een melding binnen in het ziekenhuis van een lijkvinding. Ik ben naar de plaats delict gegaan. Diverse personen hadden het stoffelijk overschot aangeraakt en van buikligging op rugligging verplaatst. Het lijk is teruggerold naar de waarschijnlijke positie waarin het lijk in eerste instantie is aangetroffen. Het lijk lag (hierna) in min of meer gestrekte positie op de buikzijde, op het bed, met het hoofd in een kussen verscholen. Beide armen waren licht richting de rug gedraaid. De kleding was deels over het lichaam, en verder was het lichaam naakt, geen onderbroek, wel een BH en jurk.
4. Een
rapport van het NFId.d. 21 april 2015, (
oorzaak overlijden), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 171, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Malkoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 24 jaren, kan het overlijden goed worden verklaard door verwikkelingen van inwerking van uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld, al of niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals. (manuele strangulatie, ligatuurstrangulatie door verhanging of ligatuurstrangulatie anderszins dan in het kader van verhanging.) Hoewel er geen letsels aan de mond/neus waren, is gezien de houding waarin ze is aangetroffen met het gezicht omlaag in het kussen, een extra component van verstikking door belemmering van de neus/mond niet uitgesloten.
5. Een
rapport van het NFId.d. 6 juli 2015, (
sjaal), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 191, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
De sectiebevindingen passen bij een doorgemaakte ligatuurstrangulatie door middel van een sjaal.
De plaats delict
6. Een proces-verbaal van bevindingen,
eerste onderzoek PD, (
geen braak of worstelingsporen), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 20150416.1700, onderzoeksdossier Hector AMB p. 27, gesloten en ondertekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , respectievelijk opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee en agent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 15 april 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant [verbalisant 4] , nam het volgende waar:
- geen indicatie dat de slaapkamer, woonkamer en keuken doorzocht waren.
- geen indicatie dat er spullen of meubels misplaatst en/of verschoven zijn in de woning.
- geen braaksporen zichtbaar bij de deur en ramen.
- in de woning lagen diverse waardevolle goederen.
7. Een proces-verbaal van bevindingen, (
vest), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201507131027.AMB, onderzoeksdossier Hector AMB p. 31, gesloten en ondertekend door [verbalisant 6] , inspecteur, tijdelijk werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 15 juli 2015, voor zover inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op één van de foto's werd op het bed een op een sjaal gelijkend kledingstuk waargenomen. Een (langgerekt) gedeelte van de “sjaal” lag in een rechte lijn in de richting van de hals van het slachtoffer. Het uiteinde zat klaarblijkelijk in het haar van het slachtoffer. Door personeel van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag werd een foto gemaakt van de “sjaal” welke was aangetroffen op het bed. Uit deze foto bleek dat het geen “sjaal” was, maar een “vest”, (fotobijlage 2) Uit deze foto kan worden opgemaakt dat het langgerekte gedeelte één van de mouwen is geweest.
Nadere forensische bevindingen: slachtoffer [slachtoffer] , haar jurk en gebruik GSM
8. Een
rapport van het NFId.d. 6 juli 2015, (
tijdstip overlijden), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 192, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
Volgens de verklaring van [betrokkene 8] was het lichaam volledig lijkstijf ten tijde van de vinding (Hof: omstreeks 11.10 uur). Dat gebeurt naar schatting rond de 6-12 uren na de dood.
9. Een proces-verbaal van bevindingen
onderzoek Apple Iphone 5C(AAIN470NL) (ten aanzien van laatste telefoongebruik [slachtoffer] ), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 20160401.1521, onderzoeksdossier Hector AMB p. 1367, gesloten en ondertekend door [verbalisant 7] , buitengewoon agent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 3 augustus 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb onderzoek gedaan naar logbestanden die iets zouden kunnen zeggen over de handelingen die met het toestel (Hof: van het slachtoffer [slachtoffer] ) hebben plaatsgevonden. Uit deze analyse is gebleken dat de applicatie Whatsapp op 15 april (Hof: 2015) om 1.01 uur voor het laatst gebruikt is.
10. Een
rapport van het NFId.d. 1 juli 2015 (
alcoholgebruik en drugs), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 194/202, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
Er zijn bij toxicologisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van koolmonoxide, geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen. Volgens de toxicoloog is de gemeten ethanol (alcohol) concentratie in het bloed een concentratie waarbij onder andere een verminderde reactiesnelheid en veranderde waarneming kunnen optreden. Een bijdrage van ethanol (alcohol), drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden van [slachtoffer] kan niet worden geconcludeerd en het overlijden niet worden verklaard.
11. Een rapport van het NFI naar
biologische sporen en DNA onderzoek, onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 439, d.d. 24 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. B. Kokshoorn, rapporteur, zakelijk weergegeven:
Bemonstering ZAAC3088NL#05 van de anus van het slachtoffer
Het Y-chromosomale DNA-profiel van [verdachte] matcht met het afgeleide Y-chromosomale DNA-profiel van het DNA in deze bemonstering. Dit betekent dat [verdachte] donor kan zijn van een prominente hoeveelheid mannelijk celmateriaal in deze bemonstering.
Hypothese I: De prominente hoeveelheid mannelijk celmateriaal in de bemonstering ZAAC3088NL#05 is afkomstig van [verdachte] .
Hypothese II: De prominente hoeveelheid mannelijk celmateriaal in de bemonstering ZAAC3088NL#05 is afkomstig van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan [verdachte] verwante man.
De resultaten van het vergelijkend Y-chromosomale DNA onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan wanneer hypothese II waar is.
12. Een
rapport van het NFInaar
biologische sporen en DNA onderzoek(sperma op jurk), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 439, d.d. 24 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. B. Kokshoorn, rapporteur, zakelijk weergegeven:
Bemonsteringen van de jurk AAGX0502NL
Het autosomale DNA-profiel van [verdachte] RABK7784NL matcht met het autosomale DNA-profiel van het DNA in de bemonstering AAGX0502NL#02 van de jurk. Dit betekent dat [verdachte] donor kan zijn van een deel van het DNA in deze bemonstering.
Op basis van de gecombineerde resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek is geconcludeerd dat het DNA waarvan het DNA-profiel matcht met dat van [verdachte] (ten minste gedeeltelijk) afkomstig is van spermacellen.
13. Een
rapport van het NFId.d. 6 juli 2015, (
handen), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier,p. 162 en 193, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
"De bandvormige afdruk aan de buigzijde van de linker onderarm is consistent met omsnoering, zoals ... bijvoorbeeld een kabelbinder (tiewrap) in het kader van vastbinden... voor het overlijden".
Hypothese I: de armen/polsen zijn niet gebonden /vastgehouden dan wel anders gefixeerd geweest.
Hypothese II: de armen/polsen zijn wel gebonden /vastgehouden dan wel anders gefixeerd geweest.
Antwoord: gezien de foto's van het lichaam bij aantreffen, is hypothese II waarschijnlijker dan hypothese I.
14. Een
rapport van het NFId.d. 6 juli 2015, (
sjaal), onderzoeksdossier Hector, Forensisch Dossier, p. 191, voor zover inhoudende als verklaring van Dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:
De sectiebevindingen passen bij een doorgemaakte ligatuurstrangulatie door middel van een sjaal.
Verdachte over seksueel contact met [slachtoffer]
15. De
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 14 april 2015 in de vooravond, tussen 19.00 en 20.00 uur, seks gehad met [slachtoffer] , in haar woning, op haar bed. Ik ben klaargekomen. Ik ben ongeveer een half uur bij haar gebleven. Ik heb geen seks met haar gehad op 15 april 2015.
De gangen van de verdachte in de vroege ochtend van 15 april 2015
16. De
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven :
Ik ben [slachtoffer] weer tegengekomen toen ik uitging, dat was rond een uur of tien (Hof: 14 april 2015, 22.00 uur). Wij waren niet samen, ik was met een vriend. Ik ben wel met een hele groep, waaronder [slachtoffer] , in de auto van [betrokkene 9] (Hof: [betrokkene 9] ) teruggereden. [betrokkene 2] , [slachtoffer] en ik zijn bij het appartement van [slachtoffer] uitgestapt. Dat was rond een uur of één 's nachts (Hof: 15 april 2015). We hebben nog even staan praten en toen heb ik [betrokkene 2] (Hof: [betrokkene 2] ) begeleid naar haar huis. Daar ben ik gebleven, tot ik rechtstreeks van haar huis naar mijn huis ben gelopen. Ik heb geen “short cut” genomen.
17. Een proces-verbaal van
horen getuige [betrokkene 2](vertrektijd verdachte), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201506121300. [betrokkene 2] , onderzoeksdossier Hector, dossier verhoor getuigen M t/m Z, p. 722, gesloten en ondertekend door [verbalisant 8] , respectievelijk hoofdinspecteur en inspecteur bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 19 juni 2015, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:
Ik denk dat wij rond 00.30 of 00.45 (Hof: 15 april 2015) uur bij [slachtoffer] 's huis waren.
18. Een proces-verbaal van
horen getuige [betrokkene 2](vertrektijd verdachte), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2015, zaaknummer 2015/23, onderzoeksdossier Hector, dossier verhoor getuigen M t/m Z, p. 675, gesloten en ondertekend door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 15 april 2015, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:
[betrokkene 9] (Hof: [betrokkene 9] ) heeft ons omstreeks 00.15 uur (Hof: 15 april 2015) voor de woning van [slachtoffer] afgezet. [verdachte] , [slachtoffer] en ik zijn uit de auto gestapt. Wij liepen naar haar kamer om haar daar te laten. [slachtoffer] zei tegen [verdachte] dat hij moest zorgen dat ik veilig thuiskwam. Hierna zijn [verdachte] en ik weggegaan van daar. Wij zijn naar mijn huis gelopen alwaar hij binnenkwam. Wij hebben daar zitten praten voor zeker een goede anderhalf uur.
19. Een proces-verbaal van
horen getuige [betrokkene 2](vertrektijd verdachte), geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201506121300. [betrokkene 2] , onderzoeksdossier Hector, dossier verhoor getuigen M t/m Z, p. 700, gesloten en ondertekend door [verbalisant 10] en [verbalisant 6] , respectievelijk hoofdinspecteur en inspecteur bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 19 juni 2015, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:
Toen ik samen met [verdachte] de woning van [slachtoffer] verliet ben ik met hem in de richting van mijn woning gelopen. Daar aangekomen heb ik [verdachte] uit beleefdheid mee naar binnen gevraagd. Ik heb eerder verklaard dat [verdachte] rond 2.30 - 03.00 uur bij mij was weggegaan. Ik had geen reden daaraan te twijfelen. Maar zoals ik al eerder verklaard heb, heeft [verdachte] gezegd dat het 4.00 uur was. [slachtoffer] droeg die avond een roze jurk met bloemen.
20. Een proces-verbaal van
bevinding betreffende verklaring van getuige [betrokkene 10], geregistreerd onder proces-verbaalnummer 201506124.202, onderzoeksdossier Hector, dossier verhoor getuigen M t/m Z, p. 508, gesloten en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 24 juni 2015, voor zover inhoudende als bevinding van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 10 juni 2015 werd door mij, verbalisant een getuigenverklaring opgenomen van een vrouw, genaamd [betrokkene 10] . In haar verklaring gaf zij het volgende aan: “Toen we waren aan het praten was [betrokkene 2] (Hof: [betrokkene 2] ) de nacht aan het recapituleren. Zij had gezegd dat [verdachte] samen met haar naar huis was gelopen en dat hij binnen was geweest en dat hij na twee uur was weggegaan. Het was omstreeks 03.00 uur dat [verdachte] was weggegaan. [verdachte] had die dag ook bevestigd dat het zo was gegaan”.
21. De
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven:
Ik ben in de nacht van 15 april 2015 om 04.00 uur lopend vertrokken van de woning van [betrokkene 2] . Ik ben rechtstreeks van haar huis naar mijn huis gelopen. Toen ik op de trap voor de deur van mijn huis stond zag ik [betrokkene 6] . Ik heb hem gegroet en ben naar binnen gegaan.
22. Een proces-verbaal van
horen getuige [betrokkene 6](ten aanzien aantreffen verdachte op straat om 4 uur 's nachts), geregistreerd onder proces-verbaalnummer, onderzoeksdossier Hector AMB p. 91, gesloten en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en agent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 2 mei 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag (Hof: 15 april 2015) werd ik om 03.00 uur wakker. Omstreeks 04.00 uur verliet ik mijn woning om naar school te gaan. Die ochtend was het nog donker buiten en ik was via de weg naar school gegaan. Onderweg kwam ik een medestudent genaamd [verdachte] (Hof: [verdachte] ) tegen. Ik was tussen 4.00 uur en 4.05 uur op school aangekomen. Ik had naar mijn horloge gekeken. Dus ik was [verdachte] 5 à 10 minuten daarvoor tegengekomen. De getuige heeft geschetst waar hij had gelopen en waar hij [verdachte] is tegengekomen, (bijlage 1, p. 101) Hij verklaarde dat hij in de avond de route in de bosschage niet kan nemen want het is daar donker en tevens is er een hek dat na 19.00 uur op slot wordt gedaan.
23. Een proces-verbaal van bevindingen, met foto van
route woningen op campus, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 20150519.1100, onderzoeksdossier Hector VD2, deel 1, p. 30, gesloten en ondertekend door [verbalisant 11] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en agent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 20 mei 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Om een duidelijk beeld te krijgen welke route door de getuige [betrokkene 6] precies werd gelopen en waar hij exact [verdachte] had gezien, zijn wij, verbalisant, samen met de getuige deze route gaan lopen. (met fotobijlagen).”
10. Het bestreden vonnis bevat ten aanzien van feit 1 de volgende bewijsoverweging (met weglating van voetnoten):
“5.3.1 Inleidend
De inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen dwingt op zichzelf beschouwd niet zonder meer tot het oordeel dat het de handelingen van de verdachte zijn geweest, die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer] . Immers, het verband tussen wat met die bewijsmiddelen in feitelijke zin is komen vast te staan en wat in het bestek van de tenlastelegging met het oog op bewezenverklaring door de procureur-generaal aan het Hof is voorgelegd, is in overwegende mate indirect.
De redengevendheid van die bewijsmiddelen en daarmee de bewijskracht daarvan voor het hierna te vellen bewijsoordeel volgt - zoals in iedere strafzaak - uit hun onderlinge verband en samenhang. Hierna zal die redengevendheid nader worden uiteengezet. Daarbij betrekt het Hof wat door de verdachte daarover (niet) naar voren is gebracht.
5.3.2 De oorzaak van het overlijden van [slachtoffer]
Het lijk van [slachtoffer] is op 15 april 2015 korte tijd voor 11.00 uur aangetroffen. Haar lichaam lag in buikligging op het bed in haar appartement. Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat zij door verstikking om het leven is gekomen, waarbij verstikking door manuele strangulatie of ligatuurstrangulatie met behulp van een sjaal de meest aannemelijke hypothese is. Ten tijde van haar overlijden verkeerde [slachtoffer] onder invloed van alcohol.
5.3.3 Alcoholgebruik door [slachtoffer]
Een bloedalcoholgehalte van 0,9 mg/ml in (hart)bloed is gemeten. Het is aannemelijk dat het in die mate onder invloed van alcohol verkeren bij [slachtoffer] een verminderde reactiesnelheid en veranderde waarneming tot gevolg heeft gehad.
5.3.4 De bepaling van het tijdstip waarop [slachtoffer] is overleden
De mobiele telefoon van [slachtoffer] is voor het laatst gebruikt op 15 april 2015 om 01.01. Er is in het geheel geen aanleiding om dat gebruik aan een ander toe te schrijven dan aan [slachtoffer] . Op 15 april 2015 omstreeks 11.10 uur is vastgesteld dat het lichaam volledig was verstijfd. Bij het in aanmerking nemen van de met het intreden van lijkstijfheid in het algemeen gemoeide tijd - een periode van 6 tot 12 uur - is de conclusie gerechtvaardigd dat [slachtoffer] 's dood is ingetreden op 15 april 2015 tussen 01.01 uur en 05.00 uur.
5.3.5 Wat sporen uitwijzen
De verdachte heeft erkend dat hij met [slachtoffer] seksueel contact heeft gehad, in haar woning op het bed waarop zij op 15 april 2015 dood is aangetroffen. Bij dat contact is het gekomen tot een zaadlozing, aldus de verdachte. Deze verklaring vindt verankering in de resultaten van forensisch onderzoek. Immers, onderzoek op de bemonstering van in de anus van [slachtoffer] aangetroffen sporenmateriaal heeft uitgewezen dat daarin sperma van de verdachte is aangetroffen. En onderzoek aan sporen op de door [slachtoffer] gedragen jurk heeft de deskundige tot de conclusie gebracht dat het DNA waarvan het DNA-profiel matcht met dat van [verdachte] (ten minste gedeeltelijk) afkomstig is van spermacellen.
5.3.6 Het samenvallen van het seksueel contact met en het overlijden van [slachtoffer]
Het appartement
De toegangsdeur tot [slachtoffer] 's appartement vertoonde geen schade, niet aan de binnen- noch aan de buitenzijde daarvan. Het interieur was in ordentelijke staat. Met andere woorden: er zijn geen aanwijzingen dat iemand zich met braak/geweld de toegang tot het appartement heeft verschaft.
Hoe is het lijk van [slachtoffer] aangetroffen
De positie van het lijk van [slachtoffer] laat weinig aan de verbeelding over. Zij lag gestrekt op haar bed, op de buik. Behalve de jurk en een BH was zij naakt. De jurk was tot haar middel omhooggeschoven. Haar armen waren gestrekt, achterwaarts met de handen op de onderrug, de handpalmen naar boven gericht. Ook de benen waren gestrekt. Op het bed, naast het slachtoffer lag een vest. Eén van de mouwen van dat vest was opvallend en aanzienlijk uitgerekt, welke mouw in het haar van het lijk van [slachtoffer] was gewikkeld.
Forensisch onderzoek aan het lijk van [slachtoffer]
Aan het lichaam van [slachtoffer] zijn geen uitwendige letsels of afwijkingen aangetroffen. Meer in het bijzonder: hals, vagina en anus vertoonden geen letsels of afwijkingen. De linker-onderarm vertoonde een door omsnoering ontstane bandvormige afdruk met rode randen aan de buigzijde. De handen van [slachtoffer] zijn waarschijnlijk bij leven achter de rug gefixeerd. In tegenstelling tot wat uitwendig kon worden vastgesteld zijn inwendig wél letsels aangetroffen. Het zijn deze letsels die het mogelijk hebben gemaakt de doodsoorzaak te benoemen, in de kern erop neerkomend dat manuele en/of ligatuurstrangulatie, al dan niet in combinatie met verstikking door smoren de dood hebben veroorzaakt. Een bloedalcoholgehalte van 0,9 mg/ml in (hart)bloed is gemeten, met verminderde reactiesnelheid en veranderde waarneming tot gevolg.
5.3.7 Bewijsmiddelen 15 en 21: kennelijk leugenachtige verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft in het licht van wat is komen vast te staan gelogen, waar hij zegt (en is blijven zeggen) dat hij met [slachtoffer] in haar woning seksueel verkeer heeft gehad, uitdrukkelijk niet in de nacht van 15 april 2015, maar wel op de avond van 14 april 2015, tussen 19.00 en 20.00 uur.
De gangen van zowel de verdachte als die van het slachtoffer [slachtoffer] zijn door de politie in kaart gebracht. Gebleken is dat [slachtoffer] tussen 19.08 en 19.44 thuis bezoek heeft gehad van medestudenten. Vanaf 19.47 tot 20.07 heeft zij met haar vader getelefoneerd, waarna dat contact van 20.20 tot 20.32 via FaceTime is voortgezet. Ondertussen is [slachtoffer] met een jurk in de weer geweest, en heeft zij tijdens en tussen de twee gesprekken met haar vader door whatsappconversatie gevoerd met [betrokkene 2] en [betrokkene 11] . Nadat zij de jurk had aangetrokken, is haar buurvrouw [betrokkene 12] haar komen helpen met het dichtritsen van de jurk. Vervolgens is zij haar jurk aan [betrokkene 12] en twee andere buren [betrokkene 13] en [betrokkene 14] gaan tonen, waarna zij naar de universiteit is gelopen, waar zij om 20.51 uur arriveerde.
Van de verdachte is bekend geworden dat hij in de middag naar de gym is geweest, dat hij om 19.06 en 19.32 uur via iMessage contact had met [betrokkene 15] , waarna hij van 19.50 tot 20.00 uur via internet online bankzaken heeft geregeld. Deze kennelijke leugenachtigheid vindt overigens verankering in wat ten aanzien van de door [slachtoffer] gedragen jurk is komen vast te staan. Zij heeft deze jurk eerst op 14 april 2015 kort voor 20.51 uur aangetrokken en gedragen. De op die jurk aangetroffen en tot de verdachte te herleiden spermasporen kunnen daarom niet al op 14 april 2015 vóór dat tijdstip daarop zijn terechtgekomen. Op grond van dit een en ander moet worden geconcludeerd dat het seksueel verkeer van de verdachte met [slachtoffer] moet hebben plaatsgehad op 15 april 2015, in het tijdvak tussen 01.01 uur en 05.10 uur.
Ook op een ander onderdeel heeft de verdachte kennelijk leugenachtig verklaard. Volgens zijn verklaring is hij omstreeks 04.00 over de weg lopend vanaf de woning van de getuige [betrokkene 2] vertrokken naar huis. Uit verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 10] volgt, dat het juist is dat de verdachte de woning van [betrokkene 2] heeft verlaten, echter niet om 04.00 maar omstreeks 02.30-03.00 uur. Voorts verklaart de verdachte dat hij, staand op de trap voor zijn woning de getuige [betrokkene 6] heeft gezien en gesproken, terwijl de getuige [betrokkene 6] hem op een andere plek heeft gezien De plek waar [betrokkene 6] hem heeft zien lopen (ter hoogte van een door hem aangewezen transformatorhuisje) past niet bij de route naar verdachtes appartement, komend vanaf het appartement van [betrokkene 2] , immers die plek is reeds voorbij verdachtes woning. Die plek ligt wél op de weg die voert naar het appartement van [slachtoffer] . Gelet op wat door [betrokkene 6] is verklaard, kwam de verdachte uit de richting van dat appartement.
Het Hof merkt deze verklaringen als kennelijk leugenachtig aan, en het Hof houdt het ervoor dat de verdachte aldus heeft verklaard (en daarbij heeft volhard) om de waarheid te bemantelen dat:
- het moment van het achterlaten van zijn spermasporen op/in en bij [slachtoffer] in rechtstreeks verband staat met het moment waarop hij jegens [slachtoffer] gewelddadige handelingen heeft verricht, waarbij zij het leven heeft gelaten, en
- hij zich omstreeks 04.00 uur lopend op straat bevond, komende van de woning van [slachtoffer] en gaande in de richting van zijn eigen woning.
Het Hof overweegt voorts, dat deze kennelijk leugenachtige verklaringen en wat de verdachte daarmee heeft willen bemantelen niet op zichzelf staan. Daartoe overweegt het Hof het volgende.
De verdachte is in 2015 kort na het misdrijf als studiegenoot van [slachtoffer] meermalen door de politie gehoord, niet als verdachte maar als getuige. Hij heeft bij die gelegenheden geen gewag gemaakt van enig seksueel contact met [slachtoffer] , terwijl hij zich ook overigens sterk op de vlakte heeft gehouden, bezien in het licht van wat door hem in 2017 als verdachte is verklaard.
Pas nadat hij in 2017 als verdachte na een aantal verhoren is geconfronteerd met de hem bezwarende resultaten van forensisch onderzoek, in het bijzonder de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen spermacellen die op grond van DNA-onderzoek tot zijn persoon moeten worden herleid, onthult hij met [slachtoffer] een relatie te hebben gehad. Deze relatie zou zijn begonnen in de maand mei van 2014. Hij typeert deze relatie met zoveel woorden als
friends with benefits. In het bestek van die relatie hebben zij naar zijn zeggen veelvuldig contact gehad, ook seksueel. Anders dan deze verklaring van de verdachte over het bestaan hebben van die relatie heeft het in den brede gehouden opsporingsonderzoek niet geleid tot enige verankering, niet van de relatie van
friendsnoch van die
benefits. Kan nog in het algemeen met vrucht worden betoogd dat de
benefitsin de betekenis van seksueel verkeer niet in grote kring bekend plegen te worden, dat is zeer onwaarschijnlijk voor het bestaan hebben van de relatie van
friends. Zeker in het ons-kent-ons studentenmilieu waarin de verdachte en [slachtoffer] zich ophielden. Van een bevestiging van een vriendschappelijke relatie tussen hen beiden is, anders dan de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze gebleken: niet in de vorm van verklaringen van getuigen noch in de vorm van enig elektronisch verkeer tussen de verdachte en [slachtoffer] , zoals e-mail, iMessage, SMS of anderszins. Verdiepingsvragen die tijdens het voorbereidend onderzoek en ter terechtzitting over de
friendshipen de
benefitsaan hem zijn gesteld heeft hij niet (werkelijk) willen of kunnen beantwoorden. Het Hof gaat er daarom van uit dat de verdachte dit verhaal slechts heeft verzonnen, opdat het bij [slachtoffer] aantreffen van tot hun seksueel contact te herleiden sporen in een min of meer reguliere context van
friendskon worden verklaard.
Zo bezien laat zich verklaren dat en waarom de verdachte de getuige [betrokkene 2] heeft willen beïnvloeden bij het afleggen van haar verklaringen waar het gaat om het tijdstip van zijn vertrek uit haar woning in die nacht. Immers, als deze getuige zou bevestigen dat de verdachte pas om 04.00 bij haar zou zijn weggegaan, zou er nagenoeg geen figuurlijk licht meer zitten tussen dat - gepretendeerde - uur van zijn vertrek bij haar, en wat door [betrokkene 6] is gezien. Alsdan zou er nagenoeg geen tijd meer resteren tussen dat gepretendeerde tijdstip en de ontmoeting met [betrokkene 6] , met gevolg dat een voor de verdachte onwelgevallig "gat" in de nacht zou zijn gedicht.
De conclusie moet daarom zijn dat de verdachte, toen hij in het licht van aangetroffen sporen niet anders meer kón, een verhaal heeft verzonnen, in de hoop dat daarmee de aanwezigheid van hem uiterst bezwarende DNA-sporen min of meer kon worden verklaard en begrepen. Dat verzonnen verhaal heeft hij vervolgens vergezeld doen gaan van zijn kennelijk leugenachtige verklaringen, met het doel weg te blijven van het feitelijke moment waarop hij met [slachtoffer] seksueel verkeer heeft gehad, welk moment in tijd min of meer samenvalt met het op [slachtoffer] uitgeoefende dodelijk geweld.
5.3.8 Eindconclusie
In het licht van al het voorgaande is de redengevendheid van de bewijsmiddelen nader uiteengezet. Deze bewijsmiddelen bezwaren de verdachte onmiskenbaar. Daargelaten de kennelijk leugenachtige verklaringen, heeft de verdachte overigens een die redengevendheid ontzenuwende verklaring niet willen en/of kunnen geven, niet tijdens het voorbereidend onderzoek en evenmin ter terechtzitting. Dit aspect weegt het Hof mee bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs. Het dossier bevat geen materiaal op grond waarvan de feitelijke gang van zaken rondom de dood van [slachtoffer] verdergaand dan aan de hand van stille getuigen kan worden gereconstrueerd. Dat manco staat echter niet in de weg aan het bewijsoordeel dat met de voor het bewijs nodige genoegzaamheid, buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat het niet een ander dan de verdachte is, die als dader verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] .
Vervolgens ligt de vraag voor of de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood, of dat zij het slachtoffer is geworden van het subsidiair aan hem verweten scenario (dood door schuld in het bestek van wurgseks). Het dossier bevat weliswaar een aanknopingspunt voor dat scenario, in die zin dat wat is gebleken over seksuele voorkeuren van [slachtoffer] dat scenario in het algemeen en bij vluchtige kennisneming van het dossier (de wijze waarop [slachtoffer] is aangetroffen) niet volstrekt ondenkbaar maken, maar dat aanknopingspunt is voor het vormen van een daarop aansluitend bewijsoordeel niet toereikend. In de gegeven omstandigheden had het op de weg van de verdachte gelegen handen en voeten te geven aan het scenario dat sprake zou zijn geweest van consensuele wurgseks met de dood van [slachtoffer] tot gevolg. Een dergelijke verklaring heeft de verdachte echter niet afgelegd, integendeel.
Het Hof concludeert dat het de verdachte is geweest die het in de tenlastelegging onder 1. primair omschreven geweld tegen [slachtoffer] heeft uitgeoefend en dat het die handelingen zijn, die haar overlijden tot gevolg hebben gehad. Gelet op wat forensisch onderzoek over de aard van dat gewelddadig handelen heeft uitgewezen kan het niet anders zijn dan dat bij de verdachte bij zijn handelen het opzet op haar overlijden heeft voorgezeten. Voor het aannemen van kalm beraad en rustig overleg biedt de inhoud van het dossier evenwel geen grond, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.”
11. Uit het voorgaande blijkt dat in hoger beroep door de verdediging het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is ingenomen dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen onder 1 is tenlastegelegd, omdat niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hij zich aan dit feit schuldig heeft gemaakt en bovendien een alternatief scenario denkbaar is waarin niet de verdachte maar de toenmalige vriend van het slachtoffer voor haar dood verantwoordelijk is.
12. Wat betreft dit alternatieve scenario is in het bijzonder aangevoerd dat het slachtoffer ’s nachts rond 01:00 uur via haar telefoon contact met haar vriend zou hebben gezocht, nadat ze was afgezet door haar vriendinnen en de verdachte. Die vriend zou het slachtoffer daarna hebben opgezocht en het slachtoffer zou door middel van uit de hand gelopen wurgseks om het leven zijn gekomen, tussen 1:15/1:30 en 5:00 uur; een tijdspanne waarvoor die vriend zich niet overtuigend kan verantwoorden en waarvoor hij uitdrukkelijk via vrienden een alibi heeft geprobeerd te verzekeren. Het slachtoffer en die vriend zouden volgens een vriendin soms ruige seks met elkaar hebben gehad en het slachtoffer zou via WhatsApp-berichten daags daarvoor haar seksuele wensen/wurgseksfantasieën aan die vriend kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast wijst DNA-onderzoek uit dat in en rond de vagina van het slachtoffer sperma van deze vriend is aangetroffen.
13. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld wegens doodslag op het slachtoffer. Daarmee is het Hof afgeweken van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Op grond van art. 402, tweede lid, Sv BES [1] moet het Hof deze afwijking motiveren:
“De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de procureur-generaal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.”
14. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen over het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met een alternatief scenario:
“Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.” [2]
15. Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging geoordeeld dat de bewijsmiddelen de verdachte onmiskenbaar bezwaren en dat het dossier geen materiaal bevat op grond waarvan de feitelijke gang van zaken rondom de dood van het slachtoffer verdergaand kan worden gereconstrueerd dan aan de hand van stille getuigen, maar dat dat manco niet in de weg staat aan het oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat niet een ander dan de verdachte verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer.
16. Als stille getuigen (dadersporen) heeft het Hof, gelet op zijn bewijsoverweging onder 5.3.5, allereerst aangemerkt de resultaten van het DNA-onderzoek aan de hand van de bemonstering van de anus van het slachtoffer, waaruit het Hof heeft afgeleid dat daarin sperma van de verdachte is aangetroffen. Gelet op de houding waarin het slachtoffer is aangetroffen, is het niet onbegrijpelijk dat juist deze sporen en niet de in en rond de vagina van het slachtoffer aangetroffen DNA-sporen als dadersporen zijn aangemerkt. Verder heeft het Hof waarde toegekend aan de uitkomst van het onderzoek van sporen op de door het slachtoffer pas vanaf 14 april 2015 kort voor 20:51 uur gedragen jurk, welk onderzoek een deskundige tot de conclusie heeft gebracht dat het DNA waarvan het DNA-profiel matcht met dat van de verdachte (ten minste gedeeltelijk) afkomstig is van spermacellen. Daarbij komt dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, toen hij in het licht van aangetroffen sporen niet anders meer kon, een verhaal heeft verzonnen, in de hoop dat daarmee de aanwezigheid van hem uiterst bezwarende DNA-sporen min of meer kon worden verklaard en begrepen. Dat verzonnen verhaal heeft de verdachte vervolgens vergezeld doen gaan van kennelijk leugenachtige verklaringen, met het kennelijke doel weg te blijven van het feitelijke moment waarop hij met het slachtoffer seks heeft gehad. Op grond van het voorgaande is het oordeel van het Hof dat buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat niet een ander dan de verdachte verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer, niet onbegrijpelijk en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. In dat oordeel ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de aan de bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden het namens de verdachte gepresenteerde alternatieve scenario voldoende uitsluiten. Mede gelet op de onder randnummer 14 weergegeven overwegingen van de Hoge Raad, faalt daarmee de eerste klacht.
17. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het oordeel van het Hof dat het feitelijke moment waarop de verdachte seks heeft gehad met het slachtoffer “in tijd min of meer samenvalt met het op het slachtoffer uitgeoefende dodelijke geweld” zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. In de toelichting wordt aangevoerd dat een door de verdediging aangevoerde en op basis van zijn eigen verklaring aannemelijke mogelijkheid bestaat dat de vriend van het slachtoffer haar als laatste in leven heeft gezien. De mogelijkheid dat de vriend van het slachtoffer op 15 april 2015 tussen 04:00 uur en 05:00 uur om het leven is gekomen door toedoen van de vriend van het slachtoffer, zou het Hof ten onrechte in het midden gelaten hebben.
18. Deze klacht is gebaseerd op de veronderstelling dat de vriend van het slachtoffer met zijn verklaring van 9 oktober 2017 bij de rechter-commissaris, in antwoord op vragen van de verdediging, zou hebben verklaard dat hij in de nacht van 14 op 15 april 2015 rond 01:00 uur berichten van het slachtoffer heeft gelezen, dat hij vervolgens in de nacht van 15 april 2015 om 04:00 uur de bibliotheek heeft verlaten, naar het slachtoffer is toegegaan en daar 30 tot 45 minuten seks met haar heeft gehad.
19. Bij de naar de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich het proces-verbaal van verhoor van de vriend van het slachtoffer op 9 oktober 2017 bij de rechter-commissaris. Hieruit blijkt wat de hiervoor bedoelde vragen van de verdediging zijn geweest en welke antwoorden de getuige op deze vragen heeft gegeven. Ik geef hier zowel deze vragen als de daarop gegeven antwoorden weer:
Vraag 21: “Hoe laat heeft u een laatste bericht ontvangen van [slachtoffer] in de nacht van 14 op 15 april 2015?”
Antwoord: “When I woke up that morning I saw it. I think the message was sent 1.05 or 1.10 in the morning.”
Vraag 40: “Wanneer heeft u [slachtoffer] voor het laatst gezien op 15 april 2015?”
Antwoord: “I left the library around 4 o‘clock and I visit her and I was there for 30 to 45 minutes and then I was back at the library.”
Vraag 41: “Wat heeft u die laatste keer met haar gedaan/besproken?”
Antwoord: “We had intercourse and that was pretty much it.”
Vraag 44: “Wanneer (hoe laat) bent u voor het laatst seksueel actief geweest met [slachtoffer] ?”
Antwoord: “I can’t remember the exact time. It was in between the time I was in the library I visited her and I went back to the library. I do not know now, but this information is in the file due to our messages that were sent that moment.”
20. Gelet op het voorgaande stel ik ten eerste vast dat de vriend van het slachtoffer niet heeft verklaard dat hij de berichten van het slachtoffer in de nacht van 14 op 15 april 2015 heeft gelezen, maar dat hij heeft verklaard dat hij ze zag toen hij die ochtend wakker werd. Ten tweede blijkt dat de vriend van het slachtoffer met zijn verklaring dat hij “around 4 o’clock” de bibliotheek heeft verlaten en daarna seks heeft gehad met het latere slachtoffer kennelijk niet doelt op de nacht van 15 april 2015 maar op de namiddag van 14 april 2015. Hij verklaart immers ook dat hij de precieze tijd van het seksueel contact niet meer weet, maar dat “this information is in the file due to our messages that were sent that moment.” Een blik over de papieren muur leert dat de vriend al eerder bij de politie heeft verklaard dat hij die namiddag seks met het latere slachtoffer heeft gehad, terwijl dat inderdaad – zoals hij later bij de rechter-commissaris zou verklaren – steun vindt in het berichtenverkeer tussen het slachtoffer en haar vriend. De tweede klacht mist daarmee feitelijke grondslag zodat het middel in zoverre niet tot cassatie kan leiden.
21. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel

22. Het middel is gericht tegen diverse andere aspecten van de bewijsvoering van het onder 1 primair bewezenverklaarde en bevat vier klachten.
De eerste en de tweede klacht
23. De eerste klacht houdt in dat de bewijsconstructie onbegrijpelijk is doordat het Hof van oordeel is dat de in bewijsmiddel 15 en 21 opgenomen ontkennende verklaringen van de verdachte kennelijk leugenachtig zijn, terwijl het Hof de in bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring, die inhoudelijk dezelfde strekking heeft, niet als zodanig aanmerkt. De tweede klacht houdt in dat de bewijsvoering onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, nu het Hof de verklaring in bewijsmiddel 16, die inhoudt dat de verdachte bij [betrokkene 2] is gebleven totdat hij rechtstreeks naar zijn eigen huis is gegaan, mede redengevend heeft geoordeeld. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
24. De als bewijsmiddelen 15 en 21 opgenomen verklaringen van de verdachte die het Hof heeft aangemerkt als kennelijk leugenachtig luiden als volgt:
“15. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven: Ik heb op 14 april 2015 in de vooravond, tussen 19.00 en 20.00 uur, seks gehad met [slachtoffer] , in haar woning, op haar bed. Ik ben klaargekomen. Ik ben ongeveer een half uur bij haar gebleven. Ik heb geen seks met haar gehad op 15 april 2015.”
“21. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven: Ik ben in de nacht van 15 april 2015 om 04.00 uur lopend vertrokken van de woning van [betrokkene 2] . Ik ben rechtstreeks van haar huis naar mijn huis gelopen. Toen ik op de trap voor de deur van mijn huis stond zag ik [betrokkene 6] . Ik heb hem gegroet en ben naar binnen gegaan.”
25. Over de kennelijke leugenachtigheid van deze verklaringen heeft het Hof het volgende overwogen:
“De verdachte heeft in het licht van wat is komen vast te staan gelogen, waar hij zegt (en is blijven zeggen) dat hij met [slachtoffer] in haar woning seksueel verkeer heeft gehad, uitdrukkelijk niet in de nacht van 15 april 2015, maar wel op de avond van 14 april 2015, tussen 19.00 en 20.00 uur.
Ook op een ander onderdeel heeft de verdachte kennelijk leugenachtig verklaard. Volgens zijn verklaring is hij omstreeks 04.00 over de weg lopend vanaf de woning van de getuige [betrokkene 2] vertrokken naar huis. Uit verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 10] volgt, dat het juist is dat de verdachte de woning van [betrokkene 2] heeft verlaten, echter niet om 04.00 maar omstreeks 02.30-03.00 uur. Voorts verklaart de verdachte dat hij, staand op de trap voor zijn woning de getuige [betrokkene 6] heeft gezien en gesproken, terwijl de getuige [betrokkene 6] hem op een andere plek heeft gezien De plek waar [betrokkene 6] hem heeft zien lopen (ter hoogte van een door hem aangewezen transformatorhuisje) past niet bij de route naar verdachtes appartement, komend vanaf het appartement van [betrokkene 2] , immers die plek is reeds voorbij verdachtes woning. Die plek ligt wél op de weg die voert naar het appartement van [slachtoffer] . Gelet op wat door [betrokkene 6] is verklaard, kwam de verdachte uit de richting van dat appartement.
Het Hof merkt deze verklaringen als kennelijk leugenachtig aan, en het Hof houdt het ervoor dat de verdachte aldus heeft verklaard (en daarbij heeft volhard) om de waarheid te bemantelen dat:
het moment van het achterlaten van zijn spermasporen op/in en bij [slachtoffer] in rechtstreeks verband staat met het moment waarop hij jegens [slachtoffer] gewelddadige handelingen heeft verricht, waarbij zij het leven heeft gelaten, en
hij zich omstreeks 04.00 uur lopend op straat bevond, komende van de woning van [slachtoffer] en gaande in de richting van zijn eigen woning.” [3]
26. De als bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring van de verdachte luidt als volgt:
“16. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 20 mei 2021, zakelijk weergegeven :
Ik ben [slachtoffer] weer tegengekomen toen ik uitging, dat was rond een uur of tien (Hof: 14 april 2015, 22.00 uur). Wij waren niet samen, ik was met een vriend. Ik ben wel met een hele groep, waaronder [slachtoffer] , in de auto van [betrokkene 9] (Hof: [betrokkene 9] ) teruggereden. [betrokkene 2] , [slachtoffer] en ik zijn bij het appartement van [slachtoffer] uitgestapt. Dat was rond een uur of één 's nachts (Hof: 15 april 2015). We hebben nog even staan praten en toen heb ik [betrokkene 2] (Hof: [betrokkene 2] ) begeleid naar haar huis. Daar ben ik gebleven, tot ik rechtstreeks van haar huis naar mijn huis ben gelopen. Ik heb geen "short cut" genomen.”
27. De stellers van het middel voeren in de toelichting op de eerste klacht aan dat de bewijsmiddelen 15, 16 en 21 inhoudelijk dezelfde strekking hebben, namelijk dat de verdachte na zijn vertrek bij [betrokkene 2] niet naar het appartement van het slachtoffer is toegegaan. In dat licht zou onbegrijpelijk zijn dat het Hof bewijsmiddel 15 en 21 wél heeft aangemerkt als kennelijk leugenachtige verklaringen, maar bewijsmiddel 16 niet.
28. Bewijsmiddel 16 bevat een ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte over zijn gangen in de nacht van 14 op 15 april 2015. Daarin heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer rond 22:00 uur is tegengekomen tijdens het uitgaan, dat hij met een hele groep waaronder het slachtoffer is teruggereden, dat hij rond één uur ’s nachts bij het appartement van het slachtoffer is uitgestapt, en dat hij daarna [betrokkene 2] naar haar huis heeft begeleid. Ook is in dat bewijsmiddel opgenomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij [betrokkene 2] is gebleven totdat hij rechtstreeks van haar huis naar zijn huis is gelopen en dat hij geen ‘shortcut’ heeft genomen.
29. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft de in bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring van de verdachte naar mijn oordeel niet de strekking dat de verdachte na zijn vertrek bij [betrokkene 2] niet naar het appartement van het slachtoffer is gegaan. Uit die verklaring blijkt immers slechts dat de verdachte vanaf het huis van [betrokkene 2] rechtstreeks en zonder ‘shortcut’ naar zijn huis is gelopen, waarmee niet is uitgesloten dat de verdachte daarna naar het huis van het slachtoffer is gegaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de voor het bewijs gebruikte plattegrond in voetnoot 13 van het vonnis van het Hof blijkt dat het huis van het slachtoffer zich bevindt in het verlengde van de looproute die de verdachte die nacht zou moeten hebben afgelegd naar zijn eigen huis, hetgeen overigens bevestiging vindt in de als bijlagen aan de schriftuur gehechte plattegronden. Het Hof heeft bovendien niet vastgesteld dat de verdachte na zijn vertrek bij [betrokkene 2]
directnaar het huis van het slachtoffer is gegaan. Bewijsmiddel 16 heeft dus niet zonder meer de strekking die de stellers van het middel daaraan verbinden en daarom is niet onbegrijpelijk dat het Hof deze verklaring niet als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, zodat de eerste klacht faalt.
30. In de toelichting op de tweede klacht wordt aangevoerd dat de in bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring niet strookt met de rest van de bewijsconstructie van het Hof waarin is geoordeeld dat de verdachte, nadat hij bij [betrokkene 2] op de bank had gezeten, naar het huis van het slachtoffer is gegaan en haar heeft gedood. Uit die verklaring zou immers blijken dat de verdachte bij [betrokkene 2] is gebleven totdat hij rechtstreeks naar zijn eigen huis is gegaan.
31. Zoals ik hiervoor onder randnummer 29 uiteen heb gezet, blijkt uit de verklaring in bewijsmiddel 16 slechts dat de verdachte vanaf het huis van [betrokkene 2] rechtstreeks en zonder ‘shortcut’ naar zijn huis is gelopen. Dat sluit evenwel niet uit dat de verdachte daarna naar het huis van het slachtoffer is doorgelopen. Het gebruik van de in bewijsmiddel 16 opgenomen verklaring doet dus niet af aan de begrijpelijkheid van de bewijsvoering, zodat ook de tweede klacht faalt.
32. Beide klachten falen.
De derde klacht
33. De klacht houdt in dat het Hof kennelijk leugenachtige verklaringen van de verdachte voor het bewijs van de onder 1 primair bewezenverklaarde doodslag heeft gebruikt, terwijl het oordeel dat die verklaringen kennelijk leugenachtig zijn onvoldoende grondslag vindt in feiten en omstandigheden uit andere bewijsmiddelen. Volgens de stellers van het middel is dat oordeel daarom onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
34. Voorafgaand aan de bespreking van de klacht stel ik het volgende voorop over het gebruik van kennelijk leugenachtige verklaringen voor het bewijs. Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen, mag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor het bewijs worden gebruikt. [4] Dat oordeel zal wel voldoende grondslag moeten vinden in de vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in een of meer andere bewijsmiddelen. [5] Tot die bewijsmiddelen kan ieder geval niet worden gerekend een verklaring van de verdachte zelf. [6]

Bewijsmiddel 15

35. Uit de bewijsoverwegingen blijkt dat het Hof ten aanzien van de in bewijsmiddel 15 opgenomen verklaring heeft geoordeeld dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard dat hij op 14 april 2015 tussen 19:00 en 20:00 uur seks heeft gehad met het slachtoffer en dat hij op 15 april 2015 geen seks met haar heeft gehad.
36. In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat het Hof de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring voor zover die inhoudt dat de verdachte op 14 april 2015 tussen 19:00 uur en 20:00 uur seks met het slachtoffer heeft gehad, mede heeft doen steunen op het feit dat het slachtoffer de jurk waarop de tot de verdachte te herleiden spermasporen zijn aangetroffen, eerst op 14 april 2015 kort voor 20:51 uur heeft aangetrokken en gedragen. Volgens de stellers van het middel kan echter uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat de verdachte de jurk niet ook eerder heeft aangehad.
37. Het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer haar jurk op de avond van 14 april 2015 kort voor 20:51 uur aan verschillende mensen is gaan tonen, hetgeen blijkt uit het door het Hof in voetnoot 5 genoemde proces-verbaal, inhoudende een rapportage analyse met betrekking tot de tijdlijn van 24 februari 2017. Dat is naar mijn oordeel een gedraging die past bij het dragen van een nieuwe jurk. Daarbij komt dat het Hof in voetnoot 5 heeft verwezen naar een verklaring van de buurvrouw van het slachtoffer: getuige [betrokkene 12] . Zij heeft, zo stelt het Hof vast, het slachtoffer geholpen met het dichtritsen van haar jurk. Zij heeft verklaard dat het de eerste keer was dat het slachtoffer deze jurk droeg en dat zij een jurk altijd maar één keer droeg. Tegen deze achtergrond is de vaststelling dat het slachtoffer de jurk “eerst op 14 april 2015 kort voor 20.51 uur aangetrokken en gedragen” heeft niet onbegrijpelijk. Het Hof mocht deze vaststelling dus betrekken bij de beoordeling van de kennelijke leugenachtigheid van de in bewijsmiddel 15 opgenomen verklaring van de verdachte.
38. Het Hof heeft ter ondersteuning van de kennelijke leugenachtigheid van de als bewijsmiddel 15 opgenomen verklaring van de verdachte de gangen van zowel het slachtoffer als de verdachte tussen 19:00 en 20:00 uur gereconstrueerd aan de hand van de eerder genoemde rapportage met betrekking tot de tijdlijn. Het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer tussen 19:06 en 19:44 uur thuis bezoek heeft gehad en dat zij tussen 19:47 en 20:07 uur met haar vader heeft gebeld. De verdachte heeft tussen 19:06 en 19:32 uur contact gehad met een persoon via iMessage en heeft vervolgens tussen 19:50 en 20:00 uur via internet bankzaken geregeld. Daarin ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof besloten dat het slachtoffer en de verdachte tussen 19:00 en 20:00 uur geen gelegenheid hebben gehad voor het beweerde seksuele contact.
39. Het oordeel van het Hof dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard dat hij op 14 april 2015 tussen 19:00 en 20:00 uur seks heeft gehad met het slachtoffer, vindt daarom voldoende grondslag in andere bewijsmiddelen. Het getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
40. De stellers van het middel richten hun pijlen ook op een ander onderdeel van bewijsmiddel 15, te weten op de verklaring dat de verdachte geen seks met het slachtoffer heeft gehad op 15 april 2015. Zij betogen dat het feit dat de verdachte op 14 april 2015 tussen 19:00 en 20:00 uur geen seks heeft gehad met het slachtoffer, nog niet met zich brengt dat zijn verklaring dat hij geen seksueel contact met het slachtoffer heeft gehad op 15 april 2015 kennelijk leugenachtig is. Verder betogen zij dat de op de jurk aangetroffen spermasporen daarvoor niet de grondslag kunnen vormen, nu de vaststellingen van het Hof niet uitsluiten dat die sporen er op een ander moment op zijn gekomen en/of uit de overwegingen niet kan blijken dat de spermasporen er alleen op 15 april 2015 tussen 01:01 en 05:00 uur terecht kunnen zijn gekomen.
41. Onder randnummer 37 heb ik toegelicht waarom de vaststelling van het Hof dat het slachtoffer haar jurk “eerst op 14 april 2015 kort voor 20.51 uur aangetrokken en gedragen” heeft niet onbegrijpelijk is. Daaruit heeft het hof in ieder geval kunnen opmaken dat het seksuele contact tussen de verdachte en het slachtoffer plaats moet hebben gehad ná dat moment. Het Hof heeft verder vastgesteld dat het slachtoffer haar jurk aan verschillende personen heeft getoond en dat zij daarna naar de universiteit is gelopen, waar zij om 20:51 uur is gearriveerd. De verdachte is het slachtoffer vervolgens op 14 april 2015 rond 22:00 uur tegengekomen toen hij met een vriend uitging (bewijsmiddel 16). Verder heeft het Hof vastgesteld dat het slachtoffer op 15 april 2015 om 00:15-00:45 uur met een groep personen, waaronder [betrokkene 2] en de verdachte, met een auto naar huis gereden (bewijsmiddel 16, 17 en 18), en dat de verdachte vervolgens met [betrokkene 2] is meegelopen naar haar huis (bewijsmiddel 18). Het Hof heeft uit de telefoongegevens afgeleid dat het slachtoffer haar telefoon op 15 april 2015 om 01:01 uur voor het laatst heeft gebruikt en dat het slachtoffer – op basis van de met het intreden van lijkstijfheid in het algemeen gemoeide tijd – vóór 05:10 uur moet zijn overleden. Op grond van het voorgaande heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat het seksuele verkeer in de woning van het slachtoffer heeft plaatsgevonden op 15 april 2015 tussen 01:01 en 05:10 uur.
42. Het oordeel van het Hof dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard dat hij op 15 april 2015 geen seks heeft gehad met het slachtoffer, vindt gelet op de vastgestelde periode waarin seksueel verkeer heeft plaatsgevonden in onderlinge samenhang beschouwd met de op de nieuw gedragen jurk van het slachtoffer aangetroffen DNA-sporen die tot de verdachte te herleiden zijn, voldoende grondslag in de vastgestelde feiten en omstandigheden vervat in andere bewijsmiddelen. Het oordeel getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Bewijsmiddel 21

43. De kennelijke leugenachtigheid van de in bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van de verdachte bestaat er volgens het Hof allereerst in dat de verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 15 april 2015 omstreeks 04:00 uur lopend is vertrokken van de woning van [betrokkene 2] naar huis. Het Hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 10] immers af dat de verdachte al omstreeks 02:30-03.00 uur de woning van [betrokkene 2] heeft verlaten. Verder bestaat de kennelijke leugenachtigheid van de in bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring er volgens het Hof in dat de verdachte heeft verklaard dat hij staand op de trap voor zijn woning de getuige [betrokkene 6] heeft gezien en gesproken, omdat de getuige [betrokkene 6] hem op een andere plek, ter hoogte van een door deze getuige aangewezen transformatorhuisje, heeft zien lopen.
44. Door de stellers van het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof over de kennelijke leugenachtigheid van de in bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van de verdachte op verschillende onderdelen onbegrijpelijk is.
45. Ik merk op dat de verklaring van de verdachte in bewijsmiddel 21 kennelijk beoogt de verdachte een alibi te geven en de strekking heeft dat de verdachte na zijn vertrek bij [betrokkene 2] niet naar (de woning van) het slachtoffer is gegaan. Dat is – zo wordt ook erkend in de toelichting op de eerste klacht van het middel – dezelfde strekking als de in bewijsmiddel 15 opgenomen verklaring waarin de verdachte verklaart geen seks te hebben gehad met het slachtoffer op 15 april 2015. Hiervoor heb ik onder randnummers 41-42 uiteengezet waarom het Hof deze verklaring in bewijsmiddel 15 als kennelijk leugenachtig heeft mogen aanmerken. Uit die kennelijke leugenachtigheid heeft het Hof de conclusie getrokken dat de verdachte, in tegenstelling tot wat hij heeft verklaard, op 15 april 2015 tussen 01:01 en 05:00 uur seks heeft gehad met het slachtoffer, en dus in dat tijdvak wel degelijk in de woning van het slachtoffer is geweest. Dat betekent dat de weerlegging van het alibi van de verdachte reeds voldoende grondslag vindt in de kennelijke leugenachtigheid van de in bewijsmiddel 15 opgenomen verklaring. Voor zover de motivering van de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring in bewijsmiddel 21 voor het overige al onbegrijpelijk zou zijn, kan dit naar mijn oordeel dan ook niet tot cassatie leiden.

Slotsom derde klacht

46. De klacht faalt in alle onderdelen.
De vierde klacht
47. De klacht richt zich op het oordeel van het Hof dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard met als doel te bemantelen dat het moment van het achterlaten van zijn spermasporen op/in en bij het slachtoffer in rechtstreeks verband staat met het moment waarop hij tegen haar gewelddadige handelingen heeft verricht, waarbij zij het leven heeft gelaten, onbegrijpelijk is. Het Hof zou daarom ten onrechte de kennelijk leugenachtige verklaringen voor de bewezenverklaring hebben gebruikt. In de toelichting wordt aangevoerd dat uit de overweging dat het dodelijk geweld in tijd
min of meersamenvalt met het seksuele contact blijkt dat het Hof niet méér heeft kunnen vaststellen dan dat er seksueel verkeer is geweest. Dat het Hof op basis hiervan tot het oordeel is gekomen dat de verdachte “(ook) de bedoeling had te bemantelen dat hij dodelijk geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend” is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk, omdat daaruit zou blijken dat het Hof “niet tot de conclusie [heeft kunnen] komen dat het niet anders kan dan dat het seksueel verkeer
samenvielmet het dodelijk geweld.” Daarnaast wordt aangevoerd dat het Hof met de woorden “min of meer samenvallend met het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] ” niet heeft uitgesloten dat haar overlijden daarmee niet is samengevallen, dat er tussen 04:00 en 05:00 uur nog iemand anders is langs geweest die de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, en dat “niet kan worden uitgesloten, en zelfs aannemelijk is, dat verzoeker met de door het hof als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaringen slechts het feitelijke moment waarop hij met [slachtoffer] seks heeft gehad en niet (ook) betrokkenheid bij haar dood heeft willen bemantelen”.
48. Het Hof heeft het volgende overwogen over de waarheid die de verdachte met kennelijk leugenachtige verklaringen heeft willen bemantelen:
“Het Hof merkt deze verklaringen als kennelijk leugenachtig aan, en het Hof houdt het ervoor dat de verdachte aldus heeft verklaard (en daarbij heeft volhard) om de waarheid te bemantelen dat:
het moment van het achterlaten van zijn spermasporen op/in en bij [slachtoffer] in rechtstreeks verband staat met het moment waarop hij jegens [slachtoffer] gewelddadige handelingen heeft verricht, waarbij zij het leven heeft gelaten, en
hij zich omstreeks 04.00 uur lopend op straat bevond, komende van de woning van [slachtoffer] en gaande in de richting van zijn eigen woning.
Het Hof overweegt voorts, dat deze kennelijk leugenachtige verklaringen en wat de verdachte daarmee heeft willen bemantelen niet op zichzelf staan. Daartoe overweegt het Hof het volgende.
De verdachte is in 2015 kort na het misdrijf als studiegenoot van [slachtoffer] meermalen door de politie gehoord, niet als verdachte maar als getuige. Hij heeft bij die gelegenheden geen gewag gemaakt van enig seksueel contact met [slachtoffer] , terwijl hij zich ook overigens sterk op de vlakte heeft gehouden, bezien in het licht van wat door hem in 2017 als verdachte is verklaard.
Pas nadat hij in 2017 als verdachte na een aantal verhoren is geconfronteerd met de hem bezwarende resultaten van forensisch onderzoek, in het bijzonder de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen spermacellen die op grond van DNA-onderzoek tot zijn persoon moeten worden herleid, onthult hij met [slachtoffer] een relatie te hebben gehad. Deze relatie zou zijn begonnen in de maand mei van 2014. Hij typeert deze relatie met zoveel woorden als
friends with benefits. In het bestek van die relatie hebben zij naar zijn zeggen veelvuldig contact gehad, ook seksueel. Anders dan deze verklaring van de verdachte over het bestaan hebben van die relatie heeft het in den brede gehouden opsporingsonderzoek niet geleid tot enige verankering, niet van de relatie van
friendsnoch van die
benefits. Kan nog in het algemeen met vrucht worden betoogd dat de
benefitsin de betekenis van seksueel verkeer niet in grote kring bekend plegen te worden, dat is zeer onwaarschijnlijk voor het bestaan hebben van de relatie van
friends. Zeker in het ons-kent-ons studentenmilieu waarin de verdachte en [slachtoffer] zich ophielden. Van een bevestiging van een vriendschappelijke relatie tussen hen beiden is, anders dan de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze gebleken: niet in de vorm van verklaringen van getuigen noch in de vorm van enig elektronisch verkeer tussen de verdachte en [slachtoffer] , zoals e-mail, iMessage, SMS of anderszins. Verdiepingsvragen die tijdens het voorbereidend onderzoek en ter terechtzitting over de
friendshipen de
benefitsaan hem zijn gesteld heeft hij niet (werkelijk) willen of kunnen beantwoorden. Het Hof gaat er daarom van uit dat de verdachte dit verhaal slechts heeft verzonnen, opdat het bij [slachtoffer] aantreffen van tot hun seksueel contact te herleiden sporen in een min of meer reguliere context van
friendskon worden verklaard.
Zo bezien laat zich verklaren dat en waarom de verdachte de getuige [betrokkene 2] heeft willen beïnvloeden bij het afleggen van haar verklaringen waar het gaat om het tijdstip van zijn vertrek uit haar woning in die nacht. Immers, als deze getuige zou bevestigen dat de verdachte pas om 04.00 bij haar zou zijn weggegaan, zou er nagenoeg geen figuurlijk licht meer zitten tussen dat - gepretendeerde - uur van zijn vertrek bij haar, en wat door [betrokkene 6] is gezien. Alsdan zou er nagenoeg geen tijd meer resteren tussen dat gepretendeerde tijdstip en de ontmoeting met [betrokkene 6] , met gevolg dat een voor de verdachte onwelgevallig “gat” in de nacht zou zijn gedicht.
De conclusie moet daarom zijn dat de verdachte, toen hij in het licht van aangetroffen sporen niet anders meer kón, een verhaal heeft verzonnen, in de hoop dat daarmee de aanwezigheid van hem uiterst bezwarende DNA-sporen min of meer kon worden verklaard en begrepen. Dat verzonnen verhaal heeft hij vervolgens vergezeld doen gaan van zijn kennelijk leugenachtige verklaringen, met het doel weg te blijven van het feitelijke moment waarop hij met [slachtoffer] seksueel verkeer heeft gehad, welk moment in tijd min of meer samenvalt met het op [slachtoffer] uitgeoefende dodelijk geweld.”
49. De klacht dat het Hof niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verdachte met zijn kennelijke leugenachtige verklaringen ook de bedoeling had te bemantelen dat hij dodelijk geweld op het slachtoffer heeft uitgeoefend, is gebaseerd op een onjuiste lezing van het vonnis van het Hof. De stellers van het middel hebben uit de omstandigheid dat het hof onder 5.3.7 van het vonnis heeft overwogen dat het moment van het seksueel verkeer in tijd “min of meer” samenvalt met het op het slachtoffer uitgeoefende geweld ten onrechte afgeleid dat het Hof niet méér heeft kunnen vaststellen dan dat er seksueel verkeer is geweest. Uit onderdeel 5.3.6 van het vonnis blijkt immers dat het hof op basis van het aangetroffen inwendige letsel reeds had vastgesteld dat het seksueel contact en het overlijden van het slachtoffer samenvallen. Verder heeft het Hof – gelet op hetgeen bij de bespreking van de eerste klacht van het eerste middel aan de orde is gekomen – in zijn vonnis voldoende uitgesloten dat iemand anders de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Daarmee faalt ook de klacht dat het Hof niet heeft uitgesloten dat er tussen 04:00 en 05:00 uur nog iemand anders is langs geweest die de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt.
50. De klacht faalt.
Slotsom
51. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het derde middel

52. Ook dit middel is gericht tegen de bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag. Het bevat drie klachten.
De eerste klacht
53. De klacht houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de onder 1 bewezenverklaarde doodslag, omdat in de bewezenverklaring achter het eerste en het tweede gedachtestreepje handelingen worden vermeld die niet uit de bewijsmiddelen volgen.
54. Voor de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik dat het Hof ten laste van de verdachte onder 1 primair heeft bewezenverklaard dat:
“hij op 15 april 2015, op het eiland Saba, opzettelijk [slachtoffer] van het leven
heeftberoofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] gestranguleerd en/of gewurgd en de zuurstoftoevoer
voor[slachtoffer] afgesloten, door:
- de hals van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of dicht te drukken en/of dichtgedrukt en dichtgeknepen te houden en/of
- een stuk stof hals van die [slachtoffer] te slaan en te binden, dit aan te trekken en vervolgens aangetrokken
te houden,
ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.”
55. In deze bewezenverklaring heeft het Hof twee alternatieven opengelaten met betrekking tot de wijze waarop de doodslag is gepleegd. Daarom moet elk van die alternatieven uit de bewijsmiddelen volgen. [7] Volgens de stellers van het middel wordt daaraan in deze zaak niet voldaan. Over de manuele strangulatie (eerste gedachtestreepje) wordt aangevoerd dat die weliswaar in bewijsmiddel 4 wordt genoemd als een van de manieren waarop de “inwerking van uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld, al of niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals” kan hebben plaatsgevonden, maar dat niet uit de bewijsvoering blijkt dat het één van de in de bewezenverklaarde genoemde handelingen is geweest die het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt: uit de bewijsvoering volgt immers dat het Hof een ligatuurstrangulatie voor ogen had. Over de ligatuurstrangulatie (tweede gedachtestreepje) wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering weliswaar blijkt dat die kan hebben plaatsgevonden, maar niet dat de verdachte een stuk stof, om de hals van het slachtoffer heeft geslagen, gebonden, aangetrokken en aangetrokken heeft gehouden als gevolg waarvan zij is overleden.
56. Naar mijn oordeel faalt deze klacht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard door uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld, al dan niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals, als gevolg van manuele strangulatie, ligatuurstrangulatie door verhanging, of een andere vorm van ligatuurstrangulatie (bewijsmiddel 4). Ook blijkt daaruit dat de sectiebevindingen passen bij een ligatuurstrangulatie met een sjaal (bewijsmiddel 5 en 14) en dat op het bed een vest is gevonden waarvan een op een sjaal lijkende langgerekte mouw in een rechte lijn in de richting van de hals van het slachtoffer lag en waarvan het uiteinde klaarblijkelijk in het haar van het slachtoffer zat (bewijsmiddel 7).
57. Uit deze bewijsmiddelen heeft het Hof in zijn vonnis de volgende conclusie getrokken:
“Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat zij door verstikking om het leven is gekomen, waarbij verstikking door manuele strangulatie of ligatuurstrangulatie met behulp van een sjaal de meest aannemelijke hypothese is.”
58. De bewezenverklaring bevat onder het eerste en tweede gedachtestreepje een feitelijke uitwerking van de begrippen manuele strangulatie en ligatuurstrangulatie. De bewezenverklaring is daarmee terug te voeren op de bewijsvoering van het hof. Dat het hof niet heeft kunnen vaststellen welke van de genoemde vormen van verstikking tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, doet daaraan niet af.
59. De klacht faalt.
De tweede klacht
60. De klacht houdt in dat de bewezenverklaring van opzet op de dood van het slachtoffer ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen contra-indicaties volgen. De stellers van het middel voeren aan dat het slaan en binden van een stuk stof om iemands hals en het aantrekken en aangetrokken houden van dat stuk stof weliswaar een bewijsvermoeden van opzet kunnen opleveren, maar dat in deze zaak sprake is van contra-indicaties: de in de bewijsmiddelen opgenomen onderzoeksresultaten laten zich, in combinatie met het ontbreken van letsel dat erop wijst dat er geen gedwongen (wurg)seks is geweest, goed verklaren als ervan wordt uitgegaan dat sprake is geweest van uit de hand gelopen (wurg)seks. Daarbij wordt opgemerkt dat de verdediging heeft gewezen op Whatsappberichten van het slachtoffer waaruit blijkt dat zij heftige (wurg)seks nastreefde.
61. Het Hof heeft geoordeeld dat het dossier aanwijzingen bevat voor een scenario waarin het slachtoffer is overleden als gevolg van uit de hand gelopen (wurg)seks “in die zin dat wat is gebleken over seksuele voorkeuren van [slachtoffer] dat scenario in het algemeen en bij vluchtige kennisneming van het dossier (de wijze waarop [slachtoffer] is aangetroffen) niet volstrekt ondenkbaar maken”, maar heeft vervolgens geoordeeld dat dit “voor het vormen van een daarop aansluitend bewijsoordeel niet toereikend” is, omdat de verdachte aan dat scenario geen handen en voeten heeft gegeven. Het Hof heeft daarom geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzet op het overlijden van het slachtoffer heeft gehad.
62. Naar mijn oordeel kunnen de door de stellers van het middel aangevoerde ‘contra-indicaties’ aan dit oordeel geen afbreuk doen. Het Hof heeft gelet op de seksuele voorkeuren van het slachtoffer en de wijze waarop zij is aangetroffen uitdrukkelijk oog gehad voor de mogelijkheid dat sprake is geweest van uit de hand gelopen (wurg)seks, maar daarvoor onvoldoende steun gevonden in de verklaringen van de verdachte. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof doorslaggevend belang hecht aan de verklaringen van de verdachte en op grond daarvan – ondanks enkele contra-indicaties – de mogelijkheid van uit de hand gelopen (wurg)seks uitsluit. Het Hof gaat vervolgens uit van een ander scenario. Daarmee is de bewezenverklaring van het opzet op de dood van het slachtoffer vanwege de contra-indicaties niet ontoereikend gemotiveerd.
63. De klacht faalt.
De derde klacht
64. De klacht houdt in dat het oordeel van het Hof, dat inhoudt dat bij de waardering van het bewijs kan worden meegewogen dat de verdachte geen ontzenuwende verklaring heeft gegeven, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of onbegrijpelijk is.
65. De klacht is gericht tegen de volgende overweging van het Hof:
“In het licht van al het voorgaande is de redengevendheid van de bewijsmiddelen nader uiteengezet. Deze bewijsmiddelen bezwaren de verdachte onmiskenbaar. Daargelaten de kennelijk leugenachtige verklaringen, heeft de verdachte overigens een die redengevendheid ontzenuwende verklaring niet willen en/ of kunnen geven, niet tijdens het voorbereidend onderzoek en evenmin ter terechtzitting. Dit aspect weegt het Hof mee bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.”
66. Volgens de stellers van het middel volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter het door de verdachte uitgeoefende zwijgrecht in een bewijsoverweging mag betrekken indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De stellers van het middel wijzen erop dat dit betekent dat de rechter om de afstand tussen een bewijsmiddel en de bewezenverklaring te dichten, mag wijzen op het zwijgen van een verdachte indien er omstandigheden schreeuwen om uitleg van de kant van de verdachte en dat de rechter voorts zelf het gat mag opvullen door een voor de hand liggende conclusie te trekken. Die situatie zou zich in deze zaak echter niet voordoen, omdat het Hof niet de voor de hand liggende conclusie heeft getrokken noch heeft kunnen trekken dat sprake is van doodslag, nu dood als gevolg van (consensuele) wurgseks in het licht van de bewijsmiddelen en wat door de raadsvrouw naar voren is gebracht evengoed een voor de hand liggende conclusie is.
67. Naar mijn oordeel faalt deze klacht om dezelfde reden als de vorige klacht. Uit het bestreden vonnis blijkt dat het Hof voor de beoordeling of sprake is geweest van uit de hand gelopen (wurg)seks, doorslaggevend belang heeft gehecht aan de verklaringen van de verdachte en op grond daarvan deze mogelijkheid – ondanks contra-indicaties – heeft uitgesloten en vervolgens is uitgegaan van een ander scenario. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
68. De klacht faalt.
Slotsom
69. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het vierde middel

70. Ook dit middel houdt verband met de onder 1 primair bewezenverklaarde doodslag. Het middel bevat de klacht dat het Hof zonder nadere motivering is afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat inhoudt dat het slachtoffer niet tussen 02:30/03:00 en omstreeks 04:00 uur is overleden, maar moet zijn overleden vóór 01:45 uur.
71. De raadsvrouw van de verdachte heeft volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 mei 2021 het woord ter verdediging gevoerd, zoals opgenomen in de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“52. Daarbij staat het tijdstip van de zogenaamde moord ook helemaal niet vast. Er lijkt uit onderhavig dossier voort te vloeien dat dit tijdstip gebaseerd is op het tijdstip waarop getuige [betrokkene 6] cliënt buiten zou zijn tegengekomen die nacht. Dat was rond 04.00 uur. Om deze reden wordt er in dit onderzoek uitgegaan van dat tijdstip als het tijdstip waarop de dood van [slachtoffer] was ingetreden.
53. Echter is dit zeer onwaarschijnlijk. Uit de verklaring van een vriendin van [slachtoffer] blijkt dat zij met een groep vrienden rond 21.45 uur risotto zou hebben gegeten. In risotto zit rijst. Na kort onderzoek op internet is gebleken dat de verteringstijd van rijst in de maag 3 à 4 uur bedraagt. Dit betekent dat de rijst uiterlijk om 01.45 uur verteerd had moeten zijn.
54. Uit het autopsie rapport blijkt dat ten tijde van de autopsie er nog steeds rijst in de maag van [slachtoffer] zat. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding hiervan haar eigen aantekeningen in een separate e-mail getypt, waarin er wordt beweert dat iemand gezegd zou hebben dat op basis van de maaginhoud geen tijdstip zou kunnen worden vastgesteld waarop de dood zou zijn ingetreden.
55. Hierbij blijft het onduidelijk wie dat precies gezegd heeft. Tevens blijft onduidelijk wat er precies mee bedoeld wordt. Uiteraard kan op basis van de maaginhoud alleen niet een vast tijdstip met alle zekerheid worden genoemd waarop de dood zou zijn ingetreden. Echter is het een kwestie van logisch nadenken dat de dood in ieder geval is ingetreden voordat de maag van [slachtoffer] klaar was met het verteren van de rijst. Dat het tijdstip van het diner van [slachtoffer] ook aan dit referentiekader van het Openbaar Ministerie zou zijn doorgegeven blijkt niet uit deze overgetypte eigen aantekening.
56. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat uit deze verklaring en het autopsierapport in ieder geval kan worden afgeleid dat [slachtoffer] moet zijn overleden vóór 01.45 uur. Op dat tijdstip was cliënt bij [betrokkene 2] , wat ook door [betrokkene 2] is bevestigd. Derhalve is het onmogelijk dat cliënt op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] .”
72. Het Hof heeft dit onderdeel van de pleitnota kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat het standpunt over het tijdstip van overlijden naar mijn oordeel onderdeel uitmaakt van het door de verdediging aangevoerde bewijsverweer strekkende tot vrijspraak van het eerste tenlastegelegde feit. Het is slechts een onderdeel van de argumentatie op basis waarvan de verdediging tot de conclusie komt dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich aan het feit schuldig heeft gemaakt en er bovendien een overduidelijk alternatief scenario denkbaar is, zodat het Hof op dit specifieke onderdeel niet afzonderlijk hoefde te reageren. [8]
73. Het middel faalt.

Het vijfde middel

74. Het middel bevat vier klachten in verband met het onder 4 tenlastegelegde bezit van kinderporno.
De eerste klacht
75. De klacht houdt in dat het hof ten aanzien van feit 4 de inleidende dagvaarding ten onrechte niet nietig heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat de tenlastelegging betrekking heeft op 706 afbeeldingen, die zonder nadere verduidelijking of herleidbaarheid in vijf nader omschreven categorieën is onderverdeeld. Volgens de stellers van het middel vloeit uit art. 285 Sv Pro BES voort dat de tenlastelegging, met het oog op de duidelijkheid voor de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, een voldoende concrete beschrijving of de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te bevatten. Weliswaar is in deze zaak de vindplaats van de concrete beschrijvingen van 26 afbeeldingen in de tenlastelegging opgenomen, maar niet van alle 706 afbeeldingen. Volgens de stellers van het middel voldoet de tenlastelegging daarom niet aan de eisen die art. 285 Sv Pro BES daaraan stelt en getuigt het oordeel van het Hof dat de dagvaarding voldoet aan die eisen van een onjuiste rechtsopvatting.
76. Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd:
“dat hij, op of omstreeks 15 mei 2015, althans in of omstreeks de maand mei 2015 op het eiland Saba (telkens) (een) afbeelding(en), te weten in totaal 706 in elk geval een groot aantal, (digitale) foto's en/of films en/of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen, te weten een laptop (Apple), heeft verworven en/of in bezit heeft gehad,
terwijl op die afbeelding(en) en/of gegevensdrager (telkens) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een of meer perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken en/of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – (telkens) bestonden uit (onder meer) onder verwijzing naar pagina 30 tot en met 42 van het dossier Brazil (beschrijving kinderpornografisch materiaal) en het proces-verbaal van bevindingen 201711060836 d.d. 06 november 2017:
- het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren (met de penis en/of de mond/tong en/of een voorwerp en/of (een) vinger(s) en/of een hand) van het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis en/of de mond/tong en/of (een) vinger(s) en/of een hand en/of een voorwerp), van het lichaam van een (ander) persoon door (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of billen en/of borsten (met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of de mond/tong) van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt met nadruk op geslachtsdelen en/of borsten en/of billen waarbij bij dit poseren deze perso(o)n(en) geheel en/of gedeeltelijk naakt zijn en/of deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn in niet bij de leeftijd passende kleding (lingerie) en/of waarbij dit deze perso(o)n(en) poseert/poseren in een onnatuurlijke omgeving en/of met (een) onnatuurlijk(e) voorwerp(en) en/of in (een) onnatuurlijke (erotisch getinte) houding(en) op een wijze die niet bij de leeftijd past en/of in een striptease-act/houding (waarbij deze perso(o)n(en) zich in opeenvolgende afbeelding(en) /film(s)/ filmfragment(en)van de kleding ontdoet/ontdoen) en/of waarbij bij dit poseren sprake is van sadomasochistische elementen en/of (waarna) door de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleding nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (en/of) waarbij de afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft/hebben en/of strekt/strekken tot seksuele prikkeling
- en/of het houden van de penis dichtbij het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt.”
77. De stellers van het middel doen in de schriftuur een beroep op een arrest van 17 november 2015 waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen over dagvaardingen betreffende het grootschalige bezit van kinderporno:
“2.4. Ingevolge de art. 348 en Pro 350 Sv, die krachtens art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing zijn, dient de rechter te beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers - zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij - de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen (vgl. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 en ECLI:NL:HR:1995:ZD0096, NJ 1996/127). Met het oog daarop dient ingevolge art. 261 Sv Pro de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.
2.5.
Aangezien het de Hoge Raad bekend was dat onduidelijkheid bestond over de wijze waarop in het bijzonder het grootschalige bezit van - kort gezegd - kinderporno kan of moet worden tenlastegelegd, zijn in HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739, NJ 2012/147 en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497, NJ 2014/339 enkele uitgangspunten geformuleerd met het oog op de strafrechtelijke beoordeling van het op grote(re) schaal voorhanden hebben van kinderporno. Die uitgangspunten komen hierop neer dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een selectie van een gering aantal (representatieve) afbeeldingen - zo mogelijk ten hoogste vijf - zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken. In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting rekening worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict, bijvoorbeeld op grond van de erkenning door de verdachte van het grootschalige karakter, hetgeen betekent dat de concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno niet behoeven te worden besproken, of op grond van de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek uitgevoerde steekproef uit het aangetroffen materiaal, mits de verdachte in de gelegenheid is gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.
2.6.
De onderhavige tenlastelegging heeft, in afwijking van de hiervoor onder 2.5 aanbevolen werkwijze, betrekking op het bezit van 864 afbeeldingen, dus op grootschalige kinderporno, die - zonder nadere verduidelijking of herleidbaarheid tot die 864 afbeeldingen - in vier nader omschreven categorieën is onderverdeeld. De steller van de tenlastelegging heeft zich dus niet beperkt tot - een beschrijving van - een beperkte selectie van (representatieve) afbeeldingen. Uit de eisen die art. 261 Sv Pro in gevallen als de onderhavige stelt aan de dagvaarding, vloeit voort dat de tenlastelegging met het oog op de in 2.4 genoemde duidelijkheid voor in het bijzonder de verdachte en de rechter ten aanzien van elk van die afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te bevatten, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden. Indien de tenlastelegging niet aan die eisen voldoet en de verdachte daarop beroep doet, kan zulks grond vormen voor nietigverklaring van de dagvaarding.” [9]
78. Het middel stelt de vraag aan de orde of uit de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt op welke “in totaal 706 in elk geval een groot aantal” afbeeldingen de tenlastelegging betrekking heeft. Het aanknopingspunt in de tenlastelegging is de verwijzing “naar pagina 30 tot en met 42 van het dossier Brazil (beschrijving kinderpornografisch materiaal) en het proces-verbaal van bevindingen 201711060836 d.d. 06 november 2017”. In het eerste stuk, een proces-verbaal van 22 februari 2016, is geen lijst van alle 706 afbeeldingen te vinden, maar hieruit blijkt wel dat een ‘collectiescan’ van in totaal 270608 aangetroffen afbeeldingen (269295 foto’s en 1313 films) is uitgevoerd en waaruit naar voren is gekomen dat in de gescande collectie in totaal 9528 afbeeldingen (foto’s), waarvan 706 uniek, voorkomen. Volgens de criteria van de op dit punt geldende jurisprudentie en de Aanwijzing kinderpornografie van het College van procureurs-generaal zouden deze afbeeldingen als kinderpornografisch zijn aan te merken. Het tweede stuk, een proces-verbaal van 6 november 2017, bevat een beschrijving van 26 foto’s.
79. Nu de steller van de tenlastelegging zich in de onderhavige zaak niet heeft beperkt tot – een beschrijving van – een beperkte selectie van (representatieve) afbeeldingen, terwijl in de tenlastelegging ten aanzien van elk van die afbeeldingen een voldoende concrete beschrijving ontbreekt en ook de vindplaats van die beschrijving in het dossier niet is vermeld, zou dit op zich grond kunnen vormen voor het oordeel dat de dagvaarding nietig is. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat de verdediging ter terechtzitting van het Hof een verweer heeft gevoerd dat strekt tot nietigheid van de dagvaarding. De verdediging vond de dagvaarding in hoger beroep klaarblijkelijk voldoende duidelijk. Daarmee getuigt het kennelijke oordeel van het Hof dat de dagvaarding geldig is niet van een onjuiste rechtsopvatting.
80. De klacht faalt.
De tweede en de derde klacht
81. De tweede en de derde klacht kunnen gezamenlijk worden besproken. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaarde beschrijvingen van seksuele handelingen niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, terwijl de derde klacht inhoudt dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging feiten of omstandigheden heeft aangeduid die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Daartoe wordt aangevoerd dat in de bewijsmiddelen geen redengevende feiten en omstandigheden (beschrijvingen van kinderpornografisch materiaal) zijn terug te vinden die de bewezenverklaarde seksuele handelingen met en/of door personen onder de 18 jaar steunen. Volgens de stellers van het middel wordt in de bewijsoverweging van het Hof weliswaar verwezen naar een proces-verbaal met een beschrijving van kinderpornografisch materiaal, maar is dat onvoldoende nauwkeurig om te kunnen spreken van een verwijzing naar feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring.
82. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij, op 15 mei 2015, op het eiland Saba telkens afbeeldingen, te weten in totaal 706 digitale foto's en/of films en/of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen, te weten een laptop (Apple), in bezit heeft gehad,
terwijl op die afbeeldingen en/of gegevensdrager telkens seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een of meer personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt, waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit (onder meer) onder verwijzing naar pagina 30 tot en met 42 van het dossier Brazil (beschrijving kinderpornografisch materiaal) en het proces-verbaal van bevindingen 201711060836 d.d. 06 november 2017:
- het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren (met de penis en/of de mond/tong en/of een voorwerp en/of (een) vinger(s) en/of een hand) van het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis en/of de mond/tong en/of (een) vinger(s) en/of een hand en/of een voorwerp), van het lichaam van een (ander) persoon door (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of billen en/of borsten (met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of de mond/tong) van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of
- het (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt met nadruk op geslachtsdelen en/of borsten en/of billen waarbij bij dit poseren deze perso(o)n(en) geheel en/of gedeeltelijk naakt zijn en/of deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn in niet bij de leeftijd passende kleding (lingerie) en/of waarbij dit deze perso(o)n(en) poseert/poseren in een onnatuurlijke omgeving en/of met (een) onnatuurlijk(e) voorwerp(en) en/of in (een) onnatuurlijke (erotisch getinte) houding(en) op een wijze die niet bij de leeftijd past en/of in een stripteaseact/houding (waarbij deze perso(o)n(en) zich in opeenvolgende afbeelding(en) /film(s)/ filmfragment(en)van de kleding ontdoet/ontdoen) en/of waarbij bij dit poseren sprake is van sadomasochistische elementen en/of (waarna) door de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleding nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden (en/of) waarbij de afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft/hebben
- en/of strekt/strekken tot seksuele prikkeling en/of het houden van de penis dichtbij het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt.”
83. Het Hof heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een kennisgeving van inbeslagneming
,nummer 201505181011.KVI, opgemaakt door [verbalisant 12] , hoofdagent van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, en op 18 mei 2015 ondertekend door [verbalisant 10] , opsporingsambtenaar van de Politie Korps Caribisch Nederland, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Degene onder wie in beslag is genomen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . De eigenaar van het inbeslaggenomene: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . Datum, tijd en plaats van inbeslagneming: 15 mei 2015, […] (Saba). Omschrijving inbeslaggenomen goederen: 1 Laptop merk Apple.
2. Een ambtsedig proces-verbaal "Beschrijving kinderpornografisch materiaal", op 22 februari 2016 opgemaakt door [verbalisant 13] , hoofdagent van de Dienst Regionale Recherche, Eenheid Rotterdam, Team Bestrijding Kinderporno en kindersekstoerisme, welk proces-verbaal onder meer inhoudt als bevindingen van die verbalisant - zakelijk weergegeven:
In het onderzoek contra [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , werd door [verbalisant 10] een kopie van een veiliggestelde harde schijf uit een laptop, merk Apple, Macbook, aangeboden voor nader onderzoek op de mogelijke aanwezigheid van kinderporno. Van de gegevensdrager, aangeboden aan het personeel werkzaam voor het onderzoek Hector/Palm Island, werd een forensische kopie gemaakt en ter beschikking gesteld aan de Nationale Politie, eenheid Rotterdam. Door mij werd een onderzoek ingesteld. Ik trof 270608 afbeeldingen (foto's en video's) aan. De beoordeling of een afbeelding al dan niet kinderpornografisch is, is door mij verricht met gebruikmaking van de criteria zoals opgenomen in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, de op dit punt geldende jurisprudentie en de Aanwijzing kinderpornografie van het College van procureurs-generaal, waarin deze criteria zijn uitgewerkt. Alle in het onderzoek betrokken afbeeldingen heb ik, verbalisant, visueel gecontroleerd op de kennelijke aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. Ik, verbalisant, heb vastgesteld dat in totaal 9528 afbeeldingen (foto's), waarvan 706 uniek, voorkomen, die volgens bovengenoemde criteria kinderpornografisch zijn. Uit de afbeeldingen (foto's) heb ik een representatieve doorsnede van 26 afbeeldingen samengesteld.
3. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 201711060836, opgemaakt door [verbalisant 14] , brigadier en gecertificeerd zedenrechercheur van het Korps Politie Caribisch Nederland, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - kort gezegd - als bevindingen van die verbalisant:
Naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen met name kinderpornografische foto's, genummerd 1 tot en met 26, zijn voornoemde foto's beschreven.
4. Een rapport van Fox-IT d.d. 2 oktober 2017, opgemaakt door [betrokkene 17] , gerechtelijk deskundige, forensisch IT-expert, welk rapport onder meer inhoudt als conclusies van die deskundige:
Fox-IT acht het zeer waarschijnlijk dat de kinderpornografische (KP) afbeeldingen afkomstig zijn uit het gecomprimeerde bestand P3W0.7z. Op basis van het onderzoek acht Fox-IT het zeer waarschijnlijk dat tijdens het aangemeld zijn van gebruikersaccount [verdachte] een deel van het KP materiaal is aangemaakt op de notebook. Fox-IT heeft geen kwaadaardige software, zoals een virus of andere malware aangetroffen op het systeem. De resultaten van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer gebruikersactiviteiten het KP materiaal hebben aangemaakt op de notebook dan wanneer door malwareactiviteiten het KP materiaal op de notebook is terechtgekomen.
5. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2017, nummer 20170203.1340.AMB, opgemaakt door [verbalisant 11] , hoofdagent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - kort gezegd - als bevindingen van die verbalisant:
Gedurende het onderzoek Palm Island werd op 15 mei 2015 te Saba een laptop, Apple MacBook Pro (AAHN4119NL) in beslag genomen onder de verdachte: [verdachte] . Na onderzoek in de genoemde laptop bleek deze over een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal te beschikken. De kinderporno werd aangetroffen in zowel de map "Downloads" van de laptop als op de "Desktop" van de laptop. Locatie: Usrs/ [verdachte] /desktop i de map: .... 0===8%2OP3DOWOM3N
Deze map op zijn desktop bevatte de volgende (..) submappen:
- Mom&Girl Slaves
- Sister&LittleBrother
- Mother & Son
De map was niet meteen zichtbaar. Van het Apple besturingssysteem is bekend dat het standaard mappen verbergt als die beginnen met een (punt). Voor wat betreft de "downloadmap" is te zien dat de bestanden via deze map zijn gedownload op 5 maart 2015.”
84. Het Hof heeft in zijn vonnis de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Het Hof neemt op deze plaats de overwegingen van het Gerecht over zoals neergelegd in paragraaf 4C van het vonnis waarvan beroep en maakt deze tot de zijne, met dien verstande dat anders dan het Gerecht het Hof op grond van de bewijsmiddelen ervan uitgaat dat wél bestanden zijn gedownload.
Responderend op een in hoger beroep gevoerd verweer, overweegt het Hof als volgt:
Het door de verdediging in hoger beroep overgelegde rapport van Mitcon van 18 mei 2021 beschrijft dat uit het onderzoeksrapport van Fox-IT volgt dat gebruiker " [verdachte] " getracht heeft de inhoud van het zip-bestand "P3WO,7z" in te zien door dit zipbestand te decomprimeren middels verschillende decompressie applicaties (op verschillende data), en dat de bestanden ook daadwerkelijk zijn uitgepakt in een folder met de naam "0===8%2OP3DOWOM3N". Voornoemd rapport van Mitcon houdt als algemene conclusie in dat niet aangetoond is dat gebruiker " [verdachte] " de KP bestanden in het bestand "P3W0.7z" heeft bekeken en zich bewust is/was van de inhoud en aard van deze bestanden in het gecomprimeerde bestand "P3W0.7z" en in de betreffende gevonden folders.
Voor bewezenverklaring van het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is niet vereist dat dit door de verdachte is bekeken. Het verweer wordt voor het overige weerlegd door de bewijsmiddelen. De namen van de daarin genoemde submappen maken immers dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bezit van kinderporno.”
85. Verder heeft het Hof de bewijsoverwegingen uit paragraaf 4C van het vonnis van het Gerecht overgenomen. Deze overwegingen houden het volgende in:
“Uit de hiervoor genoemde kennisgeving van inbeslagneming (nummer 20150518011.KVI, pagina 11 dossier Brazile) volgt dat verdachtes laptop, een Apple MacBook, op 15 mei 2015 in beslag is genomen door een opsporingsambtenaars het Korps Politie Caribisch Nederland. Bij het onderzoek door Fox-IT, waartoe de rechter-commissaris opdracht heeft gegeven en waarvan de deskundige [betrokkene 17] een rapport heeft opgemaakt (Rapportage Fox-IT, zaak Lynwood, d.d. 2 oktober 2017), is gebleken dat er slechts een gebruiker was aangemeld op het systeem en dat de hashwaarde overeenkomt waar het gaat om de inbeslaggenomene laptop (notebook) en de onderzochte harde schijf van een Apple notebook. Uit de verklaringen van getuigen en het onderzoek door Fox-IT is niet gebleken dat anderen toegang hadden tot de MacBook van verdachte.
Conclusie: De harde schijf die is onderzocht is die van de laptop van verdachte die in beslag is genomen toen verdachte zich op 15 mei 2015 meldde bij de politie op Saba.
Bij het onderzoek van de harde schijf uit de laptop door een opsporingsambtenaar van het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, documentcode 1602151324.OIG, p. 30 dossier Brazile) zijn bestanden aangetroffen waarvan het vermoeden rees dat deze bestanden beeldmateriaal bevatten dat kinderpornografisch van aard is. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat het om in totaal 706 unieke afbeeldingen gaat, waarvan een aantal in duplo of meervoud is aangetroffen.
Conclusie: Op de harde schijf van de laptop bevindt zich kinderporno.
Een deskundige van Fox-IT heeft onderzoek verricht aan (de harde schijf uit) de laptop van verdachte en daarbij in het bijzonder onderzoek gedaan naar de vragen met betrekking tot de herkomst van het kinderpornografisch materiaal en eventuele malware die het materiaal zonder activiteiten van de gebruiker op de laptop terecht heeft doen komen.
Uit het hiervoor genoemde rapport betreffende het onderzoek door deze deskundige kunnen de volgende conclusies worden getrokken. De door een opsporingsambtenaar van het team bestrijding kinderporno aangewezen bestanden, die kinderpornografisch materiaal zouden bevatten, zijn alle afkomstig uit een bronbestand genaamd XP3W0.7z. Op de laptop zijn in de map downloads van gebruiker “ [verdachte] ” op 22 februari 2015, 1 maart 2015, 4 maart 2015 en 5 maart 2015 mappen aangemaakt waarin de kinderpornografie is aangetroffen.
Op 22 februari 2015 heeft gebruiker “ [verdachte] ” pornografisch materiaal gedownload. Op dezelfde dag zijn er mappen met kinderporno aangemaakt in de downloadmap van gebruiker [verdachte] . Op 1 maart 2015 is een Stuffit Expander logbestand aangemaakt. Stuffit Expander is de software waarmee het bestand P3W0.7z is uitgepakt, waarbij een wachtwoord is gebruikt om dat bestand uit te pakken. Daarna logt gebruiker “ [verdachte] ” in en na twee minuten worden nog twee mappen met kinderporno aangemaakt in de map downloads van gebruiker “ [verdachte] ”. Op de laptop is voorts een zogenaamde “sandbox” aangetroffen. Dat is een set software die maakt dat er activiteiten op de laptop kunnen worden uitgevoerd buiten de geregistreerde gebruiker om. Op 4 maart 2015 is er wederom een activiteit uitgevoerd op de laptop in relatie tot software die bestanden uitpakt. Er worden mappen met kinderporno aangemaakt in de downloadmap van gebruiker “ [verdachte] ” en daarna logt die gebruiker in. Op 5 maart 2015 wordt terwijl gebruiker “ [verdachte] ” is ingelogd, binnen 15 minuten studiemateriaal aangemaakt op de laptop, is er mailactiviteit van [verdachte] @gmail.com , wordt software geïnstalleerd waarmee gecomprimeerde bestanden kunnen worden uitgepakt, logt gebruiker “ [verdachte] ” in en worden kinderpornomappen aangemaakt op het systeem vier minuten nadat gebruiker “ [verdachte] ” is ingelogd. Van drie mappen die zijn aangemaakt is vastgesteld dat deze data bevatten afkomstig uit het bestand P3W0.7z. De deskundige heeft voorts geconcludeerd dat er geen virussen zijn aangetroffen op het systeem en dat de aangetroffen bestanden die als mogelijke (phishing)malware zijn aangemerkt, ten onrechte als zodanig zijn aangemerkt. Er is - kort gezegd - geen kwaadaardige software gedetecteerd waardoor niet aannemelijk is dat het kinderpornografisch materiaal door kwaadaardige software op de laptop terecht is gekomen. De deskundige rapporteert verder dat er software is gebruikt die de nodige kennis van de gebruiker vergt, dat er redelijk specialistische software is gebruikt om bestanden en data te verwijderen en dat, gelet op de aangetroffen software, sporen van activiteiten en verrichte handelingen, de gebruiker “ [verdachte] ” bovengemiddelde technisch niveau heeft. De deskundige heeft op de door de rechter-commissaris geformuleerde en aan de deskundige voorgelegde vragen als volgt - enigszins samengevat - geantwoord: Fox-IT acht het zeer waarschijnlijk dat de kinderpornografische afbeeldingen afkomstig zijn uit het gecomprimeerde bestand P3W0.7z. Op basis van de gebruikersactiviteiten en het inloggen van de gebruiker [verdachte] rondom de periode van het aanmaken van de mappen met kinderporno, acht Fox-IT het zeer waarschijnlijk dat tijdens het aangemeld zijn van deze gebruiker een deel van het kinderpornografisch materiaal is aangemaakt op de laptop. Er is geen kwaadaardige software aangetroffen op het systeem. De resultaten van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer gebruikersactiviteiten het kinderpornografisch materiaal heeft aangemaakt dan wanneer dit door malware-activiteiten op de laptop is gekomen. Er zijn sporen aangetroffen van het verwijderen van applicaties die mogelijk sporen bevatten van de herkomst van het kinderpornografisch materiaal.
Conclusie: Het kinderpornografisch materiaal is niet op de laptop gekomen als gevolg van malware of een andere gebruiker dan ‘ [verdachte] ”.
Uit de verklaringen van verdachte en getuigen is niet aannemelijk geworden dat een ander dan verdachte de laptop van verdachte heeft gebruikt. Gelet op de bevindingen van de opsporingsambtenaren die de laptop hebben onderzocht en daarbij bestanden hebben aangetroffen waarvan is vastgesteld dat het om kinderporno gaat en op de conclusies van de deskundige van Fox-IT, acht het Gerecht meer dan voldoende aannemelijk dat de gebruiker van de laptop “ [verdachte] ” het kinderpornografisch materiaal op de inbeslaggenomen MacBook heeft gezet in die zin dat deze gebruiker in elk geval de bestanden aanwezig heeft gehad en (tenminste een deel daarvan) heeft geëxpandeerd en mappen heeft aangemaakt waarin het materiaal is gevonden.
De stelling van verdachte dat hij nimmer kinderporno heeft gedownload doet daaraan niet af. Het bezit impliceert immers niet dat verdachte het materiaal moet hebben gedownload. De stelling van verdachte dat het materiaal buiten zijn weten op de laptop terecht is gekomen, wordt eveneens verworpen. Gelet op de zeer geringe tijdspannen tussen de activiteiten die gerelateerd zijn aan het verboden materiaal en activiteiten van de gebruiker, leiden tot de conclusie dat deze gebruiker betrokken moet zijn geweest bij handelingen rond de mappen en afbeeldingen. Nu er geen kwaadaardige software is aangetroffen waardoor de aanwezigheid van het materiaal buiten medeweten van de gebruiker te verklaren zou zijn en voorts niet aannemelijk is dat een ander dan verdachte de laptop of het gebruikersaccount heeft benut, is het verdachte geweest die verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de 706 afbeeldingen met kinderpornografie.
Conclusie: Gebruiker “ [verdachte] ” heeft de kinderporno uitgepakt en op de harde schijf bewaard.
Dat de deskundige van Fox-IT de afbeeldingen zelf niet heeft onderzocht, zoals verdachte heeft aangevoerd, doet aan het vorenstaande niet af. Gelet op het vorenstaande worden de verweren van verdachte ten aanzien van dit tenlastegelegde feit verworpen. Buiten redelijke twijfel is vast komen te staan dat verdachte het materiaal in bezit heeft gehad op 15 mei 2015, de dag waarop hij de laptop heeft afgegeven) zodat dit feit wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.
Conclusie: Verdachte had het aangetroffen kinderpornografisch materiaal in bezit.”
86. In de schriftuur wordt de volgende rechtspraak van de Hoge Raad aangehaald:
“Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus […] beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.” [10]
87. Deze zaak is in zoverre atypisch dat de bewezenverklaring inderdaad niet kan worden gebaseerd op de bewijsmiddelen en/of de bewijsoverweging, maar dat de bewezenverklaring zelf de verwijzing naar een stuk uit het dossier bevat waarin de redengevende feiten en omstandigheden staan: in de bewezenverklaring wordt verwezen naar “pagina 30 tot en met 42 van het dossier Brazil (beschrijving kinderpornografisch materiaal) en het proces-verbaal van bevindingen 201711060836 d.d. 06 november 2017”. Het eerste stuk bevat, zoals hiervoor al is aangegeven, een ‘collectiescan’ van de bij de verdachte aangetroffen afbeeldingen, terwijl in het tweede stuk een beschrijving staat van 26 foto’s. In het laatste stuk zijn de bewezenverklaarde gedragingen beschreven. Naar mijn oordeel voldoet de bewijsvoering daarmee aan de eisen, omdat de ratio van de hiervoor geciteerde rechtspraak van de Hoge Raad lijkt te zijn dat de bewezenverklaring controleerbaar moet zijn. Daarover bestaat in deze zaak in redelijkheid geen twijfel.
88. De klachten falen.
De vierde klacht
89. De klacht houdt in dat het bewezenverklaarde opzet op het bezit van kinderporno niet naar behoren is gemotiveerd. In de toelichting wordt gesteld dat de verdediging het standpunt heeft ingenomen dat niet vaststaat dat de verdachte wist dat het bestand daadwerkelijk was uitgepakt omdat de (hoofd)folders niet de inhoud weergeven en dat uit de bewijsvoering niet is af te leiden dat de verdachte wist dat het gedownloade ingepakte bestand met de naam “P3WO,7z” kinderporno betrof, terwijl uit de bewijsvoering ook niet is af te leiden dat de verdachte kennis heeft genomen van het bestaan van de submappen. In het licht van dit standpunt had het Hof volgens de stellers van het middel zijn oordeel nader moeten motiveren.
90. Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat gebruiker “ [verdachte] ” heeft geprobeerd het zipbestand te decomprimeren en dat de bestanden ook daadwerkelijk zijn uitgepakt in een folder met de naam “0===8%2OP3DOWOM3N”. Verder blijkt uit bewijsmiddel 5 dat deze folder zich zowel in de map “Downloads” als op de “Desktop” van de laptop bevond. Verder stelt het Hof met dit bewijsmiddel vast dat deze map beschikte over een aantal submappen met daarin een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal.
91. Voor zover de klacht inhoudt dat de verdachte niet wist dat de map kinderporno bevatte omdat de (hoofd)folders niet de inhoud weergeven, merk ik op dat de naam van de door de verdachte gedownloade map een in computertekens nagemaakt mannelijk geslachtsdeel toont en dat daarin bovendien het met cijfers en letters gemaakte woord “pedowomen” valt te herkennen, zodat de verdachte naar mijn oordeel op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die map kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Voor zover wordt aangevoerd dat niet uit de bewijsvoering valt af te leiden dat de verdachte kennis heeft genomen van (de inhoud van) de submappen, geldt dat het Hof terecht heeft overwogen dat niet is vereist dat de verdachte het materiaal heeft bekeken. Het Hof heeft de verdachte immers veroordeeld voor het bezit van kinderporno, niet voor het bekijken daarvan. Het oordeel van het Hof dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het bezit van kinderporno is daarom toereikend gemotiveerd.
92. De klacht faalt.
Slotsom
93. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotsom

94. De middelen falen. De tweede klacht van het eerste middel, de eerste, tweede en vierde klacht van het tweede middel, het derde middel, het vierde middel en het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
95. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
96. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie
2.HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
3.De voetnoten heb ik weggelaten.
4.HR 19 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0413,
5.HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8873, r.o. 4.5. Zie ook HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968, r.o. 4.2, waarin de Hoge Raad verwijst naar HR 19 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0413,
6.Zie HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8873, r.o. 4.5.
7.HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, r.o. 3.4.2.
8.Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
9.HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3322,
10.HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 4.2.