ECLI:NL:PHR:2023:1024

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
23/01063
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:677 BWArt. 7:699 lid 3 BWArt. 152 RvArt. 161 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens ongewenst gedrag buiten werktijd

De zaak betreft het ontslag op staande voet van een werknemer die met ontbloot onderlichaam in een bedrijfsbusje zat en een passerende vrouw vroeg zijn geslachtsdeel aan te raken. Zowel kantonrechter als hof oordeelden dat het ontslag rechtsgeldig was. De werknemer stelde in cassatie dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met het sepot van het Openbaar Ministerie wegens onvoldoende bewijs voor strafvervolging.

De Hoge Raad overweegt dat het sepot in strafrechtelijke zin niet automatisch betekent dat het feitencomplex niet in civielrechtelijke zin kan worden vastgesteld. De bewijsstandaarden verschillen immers, en in het civiele procesrecht geldt de vrije bewijsleer. Het hof heeft het bewijs van het voorval voldoende gemotiveerd aangenomen, ondanks het sepot.

Verder is geoordeeld dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is omdat het incident plaatsvond met een als zodanig herkenbare bedrijfsauto op de openbare weg, waardoor de goede naam van de werkgever werd aangetast. Ook het feit dat het voorval buiten werktijd plaatsvond, sluit een dringende reden niet uit. De Hoge Raad wijst ook het argument af dat het bedrijfsreglement minder ingrijpende maatregelen voorschrijft, omdat de werkgever in beginsel mag kiezen voor ontslag op staande voet bij ernstige gedragingen.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het oordeel van het hof dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wordt als rechtsgeldig bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01063
Zitting20 oktober 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
tegen
[verweerster] B.V.,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
[verzoeker]respectievelijk
[verweerster].

1.Inleiding en samenvatting

1.1
[verzoeker] is door [verweerster] op staande voet ontslagen omdat hij, met ontbloot onderlichaam gezeten in een bestelbusje van zijn werkgever, een passerende vrouw zou hebben gevraagd zijn geslachtsdeel aan te raken. Het hof heeft, evenals de kantonrechter, het gegeven ontslag rechtsgeldig geacht. [verzoeker] komt in cassatie tegen dat oordeel op, onder meer met de klacht dat het hof onvoldoende in ogenschouw zou hebben genomen dat het openbaar ministerie het standpunt heeft ingenomen dat er onvoldoende bewijs is om [verzoeker] strafrechtelijk te vervolgen.
1.2
Ik meen dat het middel geen doel treft.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
2.2
[verzoeker] is sinds 1 november 2018 bij [verweerster] in dienst in de functie van ‘medewerker gemechaniseerd loonwerk’ tegen een salaris van laatstelijk € 2.655,70 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. [verzoeker] bestuurt grondverzetmachines.
2.3
Art. 30 van Pro het bedrijfsreglement van [verweerster] [2] luidt als volgt:
"Het is te allen tijde verboden om zich mondeling dan wel fysiek te uiten ten opzichte van collega's en derden in ongewenst gedrag, geweld, discriminatie en ongewenste intimiteiten. Dergelijk ongewenst gedrag zal worden bestraft. Hierbij moet gedacht worden aan een tijdelijke schorsing gevolgd door een gesprek met de directie. Bij herhaling behoudt de werkgever zich het recht voor de werknemer te ontslaan. In ernstige gevallen is ontslag op staande voet een direct gevolg."
2.4
Op donderdag 4 maart 2021 heeft [verzoeker] na afloop van zijn werkzaamheden op weg naar huis met het door [verweerster] aan hem ter beschikking gestelde busje rondgereden in [plaats] . Hij heeft enige tijd stilgestaan aan de [a-straat] aldaar.
2.5
Die zelfde dag aan het eind van de middag heeft een in [plaats] woonachtige vrouw (hierna:
de vrouw) telefonisch contact opgenomen met [verweerster] en gesproken met [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). De vrouw heeft daarbij verslag gedaan van een voorval dat haar die middag rond 16.00 uur was overkomen.
2.6
In een proces-verbaal van aangifte [3] van 15 maart 2021 is onder meer het volgende opgenomen:
"Op donderdagmiddag 4 maart 2021, omstreeks 16.00 uur, liep ik op de openbare weg de [a-straat] te [plaats] ter hoogte van een daar gelegen parkeerterrein. Ik liep op het trottoir en was onderweg naar huis. Ik liep op dat moment op een afstand hoeveel ?? van de nabijgelegen parkeerplaats. Ik zag dat er een kleine witte bestelauto met benaming: " [verweerster] " stil stond in de buurt van een parkeervak. Ik zag dat deze bestelbus niet geparkeerd stond in een parkeervak. Ik zag dat het raam aan de bestuurderszijde openstond. Ik zag een jonge manspersoon in de auto zitten aan de bestuurderszijde. Ik hoorde dat de jonge man vanuit de bestelauto tegen mij sprak. Omdat ik op een afstand langsliep kon ik de man niet verstaan. Ik ben naar de auto van de jonge man gelopen. Ik stond op dat moment als het ware naast de auto van de jonge man die in de auto zat. Ik zag dat de jonge man een ontbloot onderlichaam had. Ik hoorde dat de jonge man tegen mij zei: "dag lieverd, wil je mijn piemel vasthouden". Ik zag dat de jongeman zijn stijve geslachtsdeel had. Ik zag dat de jongeman zijn geslachtsdeel in één van zijn handen vasthield. Ik schrok enorm hiervan en had niet verwacht dit te zien. Ik zei tegen de jongeman: "nee joh ga jij maar naar je werk". Ik ben vervolgens weggelopen en hoorde dat de jongeman nog riep: "waar ga je naartoe?" Ik antwoordde de jongeman: “ik ga naar huis". Ik ben vervolgens met een snelle pas in de richting van mijn huis gelopen en hoopte niet dat de jongeman zou zien waar ik naartoe liep. Ik heb nog omgekeken om te kijken of de jongeman zou wegrijden. Ik zag vervolgens dat de jongeman zijn auto omkeerde en wegreed in tegengestelde richting waarheen??."
2.7
[verweerster] heeft [verzoeker] die zelfde dag verzocht om op de volgende ochtend naar de zaak te komen.
2.8
[verzoeker] heeft zich op 5 maart 2021 rond 06.30 uur daar gemeld.
2.9
[verzoeker] heeft daarbij onder meer met de algemeen directeur, [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), gesproken. Daarbij heeft een schermutseling tussen beiden plaatsgevonden. Kort daarna hebben [betrokkene 1] en de direct leidinggevende van [verzoeker] , [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) zich bij hem en [betrokkene 2] gevoegd. Na korte tijd is [verzoeker] vertrokken en naar huis gebracht.
2.1
[verzoeker] heeft direct daarna, om 06.51 uur, aan [betrokkene 3] een WhatsApp-bericht [4] gestuurd met de navolgende inhoud:
"Gezien de situatie van zojuist heb ik iets vertrekt in mijn rug. Ik ben ziek. Gezien het verleden schat ik in dat ik maandag nog niet voldoende hersteld ben om te kunnen werken. Ik houd je op de hoogte van herstel."
2.11
Op 5 maart 2021 om 07.00 uur heeft [verzoeker] een WhatsApp-bericht van [betrokkene 1] ontvangen met als bijlage een brief waarin hem ontslag op staande voet is aangezegd. De brief luidt onder meer als volgt: [5]
"Bij deze bevestigen wij dat wij getracht hebben een gesprek met u te voeren hedenochtend 5 maart 2021 over het voorval dat heeft plaatsgevonden gisteren aan het einde van de middag. Dit voorval — kort samengevat — was dat u vanuit de bedrijfsauto een vrouw heeft aangesproken, terwijl u met volledig ontbloot onderlichaam in de auto zat. Deze mevrouw heeft dit gezien. U heeft deze vrouw gevraagd aan uw geslachtsdeel te zitten. Deze mevrouw doet hiervan aangifte bij de politie of heeft dit reeds gedaan.
Uw handelwijze achten wij volledig in strijd met de binnen ons bedrijf geldende normen en regels. Ook bij eerdere gelegenheden, waarbij vanuit uw bedrijfsauto ongepast is geroepen naar jonge vrouwen, hebben wij u duidelijk gemaakt dat wij dergelijke gedragingen ernstig afkeuren.
Ditmaal bent u een grens over gegaan. Wij wilden u vanmorgen gelegenheid geven te reageren op dit voorval, echter was u hier niet toe in staat. Wij kunnen niet anders dan afgaan op de verklaring van deze mevrouw waarbij wij geen enkele reden hebben om te twijfelen aan haar verklaring.
Het voorval van gisterenmiddag vormt de directe aanleiding voor het ontslag op staande voet op grond. [6] Dat ontslag hebben wij u vandaag, 5 maart 2021 06.30 uur, onverwijld gegeven."
2.12
[verzoeker] heeft aangifte gedaan van een mishandeling door [betrokkene 2] op 5 maart 2021.

3.Procesverloop

3.1
[verzoeker] heeft bij inleidend verzoekschrift van 4 mei 2021 de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Gouda, (hierna:
de kantonrechter) verzocht, samengevat en voor zover in cassatie van belang, [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding.
3.2
[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend en daarbij voorts, subsidiair, als tegenverzoek verzocht de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 7:699 lid 3 BW Pro te ontbinden voor zover deze nog zou bestaan. [7]
3.3
In zijn tussenbeschikking van 27 juli 2021 heeft de kantonrechter, samengevat, geoordeeld dat het voorval op de [a-straat] op 4 maart 2021 (zoals omschreven in het proces-verbaal van aangifte van 15 maart 2021), indien dit komt vast te staan, een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De kantonrechter heeft voorlopig geoordeeld dat [verweerster] geslaagd was in het bewijs hiervan, en heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat de dringende reden voldoende duidelijk is omschreven en dat het ontslag onverwijld is gegeven en niet in strijd is met het opzegverbod bij ziekte. [8]
3.4
Op 5 november 2021 heeft [verzoeker] zichzelf en de vrouw als getuigen doen horen. [9]
3.5
Na afloop van het getuigenverhoor heeft [verzoeker] een conclusie na enquête genomen, waarop [verweerster] in een antwoordconclusie heeft gereageerd.
3.6
Bij eindbeschikking van 8 februari 2022 heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] afgewezen. [10] Naar het oordeel van de kantonrechter is [verzoeker] er niet in geslaagd om de voorshands bewezen stelling van [verweerster] in voldoende mate te ontzenuwen.
3.7
[verzoeker] is van de tussen- en eindbeschikking van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna:
het hof). [verzoeker] heeft, onder aanvoering van tien grieven, het hof verzocht de beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog zijn verzoeken toe te wijzen en de tegenverzoeken af te wijzen.
3.8
[verweerster] heeft het hof verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.
3.9
Bij beschikking van 20 september 2022 heeft het hof, voor zover thans van belang, de hiervoor genoemde beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd. [11]
3.1
Het hof gaat allereerst in op de stelling van [verzoeker] dat de dringende reden in de ontslagbrief niet duidelijk is omschreven. [verzoeker] stelt dat voor hem niet duidelijk is waarom hij is ontslagen omdat hij niet weet waar, hoe laat en welke vrouw hij onheus bejegend zou hebben (rov. 12). Het hof oordeelt dat de dringende reden uit de ontslagbrief duidelijk kenbaar is en verwerpt daarbij het argument dat het niet vermelden van de exacte locatie, tijdstip en identiteit van de vrouw de dringende reden onduidelijk maakt. De dringende reden is de dag na het voorval, en daarmee volgens het hof onverwijld, meegedeeld (rov. 13).
3.11
Het hof gaat vervolgens in op de grieven die [verzoeker] in hoger beroep heeft gericht tegen de bewijswaardering door de kantonrechter. Het hof overweegt allereerst in rov. 14 dat de vraag of [verweerster] in het bewijs is geslaagd in hoger beroep ten volle aan de orde komt en geeft in rov. (14 en) 15 de strekking van genoemde grieven weer.
3.12
Naar het oordeel van het hof is het bewijs van het voorval geleverd (rov. 16). Het hof overweegt daartoe, kort weergegeven, dat de vrouw steeds consequent hetzelfde en op authentieke wijze over het voorval heeft verklaard (rov. 17) en dat de verklaringen van de vrouw over het voorval overtuigend zijn. Het hof acht het verder niet aannemelijk dat de vrouw zich zou hebben vergist en de auto zou hebben verwisseld met een andere daar op hetzelfde moment aanwezige auto (rov. 18). Er is volgens het hof geen reden of aanwijzing om aan te nemen dat de vrouw enig belang had om in strijd met de waarheid te verklaren (rov. 19), en dat er verder ook niets is gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat de waarneming van de vrouw toen is beïnvloed door medische omstandigheden of door het gebruik van medicijnen, alcohol of drugs (rov. 20). Het hof gaat – op basis van eigen waarneming tijdens de mondelinge behandeling – ook niet mee in de stelling van [verzoeker] dat hij niet aan het door de vrouw gegeven signalement voldoet (rov. 21).
3.13
In rov. 22 en 23 overweegt het hof concluderend:
“22. Niet in geschil is dat [verzoeker] omstreeks 16.00 uur op 4 maart 2021 met de bedrijfsauto van [verweerster] in [plaats] is geweest, onder meer op of bij de [a-straat] . Voor de aanwezigheid van een andere persoon in een bedrijfsauto van [verweerster] bestaat geen aanwijzing. Er is ook geen aanwijzing dat de vrouw zich heeft vergist, in die zin dat het om een auto van een ander bedrijf gaat. [verzoeker] heeft op deze punten ook niets aangevoerd. De verklaring onder ede die [verzoeker] zelf heeft afgelegd, waarin hij ontkent dat hij de jongeman is geweest waarover de vrouw spreekt, acht het hof in het licht van het bovenstaande onvoldoende overtuigend. Dat geldt ook voor zijn verklaring dat hij zijn auto had geparkeerd op een andere plaats dan die de vrouw aanwijst, kennelijk om te betogen dat de vrouw hem helemaal niet gezien kan hebben. Als dit laatste juist zou zijn, dan zou dat betekenen dat de vrouw het hele voorval verzonnen zou hebben, wat het hof onaannemelijk voorkomt. Hiervoor is geen enkele aanwijzing, en het laat zich bovendien moeilijk rijmen met het feit dat de vrouw direct na het voorval [verweerster] heeft gebeld om het te melden.
23. Het kan zijn dat [verzoeker] de betreffende dag ook in [plaats] bezig is geweest met het voeren van karpers, met als doel deze te lokken voor het op een later tijdstip vangen van deze vissen. Maar dat sluit het plaatsvinden van bedoeld voorval niet uit en maakt het ook niet minder aannemelijk. Dit alles brengt mee dat ook het hof van oordeel is dat [verweerster] geslaagd is in het bewijs dat het door de vrouw geschetste voorval op 4 maart 2021 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De grieven die zich richten tegen de bewijswaardering worden daarmee verworpen.”
3.14
Vervolgens gaat het hof in op het betoog van [verzoeker] dat het voorval in de omstandigheden van het geval geen dringende reden voor ontslag vormt:
“24. Met
grief VIIIbetoogt [verzoeker] dat het voorval in de omstandigheden van het geval geen dringende reden voor ontslag vormt. Daarbij wijst hij er op dat het voorval buiten werktijd heeft plaatsgevonden en dat de goede naam van [verweerster] niet in het geding is. [verzoeker] voert met
grief IXaan dat hij ziek en arbeidsongeschikt was en – zo begrijpt het hof – deze omstandigheid aan het geven van ontslag op staande voet in de weg staat.
25. Ook deze grieven falen, omdat er sprake is van een dringende reden. Voor dit oordeel bestaan de volgende gronden, in onderlinge samenhang bezien.
25.1
Het is evident dat het voorval plaatsvond op de openbare weg met een (als zodanig kenbare) bedrijfsauto van [verweerster] . De naam van [verweerster] wordt dan in negatieve zin geassocieerd met het voorval. Gelet op de ernst van het voorval dat heeft plaats gevonden, en het grote en terechte belang van [verweerster] bij het behouden van haar goede naam, ontstond daarmee een ernstige situatie in de arbeidsrelatie tussen partijen.
25.2
Verder is van belang dat deze handelwijze van [verweerster] aansluit op art. 30 van Pro het bedrijfsreglement, waarin is bepaald dat dergelijk ongewenst gedrag in ernstige gevallen tot een ontslag op staande voet kan leiden. Naar het oordeel van het hof is sprake van een ernstig geval als bedoeld in het bedrijfsreglement.
25.3
[verzoeker] heeft nog gesuggereerd dat [verweerster] op zoek was naar een reden om hem te ontslaan omdat hij een grote mond zou hebben. [verweerster] heeft dit gemotiveerd weersproken en daarbij aangegeven een goed functionerende medewerker als [verzoeker] niet graag te ontslaan, waarbij het hebben van een grote mond in deze functie en branche juist een goede eigenschap is om te kunnen functioneren. [verzoeker] is daar niet op ingegaan. Het hof gaat daarom niet mee in deze suggestie.
25.4
Het hof ziet in de gestelde arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] geen reden om anders te oordelen over het ontslag op staande voet. [verweerster] heeft er op gewezen dat onduidelijk is of deze arbeidsongeschiktheid voortduurt en dat de arbeidsmarktperspectieven voor werknemers in de techniek – zoals [verzoeker] – goed zijn. Dit is door [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
3.15
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof van 20 december 2022 tijdig beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het middel bestaat uit vier onderdelen.
Onderdeel 1 – sepotbeslissing
4.2
Onderdeel 1 draait om de betekenis van de omstandigheid, waarop [verzoeker] zich heeft beroepen, dat de aangifte die de vrouw tegen hem heeft gedaan, heeft geleid tot een sepot.
4.3
Subonderdeel 1.1is gericht tegen de overwegingen van het hof in rov. 15.3 tot en met 27, en in het bijzonder de rov. 17.1-17.4, [12] en klaagt dat het hof ten onrechte bij de beoordeling van de zaak aan dit feit geen aandacht heeft besteed. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus het subonderdeel. Dat wijst er verder op dat het een technisch sepot betreft, waarbij het openbaar ministerie het standpunt heeft ingenomen dat er onvoldoende bewijs is om [verzoeker] op grond van de aangifte te vervolgen.
4.4
Subonderdeel 1.2stelt voorop dat het vaste rechtspraak is dat de bewijswaardering van getuigenverklaringen is voorbehouden aan de feitenrechter, als maar voldoende inzichtelijk is op grond van welke gedachtegang de rechter tot zijn keuze en tot zijn bewijsoordeel is gekomen. Het subonderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend door enerzijds in rov. 18 en 19 zich uit te laten over de aangenomen betrouwbaarheid van de getuigenis(sen) van de vrouw, maar anderzijds het oordeel van het openbaar ministerie om de strafzaak vanwege gebrek aan bewijs te seponeren geheel onbesproken te laten. Voor zover het hof geacht kan worden de sepotverklaring bij de beoordeling en bewijswaardering te hebben betrokken, is het hof daarbij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
4.5
[verzoeker] heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat de aangifte tegen hem is geseponeerd. Het hof heeft dat niet als vaststaand feit aangemerkt, maar heeft in rov. 15.2 alleen de stelling van [verzoeker] weergegeven. In cassatie moet veronderstellenderwijs – bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag [13] – van het vaststaan van dit feit worden uitgegaan. [14]
4.6
Bij de bespreking van het subonderdeel stel ik voorop dat de beslissing om een verdachte niet (verder) te vervolgen, het sepot, kan berusten op een beoordeling van de
haalbaarheidof van de
opportuniteitvan een vervolging (dan wel een combinatie van beide). [15] Wanneer een zaak wordt geseponeerd omdat vervolging niet haalbaar wordt geacht, wordt wel gesproken van een ‘technisch sepot’. De sepotbeslissing in deze zaak lijkt van deze categorie. In de brief waarin [verzoeker] wordt medegedeeld dat is besloten dat hij niet verder wordt vervolgd, staat immers dat er naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende bewijs is. [16]
4.7
Uit het sepot vallen mijns inziens echter geen conclusies te trekken ten aanzien van het bewijs dat de opzeggingsgrond zich heeft voorgedaan. De dringende reden die door de werkgever aan het ontslag ten grondslag wordt gelegd, is niet noodzakelijkerwijs steeds ook een strafrechtelijk feit. Als dat wel het geval is en de werkgever heeft bij de omschrijving van de opzeggingsgrond in de ontslagbrief ook een strafrechtelijke kwalificatie gebruikt (zoals bijvoorbeeld diefstal, valsheid in geschrifte etc.), dan betekent dat nog niet zonder meer dat in de civiele procedure ook alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving hoeven komen vast te staan en dus, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer, door de werkgever moeten worden bewezen. [17]
4.8
In het onderhavige geval zijn in de ontslagbrief geen strafrechtelijke begrippen gebruikt. De dringende reden is zeer feitelijk omschreven: “
Dit voorval (…) was dat u vanuit de bedrijfsauto een vrouw heeft aangesproken, terwijl u met volledig ontbloot onderlichaam in de auto zat. Deze vrouw heeft dit gezien. U heeft deze vrouw gevraagd aan uw geslachtsdeel te zitten.” Het is dit feitencomplex dat in deze procedure dient te komen vast te staan. Daarna is aan de orde de kwalificatievraag of sprake is van een dringende reden.
4.9
De gedragingen die aldus de grond vormen voor het ontslag op staande voet, zijn – zo maak ik op uit de kennisgeving van het sepot – indien te bewijzen (mogelijk) tevens strafrechtelijk te kwalificeren als schennis van de eerbaarheid (art. 239 WvSr Pro). [18] Het enkele feit dat [verzoeker] niet strafrechtelijk zal worden vervolgd, ook al is dat vanwege onvoldoende bewijs, maakt reeds gelet op het voorgaande niet dat in de civiele procedure het hiervoor bedoelde feitencomplex niet kan komen vast te staan. [19]
4.1
Daarbij acht ik ook van belang dat in civiele procedures de vrije bewijsleer geldt (art. 152 Rv Pro). Voor bewijs in het burgerlijk procesrecht is ook niet steeds vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden. [20] Het strafprocesrecht kent (daarentegen) een negatief-wettelijk bewijsstelsel (art. 338 Sv Pro), waarbij de rechter is gebonden aan limitatief in de wet opgesomde bewijsmiddelen en voor een bewezenverklaring voorts is vereist dat de rechter door de bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte het feit heeft begaan. Verder gelden in het strafprocesrecht bepaalde bewijsminima – waaronder dat het bewijs niet uitsluitend op één getuigenverklaring mag zijn gebaseerd (art. 342 lid 2 Sv Pro) – die het civiele procesrecht niet kent. [21]
4.11
Het hof heeft bij zijn oordeel in rov. 16-23 dat het bewijs van het voorval is geleverd inderdaad geen (kenbare) aandacht besteed aan het gestelde sepot, maar dat maakt gelet op het voorgaande nog niet dat zijn oordeel onjuist, onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Subonderdeel 1.1 faalt dan ook.
4.12
Hetzelfde geldt voor subonderdeel 1.2, dat feitelijke grondslag mist nu er niet van uit kan worden gegaan dat het hof de sepotverklaring bij de beoordeling en de bewijswaardering heeft betrokken.
Onderdeel 2 – dringende reden en rechtsgeldig ontslag op staande voet
4.13
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel in rov. 25 [22] dat sprake is van een dringende reden en de (impliciete) slotsom dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.14
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd het uitgangspunt van de kantonrechter dat de veronderstelde gedragingen van [verzoeker] een dringende reden voor ontslag opleveren, heeft overgenomen zonder de daartegen ingestelde grief VIII (kenbaar) bij de beoordeling te betrekken.
4.15
[verzoeker] heeft in hoger beroep met grief VIII betoogd dat het voorval in de omstandigheden van het geval geen dringende reden voor ontslag vormt. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het voorval buiten werktijd heeft plaatsgevonden en de goede naam van [verweerster] niet in het geding is. [23] Deze grief is als volgt toegelicht:
“81. Indien het voorval vast komt te staan dan heeft het voorval zich buiten werktijd voorgedaan. In dat geval moet door de handeling buiten werktijd de goede naam van [verweerster] als werkgever aangetast zijn. Dit laatste is niet het geval.
82. [De vrouw] wilde niet aangifte doen. [De vrouw] heeft in haar (…) aangifte van 15 maart 2021 en in haar aanvullende aangifte van 17 mei 2021 verklaard dat zij door [betrokkene 1] is overgehaald om aangifte te doen.
83. Voorts blijkt uit [betrokkene 1] verklaring dat [de vrouw] niet boos is op het bedrijf [verweerster] . De kantonrechter heeft in het licht van deze omstandigheden niet gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat de naam van [verweerster] kan worden aangetast. (…)”
4.16
Het hof heeft, anders dan het middel veronderstelt, in rov. 25.1 gemotiveerd op deze grief gerespondeerd en dus niet klakkeloos het oordeel van de kantonrechter over de dringende reden overgenomen. Het hof is kennelijk van oordeel dat ook als het voorval buiten werktijd heeft plaatsgevonden, de goede naam van [verweerster] in het geding is, omdat het voorval plaatsvond op de openbare weg met een als zodanig kenbare bedrijfsauto van [verweerster] . Subonderdeel 2.1 faalt.
4.17
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof heeft miskend dat in het bedrijfsreglement van [verweerster] ook disciplinaire sancties worden genoemd, met name een tijdelijke schorsing en ook ontslag, anders dan op staande voet. [verweerster] kon dus (overigens ook zonder uitdrukkelijke bepalingen in het bedrijfsreglement) ook disciplinaire sancties opleggen of een ontslagprocedure in gang zetten. Het subonderdeel acht het oordeel van het hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd omdat het hof, dat het bedrijfsreglement tot uitgangspunt heeft genomen ter beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet, dit niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
4.18
Allereerst merk ik op dat het middel niet verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waaruit blijkt dat [verzoeker] heeft gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat [verweerster] op grond van haar bedrijfsreglement of anderszins had kunnen (en in de gegeven omstandigheden had moeten) kiezen voor een voor de werknemer minder vergaande maatregel dan ontslag op staande voet. Voor zover dit niet reeds aan het slagen van de klacht in de weg moet staan, merk ik het volgende op.
4.19
Opzegging door de werkgever wegens dringende reden (ontslag op staande voet) is een ingrijpende maatregel met voor de werknemer verstrekkende gevolgen. De arbeidsovereenkomst wordt immers onmiddellijk beëindigd en een dringende reden leidt tot verwijtbare werkloosheid, waardoor doorgaans geen recht op een WW-uitkering bestaat en ook overigens geen aanspraak op enige vergoeding. Dit voor de werknemer ingrijpende karakter vertaalt zich in strenge eisen die aan (rechtsgeldigheid van) een ontslag op staande voet worden gesteld. [24] Dat de werkgever, op basis van het bedrijfsreglement of anderszins, ook andere (voor de werknemer minder bezwarende) middelen ten dienste staan om op bepaald ongewenst gedrag te reageren, neemt evenwel niet weg dat de werkgever in beginsel kan kiezen voor ontslag op staande voet in gevallen waarin aan die strenge eisen is voldaan.
4.2
Wel moeten bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden volgens vaste rechtspraak de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waarbij in de eerste plaats de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt in de beschouwing moeten worden betrokken, en verder onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. [25]
4.21
In dit geval blijkt uit rov. 25.1 en 25.2 dat het hof in de weging van de omstandigheden van het geval (de aard en) de ernst van de gedraging van [verzoeker] zwaar laten meewegen. Het hof heeft voorts in rov. 25.4 in de beoordeling betrokken dat de arbeidsmarktperspectieven voor werknemers in de techniek, zoals [verzoeker] , goed zijn. Het subonderdeel klaagt niet dat het hof in deze afweging bepaalde andere omstandigheden (zoals de duur van het dienstverband en persoonlijke omstandigheden van de werknemer) niet of onvoldoende heeft meegewogen. Op het vorengaande stuit de klacht van subonderdeel 2.2 af.
Onderdeel 3 – bewijs
4.22
Onderdeel 3klaagt kort gezegd dat het hof, met de kantonrechter, heeft miskend dat de processen-verbaal alsmede de door de vrouw bij de kantonrechter afgelegde verklaring waaruit het wangedrag van [verzoeker] zou blijken, alle dateren van ver ná het ontslag op staande voet. Op 5 maart 2021 was [verweerster] op de enkele basis van de telefonische melding van de vrouw en het gesprek met [verzoeker] niet, althans onvoldoende duidelijk gebleken dat sprake was van een ontslaggrond die ontslag op staande voet zou rechtvaardigen, aldus het onderdeel. Ook indien de veronderstelde feiten naderhand bewezen kunnen worden geacht en indien deze als zodanig een ontslag op staande voet zouden rechtvaardigen, heeft het hof volgens het onderdeel ook om deze reden ten onrechte dan wel onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd geoordeeld dat er in de onderhavige zaak sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet op 5 maart 2021.
4.23
Ik ga ervan uit dat het onderdeel is gericht tegen de slotsom (die het hof niet met zoveel woorden in de bestreden beschikking trekt) dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het onderdeel faalt dan, omdat het eraan voorbijziet dat voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet niet de eis geldt dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag vaststaat en dat het bewijs dat de dringende reden zich heeft voorgedaan, alsnog kan worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist. De werkgever is bij die bewijslevering niet beperkt tot de bewijsmiddelen waarover hij reeds ten tijde van het ontslag beschikte. [26]
Onderdeel 4 – voortbouwklacht
4.24
Onderdeel 4bevat een voortbouwklacht, die in het voetspoor van voorgaande klachten faalt.
4.25
Nu alle klachten falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 20 december 2022, rov. 5.1-5.11.
2.Door [verzoeker] in eerste aanleg overgelegd als productie 19.
3.Zie productie 3 bij het verweerschrift van [verweerster] in eerste aanleg.
4.Zie productie 7 bij het inleidend verzoekschrift.
5.Zie productie 8 bij het inleidend verzoekschrift.
6.Hier mist iets in het origineel van de ontslagbrief, A-G.
7.Bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de advocaat van [verzoeker] ten aanzien van het subsidiaire (ontbindings)verzoek opgemerkt dat [verweerster] daarbij geen belang heeft “
8.Zie rov. 7 van de bestreden beschikking. De tussenbeschikking van de kantonrechter is overigens niet op rechtspraak.nl gepubliceerd.
9.Uit het dossier blijkt niet dat in contra-enquête getuigen zijn gehoord. Uit het p-v van het getuigenverhoor van de vrouw blijkt dat zij op dat moment 76 jaar oud was.
12.Zie aldus voetnoot 6 van de procesinleiding in cassatie.
13.Zie o.m. A.E.H. van der Voort Maarschalk,
14.[verweerster] heeft deze stelling overigens ook niet betwist. Zij heeft kort gezegd betoogd dat het feit dat de aangifte is geseponeerd, niet relevant is voor de waardering van de feiten waarvoor [verzoeker] op staande voet is ontslagen en dat het sepot niets zegt over de bewijsbaarheid van de stellingen van de getuige; zie het verweerschrift in hoger beroep onder 48 en onder 68-70.
15.Zie o.m. G.J.M. Corstens,
16.De brief van het openbaar ministerie van 16 juni 2021 met de kennisgeving van het sepot is door [verzoeker] in eerste aanleg bij brief van 23 juni 2021 overgelegd als productie 17.
17.Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290,
18.Zie over (de bestanddelen van) deze delictsomschrijving o.m. A.J. Machielse, in:
19.Vgl. ook de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1101, rov. 3.3, waarin het hof kort gezegd overwoog dat de omstandigheid dat de werknemer door de strafrechter is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, niet eraan in de weg staat dat het door de werkgever gestelde en als diefstal aangeduide feitencomplex in de civielrechtelijke procedure komt vast te staan. Zie aldus ook A.R. Houweling, ‘Arbeidsrechtelijke aspecten en gevolgen van strafrecht: wat moet de strafrechter weten over de consequenties van zijn oordeel voor het arbeidsrecht?’,
20.Zie HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182,
21.Zie over het bewijs in het strafprocesrecht en het negatief-wettelijk bewijsstelsel uitgebreid G.J.M. Corstens,
22.Subonderdeel 2.1 verwijst ook naar rov. 7 en 24 van de bestreden beschikking, maar die rechtsoverwegingen betreffen een weergave van het hof van het oordeel van de kantonrechter in eerste aanleg onderscheidenlijk een grief van [verzoeker] . Een oordeel van het hof over het al dan niet aanwezig zijn van een dringende reden is daarin niet te ontwaren.
23.Zie aldus rov. 24 van de bestreden beschikking. Het middel klaagt niet over de uitleg door het hof van deze grief van [verzoeker] .
24.Zie o.m. Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/424-425 en D. Maats, Arbeidsovereenkomst, art. 7:677 BW Pro, aant. 3.1. Vgl. ook de conclusie van A-G van Peursem, ECLI:NL:PHR:2022:340 (onder 3.8) vóór HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1271,
25.Zie HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849,
26.Zie met zoveel woorden HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55,