ECLI:NL:PHR:2022:939

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
20/04351
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 415 SvArt. 359 SvArt. 511e SvArt. 511g SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek van betaalde vergoeding bij berekening wederrechtelijk verkregen voordeel sieradenwitwassen

In deze zaak staat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij betrokkene sieraden van slachtoffers heeft witgewassen en verkocht via veilinghuizen. Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op €73.000 en legde een ontnemingsverplichting op. Betrokkene stelde dat een betaling van €15.000 aan het slachtoffer als kosten in mindering had moeten worden gebracht op dit bedrag.

De verdediging voerde aan dat deze betaling een vooraf overeengekomen vergoeding was voor de sieraden die verkocht werden en dat het hof ten onrechte deze aftrek niet had verwerkt. De Hoge Raad overweegt dat alleen kosten die in directe relatie staan tot het delict in mindering kunnen worden gebracht. De betaling van €15.000 betreft een schadevergoeding en geen kosten die direct verband houden met het witwassen van de sieraden.

Verder concludeert de Hoge Raad dat er geen gemotiveerd en uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen dat deze betaling als kosten in mindering moet komen, zodat het hof niet verplicht was dit bedrag af te trekken. Wel wordt vastgesteld dat de inzending van het cassatieberoep met bijna vier maanden is overschreden, waardoor compensatie wordt toegepast. Het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsverplichting van €73.000 blijft gehandhaafd, met compensatie voor de termijnoverschrijding in cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04351 P

Zitting11 oktober 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 17 december 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 73.000,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft daarbij de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 359 dagen.
Er bestaat samenhang met zaak 20/04350. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. C.W. Noorduyn, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het door de betrokkene aan [slachtoffer] betaalde bedrag van € 15.000,- niet als kosten van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft afgetrokken, althans dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudend dat dit bedrag in mindering moest worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
In de strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, is ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat:
‘hij op meerdere tijdstip(pen) in de periode van 19 november 2007 tot en met 15 maart 2016 in Nederland, een aantal sieraden ((die hij, verdachte, had verduisterd) van [slachtoffer] en/of [benadeelde] )), heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij wist dat die sieraden, afkomstig waren uit enig misdrijf.’
6. Het hof heeft inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit de strafzaak volgt dat de betrokkene twee ringen van [aangever 2] en een aantal sieraden van [slachtoffer] heeft witgewassen. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat.de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
(…)
Met betrekking tot de sieraden van [slachtoffer] en/of [benadeelde] overweegt het hof het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen (…) blijkt dat de betrokkene bij veilinghuis [C] in totaal 54 sieraden, verdeeld over 16 sets, heeft ingeleverd. Van deze 54 sieraden zijn er 16 geveild, met een opbrengst van € 38.300,-. De resterende 38 sieraden zijn aan de betrokkene geretourneerd door [C] .
Het hof acht aannemelijk dat, gelijk [benadeelde] heeft verklaard, deze sieraden niet zijn teruggegeven aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] .
Vaststaat dat twee oorhangers, die de betrokkene jaren later via veilinghuis [D] heeft laten veilen (…), niet door de betrokkene zijn geretourneerd. Voorts acht het hof aannemelijk dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de verwisseling van de zeer waardevolle peervormige diamant voor een zirkonia.
Voor deze sieraden zal het hof het wederrechtelijk voordeel individueel bepalen. Voor de overige sieraden zal het hof eenvoudshalve een, zeer voorzichtig, in het voordeel van betrokkene, geschat, totaal bedrag aan wederrechtelijk voordeel van € 10.000,- in aanmerking nemen.
Het hof zal bij de hoogte van de (verkoop)opbrengst van de sieraden - in het voordeel van de betrokkene - uitgaan van de executieopbrengst met een percentage van 34,35 % (vgl. het ontnemingsrapport).
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 73.000,-. Het hof gaat daarbij uit van de volgende berekening:
Opbrengsten:
(…)

Sieraden van [slachtoffer] en/of [benadeelde]

Hanger met peervormige diamant
taxatie 1986 ad 315.000 gulden
(omgerekend) € 142.940,77 x 0,3435 € 49.100,15
Sieraden [C] (schatting) € 10.000,-
Verkoop oorstekers [D] € 453,59’
7. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 3 december 2020 blijkt dat de raadsvrouw van betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities. Deze houden onder meer in (met weglating van voetnoten):

Gewoontewitwassen sieraden [slachtoffer] en/of [benadeelde]
31. Met [betrokkene 7] heeft cliënt besproken wat de geschatte waarde zou zijn van de sieraden die niet teruggenomen zouden kunnen worden genomen. Zij kwam op een geschat bedrag van € 16.500,-. Cliënt dit besproken met [slachtoffer] en met haar afgesproken dat hij haar € 15.000,- zou geven voor de sieraden die wel verkocht zouden worden door [C] (10 lotnummers -foto 13- 22). Cliënt heeft de teruggehaalde sieraden samen met het bedrag van € 15.000,- in contanten aan [slachtoffer] teruggeven. Om dit bedrag te kunnen betalen heeft hij € 15.000,- van [betrokkene 10] geleend. Zowel de lening als het opgenomen bedrag is terug te zien op de afschriften van de bankrekening.
(…)

Ontnemingsvordering

82. De verdediging verwijst naar de gewisselde schriftelijke rondes en verzoekt deze als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Ik zal kort de conclusies herhalen.
(…)
T.a.v. sieraden [slachtoffer] en/of [benadeelde]
85. Ten aanzien van de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de sieraden van [slachtoffer] en/of [benadeelde] bepleit de verdediging primair afwijzing in verband met het feit dat de ontnemingsvordering ziet op de zaak met parketnummer 09/857213-16. Dit betreft niet de zaak van [slachtoffer] en/of [benadeelde] .
86. Subsidiair bepleit de verdediging afwijzing van de vordering in verband met de bepleite integrale vrijspraak in de zaak met parketnummer 09/852061-18.
87. Subsidiair geldt, in aanvulling op hetgeen in de schriftelijke rondes al uit een is gezet, dat niet kan worden vastgesteld dat cliënt andere sieraden in handen heeft gehad dan de sieraden op de inbrenglijst van [C] . Dit geldt ook voor sieraad 42 van de excellijst. Het is geenszins aannemelijk dat hij wederrechtelijk voordeel heeft genoten aan de sieraden.
88. Cliënt persisteert, meer subsidiair, bij een rekenpercentage van 52%, nu het hier een schatting van opbrengst en kosten betreft, gebaseerd op de andere verkopen.
89. Ten aanzien van de overige punten persisteert cliënt. Dat wil dus zeggen dat de verdediging van oordeel is dat de aan [slachtoffer] betaalde € 15.000,- moet worden afgetrokken als kosten, als vooraf overeengekomen verdiscontering in de opbrengsten. Voorts heeft uw Hof de bevoegdheid tot matiging, ook bij oplegging. Cliënt verzoekt u van die bevoegdheid gebruik te maken, vanwege de redenen zoals aangevoerd.’
8. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het hof heeft ingestemd met het verzoek van de raadsvrouw om ‘gewisselde schriftelijke rondes’ als herhaald en ingelast te beschouwen.
9. Uit art. 415, eerste lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv volgt dat het arrest indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in het bijzonder de redenen opgeeft die daartoe hebben geleid. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is volgens Uw Raad sprake indien dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [1] Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv is art. 359, tweede lid, Sv bij de berechting van ontnemingszaken van overeenkomstige toepassing. Dat kan meebrengen dat het hof gehouden is te reageren op een standpunt dat inzake de aftrek van kosten naar voren is gebracht. [2]
10. Inzake de aftrek van kosten heeft Uw Raad op 6 oktober 2020, in lijn met eerdere rechtspraak, overwogen: [3]
‘2.3 Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200).’
11. Uit deze overweging volgt dat slechts kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Van dergelijke kosten kan sprake zijn als, zoals in het arrest van 6 oktober 2020, betaald is voor elektriciteit die is aangewend bij de teelt van hennepplanten. De € 15.000 die de betrokkene aan [slachtoffer] stelt te hebben betaald ziet niet op kosten die in (directe) relatie staan tot het delict. Het gaat om een vergoeding voor de schade die [slachtoffer] heeft geleden als gevolg van de verkoop van haar sieraden op de veiling bij [C] . Van een gemotiveerd (door argumenten geschraagd) standpunt dan wel verweer inhoudend dat de betaling van € 15.000 als kosten op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dienen te worden gebracht, is naar het mij voorkomt geen sprake. [4]
12. Een en ander brengt mee dat de klacht inhoudend dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, faalt. Van een gemotiveerd (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt inhoudend dat de € 15.000 als kosten afgetrokken moeten worden, is geen sprake: de argumentatie schiet tekort. [5] Het hof was niet gehouden redenen op te geven voor de beslissing het bedrag van € 15.000,- niet als kosten in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
13. Het eerste middel faalt.
14. Het
tweedemiddel behelst een klacht over schending van de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.
15. Namens de verdachte is op 24 december 2020 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 december 2021 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendingstermijn met bijna vier maanden overschreden.
16. Het tweede middel slaagt.
17. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt. De compensatie kan worden toegepast in de strafzaak, ook indien Uw Raad die zaak zou terugwijzen. [6] Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.Vgl. onder meer HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0043.
3.HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1560.
4.Vgl. HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2913,
5.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.Vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3321. Zie voorts HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.