Art. 6:4 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 1:7 lid 1 WvggzArt. 1:7 lid 3 WvggzArt. 44 lid 2 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging zorgmachtiging wegens onvoldoende onderzoek naar wens betrokkene voor andere raadsman
De zaak betreft een verzoek tot zorgmachtiging ex artikel 6:4 WvggzPro en voortzetting van een crisismaatregel. De rechtbank Noord-Nederland verleende een zorgmachtiging voor zes maanden, waarbij betrokkene voorafgaand aan de zitting uitdrukkelijk juridische bijstand van zijn toegevoegde advocaat weigerde en zelf het woord wilde voeren.
In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank niet heeft onderzocht of hij een andere raadsman wenste, terwijl vaste rechtspraak sinds 1994 vereist dat de rechter dit onderzoek verricht en het resultaat daarvan in de beschikking opneemt, vanwege de kwetsbare positie van betrokkene met een psychische stoornis.
De Hoge Raad bevestigt dat afstand van rechtsbijstand mogelijk is, maar dat de rechter een onderzoeksplicht heeft om te bepalen of betrokkene daadwerkelijk afstand doet en of hij een andere raadsman wenst. Dit onderzoek ontbrak in de bestreden beschikking. Gezien de psychische stoornis van betrokkene roept dit twijfel op over de vrije en ondubbelzinnige afstand van het recht op rechtsbijstand.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing aan de rechtbank voor nader onderzoek en motivering. Dit waarborgt de procedurele bescherming van kwetsbare personen in gedwongen zorgzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende onderzoek naar de wens van betrokkene voor een andere raadsman.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03303
Zitting7 oktober 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene), verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Nederland (hierna: de officier van justitie), verweerder in cassatie, niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de betrokkene voorafgaand aan de mondelinge behandeling bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat geweigerd. De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank niet heeft onderzocht of de betrokkene toevoeging van een andereraadsman wenst. De rechtbank had nader onderzoek moeten verrichten en het resultaat van dat onderzoek in de beschikking moeten opnemen.
Bij de griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank), zijn door de officier van justitie twee verzoekschriften jegens de betrokkene ingediend.
2.2
Het gaat om een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 WvggzPro, bij de griffie ingekomen op 1 juni 2022 en een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 WvggzPro voor de duur van zes maanden, bij de griffie ingekomen op 2 juni 2022.
2.3
De mondelinge behandeling van deze verzoeken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 7 juni 2022. [2]
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:
- de betrokkene;
- [psychiater 1] ;
- [psychiater 2] ;
- [arts-assistent] .
2.5
De officier van justitie is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2.6
De rechtbank heeft vastgesteld dat de betrokkene voorafgaand aan de mondelinge behandeling uitdrukkelijk juridische bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat heeft geweigerd daarbij aangevend zelf het woord te zullen voeren.
2.7
Bij beschikking van 7 juni 2022 [3] heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend voor de vormen van verplichte zorg zoals verzocht door de officier van justitie, met uitzondering van het toedienen van vocht en voeding omdat deze verzochte vormen van zorg onvoldoende zijn gemotiveerd en niet anderszins noodzakelijk zijn gebleken.
2.8
Vanwege deze uitkomst heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afgewezen, eveneens bij beschikking van 7 juni 2022. [4]
2.9
De betrokkene heeft – tijdig [5] – cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 7 juni 2022 [6] waarin de verzochte zorgmachtiging is verleend (hierna: de bestreden beschikking). De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen overweging 1.4 van de bestreden beschikking. De rechtbank overweegt daarin als volgt:
“Betrokkene heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling uitdrukkelijk juridische bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat geweigerd daarbij aangevend zelf het woord te zullen voeren.” [7]
3.2
In het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat als een betrokkene bij de behandeling van een verzoek tot een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 6:4 WvggzPro verklaart geen bijstand te willen van de aan hem toegevoegde raadsman, de rechter gehouden is om te onderzoeken of de betrokkene een andere raadsman wenst en de rechtbank gehouden is om in zijn beschikking blijk te geven van het resultaat van dat onderzoek.
3.3
Betoogd wordt dat uit de bestreden beschikking niet volgt dat de rechtbank dit onderzoek heeft verricht, althans dat de rechtbank de betrokkene dienaangaande nadere vragen heeft gesteld. De rechtbank had mogelijk ambtshalve moeten onderzoeken of de zaak aangehouden moest worden en had moeten vragen of de betrokkene toch niet een andere raadsman toegevoegd wilde zien. [8] Voorts had de vraag naar de (mate van) wilsbekwaamheid van de betrokkene aan de orde moeten komen, temeer nu in het onderzoek dat in het kader van de crisismaatregel is uitgevoerd, is vastgesteld dat de betrokkene niet goed voor zijn belangen kon opkomen. [9] Daarom zou sprake zijn van een onjuiste en onbegrijpelijke beslissing. [10]
3.4
Bij de behandeling van de klacht kan vooropgesteld worden dat in procedures betreffende een zorgmachtiging zoals de onderhavige geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging; betrokkenen krijgen rechtsbijstand aangeboden maar behouden het recht om zichzelf te verdedigen. Afstand van het recht op rechtsbijstand door betrokkenen is mogelijk. [11] Er gelden echter wel procedurele waarborgen ter bescherming van de belangen van deze meestal kwetsbare betrokkenen.
3.5
Al sinds 1994 is het vaste rechtspraak dat in zaken zoals de onderhavige waarin een betrokkene de bijstand van zijn toegevoegde advocaat weigert, op de rechter een onderzoeks- en motiveringsplicht rust vanwege de kwetsbare positie van deze personen. De rechter moet onderzoeken of de betrokkene een andere raadsman wenst en het resultaat van dat onderzoek in de beschikking opnemen. [12]
3.6
De Hoge Raad heeft deze rechtspraak onlangs opnieuw bevestigd in een beschikking d.d. 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1214. Daarin is door de Hoge Raad het volgende overwogen:
“Ingevolge art. 1:7 lidPro 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 WvggzPro en art. 44 lid 2 SvPro, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet meer door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere raadsman wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken.” [13]
3.7
In casu heeft de betrokkene voorafgaand aan de mondelinge behandeling de juridische bijstand van de aan hem toegevoegde advocaat geweigerd en heeft de betrokkene aangegeven zelf het woord te zullen voeren. Dit volgt uit de bestreden beschikking. [14] Uit het proces-verbaal volgt nog dat de betrokkene heeft aangegeven dat hij niet wil werken met het gepruts van deze advocaat en de zaak zelf heeft voorbereid. [15]
3.8
Zoals in het cassatiemiddel terecht wordt gesteld, volgt uit de bestreden beschikking niet of de rechtbank heeft onderzocht of de betrokkene bijstand van een andere toegevoegde advocaat wenst. Dat de betrokkene heeft aangegeven de zaak zelf te hebben voorbereid, ontslaat de rechter mijns inziens niet van bovengenoemde onderzoeks- en motiveringsplicht. Dit temeer nu uit de bestreden beschikking blijkt dat de betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van recidief psychose in het kader van een schizofreniespectrumstoornis en andere psychische stoornissen, [16] hetgeen de vraag oproept of de betrokkene welbewust afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
3.9
In dat kader wijs ik nog op het verlengde van bovengenoemde op de rechter rustende onderzoeks- en motiveringsplicht. Wanneer de rechter zich ervan vergewist dat de betrokkene niet alleen de aan hem toegevoegde raadsman maar elkebijstand van een toegevoegd advocaat weigert, moet overeenkomstig rechtspraak van de Hoge Raad worden nagegaan of daadwerkelijk sprake is van afstand van het recht op rechtsbijstand. De Hoge Raad overwoog hierover, zij het onder gelding van de Wet Bopz (oud), als volgt:
“De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 8 lid 3 WetPro Bopz, noch met art. 5 EVRMPro.
In zaken als de onderhavige, waarbij het gaat om de onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis van veelal kwetsbare personen met een stoornis van de geestvermogens, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven (vgl. EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 (Damir Sibgattulin/Rusland)).” [17]
3.1
Indien ook deze beschikking van de Hoge Raad haar gelding onder de Wvggz heeft behouden, hetgeen gelet op de ratio daarvan – bescherming van de belangen van de betrokkene – wel te verwachten valt, betekent dit voor de onderhavige zaak dat ook wanneer de betrokkene zou hebben aangegeven geen andere (toegevoegd) advocaat te willen, de rechtbank zich over de nader gestelde vereisten voor afstand van het recht op rechtsbijstand had moeten buigen en zich daarover in de beschikking had moeten uitlaten.
4.Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.Ontleend aan de beschikkingen van Rechtbank Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213848 / FA RK 22-2027 en zaaknummer C/18/213872 / FA RK 22-2043. Deze beschikkingen zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213848 / FA RK 22-2027, r.o. 3.1
3.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213872 / FA RK 22-2043.
4.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213848 / FA RK 22-2027, r.o. 3.1, 3.2 en 4.1.
5.De procesinleiding is binnen drie maanden na de bestreden beschikking op 7 september 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
6.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213872 / FA RK 22-2043.
7.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Groningen) 7 juni 2022, met zaaknummer C/18/213872 / FA RK 22-2043, r.o. 1.4.
8.Zie randnummers 16-17 van de procesinleiding.
9.Zie randnummer 18 van de procesinleiding.
10.Zie randnummers 12 en 20 van de procesinleiding.
11.Zie in dit kader ook Dijkers, in:
12.Zie mijn conclusie voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:572, r.o. 2.5 met verwijzing HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273. In die uitspraak van de Hoge Raad wordt verwezen naar eerdere beschikkingen van de Hoge Raad: HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663. In die laatste beschikkingen wordt verwezen naar HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1422,