Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Last. De Lastgever geeft hierbij opdracht en last aan de Lasthebber om namens hem de Vorderingen te incasseren door het voeren van schikkingsonderhandelingen dan wel het voeren van juridische procedures (de "Last").
Procesvolmacht. Bij deze overeenkomst is gevoegd een volmacht, waarin de Lastgever aan de Lasthebber de bevoegdheid verleent om hem in de eventuele schikkingsonderhandelingen en/of juridische procedure te vertegenwoordigen (de "Procesvolmacht")”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ibetoogt [eiseres] dat het oordeel van het hof dat Cage als procespartij kan worden aangemerkt en ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding procesbevoegd was, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Naar vaste rechtspraak komt volgens [eiseres] de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel slechts toe aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden [4] . Cage kan, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet als procespartij in eerste aanleg worden aangemerkt. Nu Cage als lastgever in eerste aanleg niet de formele procespartij was, kan dus volgens [eiseres] niet door haar hoger beroep worden ingesteld. Dit wordt niet anders als [eiseres] door de handelswijze van Cage niet in haar processuele belang zou zijn geschaad.
pro se), in welk geval de hoedanigheden van de formele en materiële procespartij zijn verenigd in één (rechts)persoon. Het is van belang om een onderscheid te maken tussen de formele en materiële procespartij wanneer de persoon die procedeert en de persoon wiens materiële procesbelang wordt geraakt verschillende personen zijn. Als een procespartij een andere partij, de materiële procespartij, vertegenwoordigt (in die zin dat wordt opgetreden ten aanzien van andermans rechten en/of verplichtingen), treedt deze partij op in hoedanigheid (
qualitate quaof
q.q.) [7] .
in naam vande opdrachtgever/lastgever handelt, en niet zoals partijen tot uitgangspunt nemen
in eigen naam. Er moet dus volgens mij van worden uitgegaan dat [de advocatenpraktijk] als formele procespartij in eerste aanleg is opgetreden krachtens opdracht (overeenkomst van lastgeving) gecombineerd met een volmacht. Er is dan sprake van onmiddellijke vertegenwoordiging op grond van volmacht. In dat geval is de gevolmachtigde ([de advocatenpraktijk]) de formele procespartij, die deze hoedanigheid ontleent aan de volmacht en die in rechte is verschenen in naam van een door hem genoemde volmachtgever (Cage) om wiens belangen het in het betrokken geding gaat. Cage moet dan worden aangemerkt als materiële procespartij. Zoals vereist heeft [de advocatenpraktijk] in de dagvaarding meteen duidelijk gemaakt dat en namens welke materiële procespartij zij als formele procespartij optreedt [22] .
formeleprocespartij en CC1 [Cage; A-G] de
materiëleprocespartij is” [23] . Het betoog van [gedaagden] in hoger beroep houdt in de kern in dat hoger beroep alleen kan worden ingesteld door formele procespartijen [24] . Wie materiële procespartij is, is volgens [gedaagden] irrelevant [25] . Hier lijkt [eiseres] ook in cassatie in eerste instantie van te zijn uitgegaan door in het eerste onderdeel aan te voeren dat nu Cage als lastgever in eerste aanleg niet de formele procespartij was, niet door haar hoger beroep kan worden ingesteld. Pas bij repliek heeft [eiseres] voor het eerst het standpunt ingenomen dat Cage niet als materiële procespartij kan worden aangemerkt en stelt zij dat, anders dan Cage in haar s.t. tot uitgangspunt neemt [26] , het cassatieberoep zich ook richt tegen de kwalificatie door het hof van Cage als materiële procespartij [27] . [eiseres] neemt dus pas bij repliek voor het eerst dit standpunt in en legt haar klachten zo uit dat zij zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov 2.5 dat Cage als materiële procespartij heeft te gelden, waardoor het als een nieuwe klacht moet worden opgevat. Gelet op art. 407 lid 2 Rv Pro waarin is bepaald dat de procesinleiding de cassatiemiddelen moet bevatten waarop het beroep steunt en ook gelet op de rechtspraak waaruit volgt dat middelen of klachten geformuleerd na het verstrijken van de cassatietermijn in de regel niet in behandeling worden genomen [28] , kan geen acht worden geslagen op deze nieuwe door [eiseres] pas bij repliek aangevoerde klacht. In cassatie staat dus als onbestreden vast dat [de advocatenpraktijk] als formele procespartij kan worden aangemerkt en Cage als materiële procespartij.
Yukos-arrest van de Hoge Raad uit 2012 [29] . Daarin is in rov. 4.1.1 het volgende overwogen:
Yukos-arrest geoordeeld dat wanneer in de vorige instantie een partij uitsluitend is opgetreden in een bepaalde hoedanigheid, in dat geval als faillissementscurator, zij slechts in die hoedanigheid bevoegd is een rechtsmiddel aan te wenden tegen die uitspraak en zij die bevoegdheid verliest met het verlies van die hoedanigheid [32] . Dat is iets anders. De faillissementscurator kan dus niet na het verlies van die hoedanigheid in de procedure optreden als faillissementscurator. Hij kan evenmin optreden als ‘voormalig curator’ of in privé, omdat hij in vorige instanties niet in die hoedanigheid heeft geprocedeerd [33] .
dat een procespartij noch door wijziging van eis, noch anderszins, in hoger beroep of cassatie als procespartij in een andere hoedanigheid kan optreden dan die waarin hij zijn vordering in eerste aanleg heeft ingesteld” [38] . Een procespartij die haar vordering in eerste aanleg uitsluitend voor zichzelf heeft ingesteld, kan dus niet door eiswijziging op grond van art. 130 Rv Pro verder procederen als formele procespartij. Ook het omgekeerde geldt: een procespartij die haar vordering in eerste aanleg uitsluitend als formele procespartij heeft ingesteld, kan niet door eiswijziging als materiële procespartij verder procederen. De ratio hiervan is dat het
materiële gedingniet mag wijzigen door de verandering in hoedanigheid of het later bekend worden daarvan [39] .
onderdeel IIklaagt [eiseres] dat het hofoordeel dat [eiseres] door de handelswijze van Cage op geen enkele wijze in haar processuele belangen is geschaad, ontoereikend is gemotiveerd, nu [eiseres] wel degelijk heeft gewezen op een aan deze wijze van procederen verbonden nadeel [42] . [eiseres] heeft gesteld dat zij processueel nadeel ondervindt, nu zij daarmee werd afgehouden van de mogelijkheid om een vordering in reconventie in te stellen tegen Cage in eerste aanleg. [eiseres] heeft aangevoerd dat de lastgevingsconstructie zou zijn opgetuigd door Cage om tegenclaims en/of verhaal van crediteuren te omzeilen. Het hof is hier volgens [eiseres] niet op ingegaan en heeft verzuimd om hierop te responderen en heeft niet duidelijk gemaakt waarom [eiseres] niet in enig processueel belang zou zijn geschaad.
in hoedanigheid, omdat art. 136 Rv Pro dat als hoofdregel mogelijk maakt. Het zou volgens de uitzondering in art. 136 Rv Pro (“tenzij de eiser in reconventie is opgetreden in hoedanigheid en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd”)
nietmogelijk zijn geweest om een eis in reconventie in te stellen tegen [de advocatenpraktijk]
pro se, dus buiten haar hoedanigheid als lasthebber van Cage, maar tegen [de advocatenpraktijk] in die hoedanigheid van lasthebber volgens de hoofdregel wel [43] . Een reconventionele vordering kan slechts worden ingesteld tegen een processuele wederpartij volgens het in de laatste voetnoot bedoelde arrest. De ratio van deze bepaling omschrijft Heemskerk [44] als volgt: “De gedaagde, die een eis in reconventie instelt tegen eiser persoonlijk, terwijl eiser in conventie slechts in een hoedanigheid procedeert, haalt daardoor een nieuwe formele procespartij in het geding, richt zijn eis niet tegen de eiser in conventie, maar tegen een derde ie nog geen procespartij was.” Het hofoordeel dat geen sprake is processueel nadeel is dan ook voldoende begrijpelijk. Onderdeel II loopt hierop spaak.
onderdeel IIIklaagt voorwaardelijk, namelijk voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat het hof oordeelt dat de lastgevingsovereenkomst is beëindigd, art. 149 lid 1 Rv Pro is miskend. Tegenover de gemotiveerde stelling van [eiseres] dat de lastgevingsovereenkomst niet is beëindigd, heeft Cage volgens [eiseres] vrijwel geen verweer gevoerd en had het op haar weg gelegen om bescheiden in het geding te brengen, zodat het hof als vaststaand had moeten aannemen dat de lastgevingsovereenkomst niet is beëindigd. Het oordeel van het hof is daarmee onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.
onderdeel IVgeeft [eiseres] alleen het oordeel van het hof in rov. 2.5 betreffende de beëindiging van de lastgevingsovereenkomst weer en daarin is geen zelfstandige klacht te lezen die bespreking behoeft.
onderdeel V en VIbetoogt [eiseres], kort samengevat, dat het hof haar beroep op art. 7:423 lid 1 BW Pro onbehandeld heeft gelaten en dat het hof uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft geoordeeld dat niet van belang is of er sprake is van een privatieve last als bedoeld in art. 7:423 lid 1 BW Pro, omdat dat eraan in de weg staat dat de lastgever zelf een rechtsmiddel aanwendt.
kunnen overeenkomendat de lasthebber een aan de lastgever toekomend recht
in eigen naamen met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen. Daargelaten of deze bepaling ook betrekking zou moeten hebben op het geval in onze zaak waarin sprake is van een volmacht [47] , heeft [eiseres] niet aangegeven waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een afspraak tussen Cage en [de advocatenpraktijk] dat aan [de advocatenpraktijk] een exclusieve bevoegdheid toekomt zoals bedoeld in art. 7:423 lid 1 BW Pro. Uit de door het hof in rov. 2.1 weergegeven bepalingen van de lastgevingsovereenkomst blijkt dit in ieder geval niet. Aldus is niet voldoende gesubstantieerd op grond waarvan een privatieve last is overeengekomen, zodat het hof hieraan voorbij kon gaan. In de spreekaantekeningen zijdens [eiseres] in hoger beroep staat alleen de
blote stellingdat “Cage nu juist in de lastgevingsovereenkomst – met uitsluiting van zichzelf – de procesbevoegdheid heeft afgestaan aan [[de advocatenpraktijk]]”. Na de woorden “met uitsluiting van zichzelf” is in voetnoot 6 alleen verwezen naar art. 7:423 lid 1 BW Pro, zonder dat verder duidelijk wordt gemaakt waaruit de privatieve last zou moeten volgen [48] . Dat kon hier wel van [eiseres] worden verlangd, nu zij zich op een uitzondering beroept van de hoofdregel dat lastgeving niet privatief werkt. Ook in de overige door [eiseres] genoemde vindplaatsen heeft [eiseres] geen inhoudelijk steekhoudend beroep gedaan op de privatieve last die bij wijze van uitzondering is geregeld in art. 7:423 lid 1 BW Pro [49] . Ook uit het p-v in hoger beroep of uit de aan het hof in reactie op het p-v gestuurde e-mail zoals geciteerd in 2.21 van de s.t. volgt niet dat [eiseres] ter zitting een voldoende onderbouwd beroep heeft gedaan op de privatieve werking van de last [50] . Van passage van essentiële stellingen of onbegrijpelijkheid is daarmee dan ook geen sprake. De onderdelen V en VI gaan niet op.
onderdeel VIIklaagt [eiseres] voorwaardelijk dat voor zover rov. 2.5 aldus moet worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat de lastgevingsovereenkomst is beëindigd en de procesvolmacht is herroepen, dit oordeel onjuist of ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof dan voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen van [eiseres] over de beëindiging van de overeenkomst. [eiseres] noemt onder a-e stellingen die er kort samengevat op neerkomen dat:
no cure no pay-afspraak betreft [55] .