Conclusie
1.Inleiding
- woensdag 20 maart 2019: 3 uur en 20 minuten;
- dinsdag 2 april: 3 uur en 13 minuten;
- woensdag 3 april: 2 uur;
- donderdag 4 april: 3,5 uur;
- vrijdag 5 april: 5,5 uur.
- Dit levert – nog los van de eventuele resultaten van een bewijslevering – over de periode van 14 maart 2019 tot en met 15 april 2019 een totaal aantal niet gewerkte uren op van circa 17,5. Dit is meer dan twee volle werkdagen. Het hof is van oordeel dat dit aantal niet gewerkte uren in een betrekkelijk korte periode dermate hoog is, dat dit een voldoende dringende reden oplevert voor het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet. [werknemer] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij altijd te boek stond als een loyale en hardwerkende werknemer, dat de verwijten van [werkgever] suggestief en onjuist waren (waaronder het verwijt dat hij onder werktijd prostituees zou hebben bezocht) en een grote impact hebben gehad op hem en zijn gezin, en dat hij door het volledig wegvallen van zijn inkomsten financiële problemen heeft. Ook heeft hij als gevolg van één en ander ernstige gezondheidsklachten gekregen, waardoor hij geen nieuw werk kan zoeken en vinden. Het hof is echter van oordeel dat deze persoonlijke omstandigheden van [werknemer] onvoldoende zwaarwegend zijn om te oordelen dat er in dit geval geen sprake was van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. Daarbij heeft het hof meegewogen dat het [werknemer] , zeker na de waarschuwing door [werkgever] in het gesprek van 25 september 2018 dat hij eerlijk moest zeggen waar hij was, duidelijk was, dan wel had moeten zijn, dat het structureel verzuimen van een substantieel aantal arbeidsuren niet door de beugel kon. [werknemer] heeft voor zijn verzuim geen enkele rechtvaardiging gegeven.
- (…)
3.Bespreking van de cassatieberoepen
eerste onderdeelbevat een rechtsklacht en komt op tegen rov. 5.16 in samenhang met rov. 2.2 en 5.4 van de tussenbeschikking. Geklaagd wordt dat het hof de strenge regels voor de mededelingseis heeft miskend door kennelijk te beslissen dat het de rechter vrij staat om daar waar in een schriftelijke ontslagbrief uitdrukkelijk als dringende reden is vermeld dat de werknemer wordt ontslagen wegens ongeoorloofd werkverzuim in één maandsperiode van “circa 40 uur (bijna een volledige werkweek)”, het ontslag rechtsgeldig te achten bij verzuim van nog niet eens de helft van dat bij ontslag als dringende reden opgegeven aantal, namelijk 17,5 uur. Daarbij heeft het hof beslist dat dit verzuim van 17,5 uur “als een voldoende dringende reden kwalificeert”, zonder daarbij vast te stellen of de werkgever heeft gesteld en aannemelijk gemaakt i) dat hij de werknemer ook zou hebben ontslagen als hij er bij het ontslag slechts van op de hoogte zou zijn geweest dat de werknemer in dat tijdvak van één maand maar 17,5 uur (nog niet eens de helft van het in de ontslagbrief genoemde aantal uren) had verzuimd en ii) dat dit de werknemer ten tijde van het ontslag ook onmiddellijk duidelijk is gemaakt. Dat klemt te meer bij een ontslag wegens ongeoorloofd verzuim, waar de kwalificatie “dringend” in belangrijke mate afhangt van de omvang van dit verzuim. Die omvang is hoofdzakelijk, althans in zeer belangrijke mate, bepalend voor de ernst van de gedraging, een kerngezichtspunt bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden (de aard en ernst van de gedraging van de werknemer). [4] Dus een ontslag wegens circa 40 uur (bijna een volledige werkweek) werkverzuim levert een daadwerkelijk andere dringende reden op dan ontslag wegens 17,5 uur werkverzuim. Werkgever moet bij ontslag wegens circa 40 uur ongeoorloofd werkverzuim dat verzuim in die omvang bewijzen in rechte, tenzij werkgever werknemer onmiddellijk duidelijk heeft gemaakt dat ontslag ook zou zijn gevolgd bij nog niet eens de helft van dat verzuim, omdat werknemer ook omtrent die geringere verzuimurengrond zijn standpunt moet kunnen bepalen, aldus nog steeds onderdeel 1.
aanstonds duidelijk iswelke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval. [19]
[…] /Buwa [21] zijn dat:
X/Meridiaan College [23] is ook geoordeeld over de vraag of een ontslag op staande voet rechtsgeldig is wanneer maar een deel van de dringende reden in rechte komt vast te staan. Het ging hier om een ontslagen leraar wegens ongewenste aanrakingen van leerlingen, die al eerder was gewaarschuwd dat dit gedrag niet werd getolereerd en waarvoor hem begeleiding was aangeboden. In de ontslagbrief werden gedragingen jegens vier leerlingen genoemd, maar de rechter had dat maar van twee van de vier in de ontslagbrief genoemde leerlingen vastgesteld. Het hof vond dit voldoende bij toetsing van de mededelingseis en de daartegen gerichte cassatieklacht werd verworpen. In rov. 3.4.2 wordt verwezen naar
[…] /Buwa, waar het principaal cassatieberoep in onze zaak met name op inzoomt. Waar het volgens
X/Meridiaan College in gevallen als dezeop aankomt is of voor de werknemer onmiddellijk duidelijk was dat werkgever hem ook zou hebben ontslagen indien hij, anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende, daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden geen twijfel kan hebben bestaan (de norm uit
[…] /Buwa,waar rov. 3.4.2 naar verwijst). Dat was volgens Uw Raad hier niet miskend door het hof met diens oordeel dat het de werknemer, in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de voorgeschiedenis, duidelijk moet zijn geweest dat de dringende reden werd gevormd door klachten van leerlingen over ongewenste aanrakingen. Daarin lag volgens Uw Raad besloten dat er bij de werknemer redelijkerwijs geen twijfel kan hebben bestaan dat hij ook op staande voet zou zijn ontslagen indien slechts een deel van de in die aanzegging weergegeven klachten zou zijn komen vast te staan. Dat lijkt mij een voor onze zaak belangrijke nuancering op
Atak-Arp/Buwain een type casus waarin – net als in onze zaak [24] - eerder is gewaarschuwd door de werkgever over soortgelijk in de ontslagbrief verweten gedrag, later zich dat gedrag toch weer voordoet en er vervolgens maar een deel van de feiten uit de ontslagbrief wordt bewezen (in de casus van het arrest: geen vier, maar twee leerlingen, in onze zaak: geen ca. 40, maar 17,5 ongeoorloofd verzuimde uren). Dan kan eerder worden aangenomen dat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn geweest dat hij ook op staande voet zou zijn ontslagen als maar een deel van het betreffende type feiten uit de ontslagbrief in rechte komt vast te staan.
een aanzienlijk aantal uren [te] verzuimenen het bewust onjuist invullen van een urenverantwoording.” [25] (Cursivering toegevoegd A-G). In het appelschrift zijdens [werknemer] onder 47 is expliciet verzocht “(…) het hiervoor gestelde en met name ook hetgeen is gesteld [in] eerste aanleg als hier volledig herhaald en ingelast te beschouwen.” [26]
sec, terwijl sprake is van een drieledige reden die in onderlinge samenhang moet worden bezien, althans een hoofdreden met uitwerking. Dat maakt dat het hof in dit geval kon oordelen dat aan de eisen uit
[…] /Buwais voldaan. De klacht in het eerste onderdeel dat de beslissing van het hof zich niet verdraagt met de strenge eisen inzake de mededelingseis, door te beslissen dat het de rechter vrij staat het ontslag rechtsgeldig te achten bij een ongeoorloofd verzuim van 17,5 uur terwijl in de ontslagbrief circa 40 uren in de periode van ongeveer een maand staat vermeld, gaat volgens mij niet op. Dit geldt ook voor de klacht dat het hof de voor de mededeling van de dringende reden geldende eisen heeft miskend, omdat de
omvangvan het verzuim van belang is voor de vraag of het verzuim als dringende reden kwalificeert. Ontslag wegens “circa 40 uur” werkverzuim zou een andere dringende reden opleveren dan ontslag wegens 17,5 uur werkverzuim. Dat gaat uit van een verenging van de meegedeelde dringende reden die geen recht doet aan de feiten in deze zaak.
[…] /Buwa(dat het werknemer duidelijk moet zijn geweest dat ook bij het mindere op staande voet zou zijn ontslagen) lijkt te zijn genuanceerd in
X/Meridiaan Collegein althans dit type zaken (vgl. hiervoor in 3.12) en in de slipstream daarvan ook eis 2 uit eerstgenoemd arrest (dat werkgever moet stellen en ook aannemelijk is dat ook bij het mindere ontslag op staande voet zou zijn gevolgd). Immers als het gelet op de inhoud van de ontslagmededeling en op grond van de omstandigheden voor de werknemer (eerder gewaarschuwd lijkt mij een belangrijke omstandigheid) duidelijk moet zijn geweest dat hij ook zou zijn ontslagen bij mededeling van het mindere (ca. 17,5 i.p.v. ca. 40 uur ongeoorloofd verzuim), dan is kennelijk ook door de werkgever aannemelijk gemaakt dat dat ontslag op staande voet ook dan zou zijn gevolgd. Dit is mogelijk wel het enige ‘zwakke punt’ dat in de bestreden tussenbeschikking is te ontwaren, maar de daarop gerichte klacht uit onderdeel 1 behoort hier volgens mij gelet op de omstandigheden van onze zaak niet te slagen in het licht van de leer uit
X/Meridiaan College. Misschien is eis 2 uit
[…] /Buwavoor dit type casus wel niet meer zo van belang. Ik plaats daar nog de volgende kanttekeningen bij.
[…] /Buwa(dat het werknemer
duidelijk moet zijn geweestdat ook bij het mindere op staande voet zou zijn ontslagen) wil oprekken door te verlangen dat het in plaats daarvan erom zou moeten gaan “dat zulks de werknemer ten tijde van het ontslag ook onmiddellijk
duidelijk is gemaakt”. In dezelfde (onjuiste) zin zijn toelichting in de procesinleiding in cassatie op p. 14 onder (f): “duidelijk wordt gemaakt” in plaats van “duidelijk moet zijn geweest” en weer op diezelfde p. 14 onder (g) onder het eerste (ii) en p. 16 onder (i). Dat lijkt mij een hogere lat die niet uit de rechtspraak volgt en dat zou ook te ver gaan, omdat dan praktisch gesproken niet vaak aan eis 3 zal zijn voldaan. Een dergelijke eis geldt al helemaal niet in het licht van meerbedoelde nuancering uit
X/Meridiaan College.
Bakermans/Straalserviceuit 1993, zonder de hiervoor besproken nuances te verdisconteren die daarop zijn aangebracht in
[…] /Buwaen
X/Meridiaan Collegeen daar stuit deze rechtsklacht al op af. Het hof heeft volgens mij niet de materiële eisen miskend van het mededelingsvereiste van de dringende reden door te oordelen dat [werknemer] de ontslagbrief redelijkerwijs niet anders heeft kunnen begrijpen dan als door het hof aangegeven. Dat volgt uit de bespreking van onderdeel 1.
zo er een nieuwe afweging plaats dient te vinden of er überhaupt sprake is van een dringende reden, het hof dan ook de in rov. 5.9 van de tussenbeschikking verworpen, geïsoleerd beoordeelde en vervolgens irrelevant bevonden omstandigheden
alsnog voor de beoordeling van de dringende reden dient mee te wegen. Het onderdeel valt uiteen in de subonderdelen I (met subklachten a t/m h) tot en met VI (met in subonderdeel V de subklachten a t/m c).
subklachten c, e, f en gbevatten in feite een herhaling van zetten uit subklacht a, zodat die geen afzonderlijke bespreking behoeven.
subklacht dis miskend dat door [werkgever] bewijs is aangeboden van de in subklacht b genoemde stelling, zodat het hof, indien het de betwisting door [werknemer] als voldoende zou hebben aangemerkt, [werkgever] had moeten toelaten tot het bewijs van deze stelling. Deze stelling kan immers bijdragen aan de vraag of sprake is van een dringende reden.
subklacht hheeft het hof miskend dat aan de hand van het Haviltexcriterium moet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, het [werknemer] is toegestaan zulks (kennelijk is bedoeld: het op eigen initiatief allerlei (potentiële) klanten en adressen afgaan) te doen. Verder heeft het hof miskend dat de vraag of [werknemer] zijn werktijden zelf mag invullen een vraag van uitleg is, en dat de uitkomst daarvan (mede) bepalend is of kan zijn of bepaalde door [werknemer] opgegeven uren als ‘werk’ voor [werkgever] kunnen en mogen worden beschouwd.
niet voldoende is voor het aannemen van een dringende redendie het ontslag op staande voet rechtvaardigt;
brengt dit niet mee dat op basis van dit enkele feit sprake is van een dringende redenvoor een ontslag op staande voet;
onvoldoende grond voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De verwijzing door [werkgever] naar het gesprek van 25 september 2018 waarin [werknemer] erop is gewezen dat hij eerlijk moest zijn over eventuele privé verplichtingen tijdens werktijd, kan niet als zo’n verzoek of instructie worden aangemerkt. (Cursivering A-G)
Subonderdeel Iklaagt dat het hof hiermee ten onrechte voorbij gaat, althans onbesproken laat dat [werkgever] in hoger beroep gemotiveerd heeft gesteld [32] dat die administratieve werkzaamheden niets voorstelden.
subklacht i.wordt gesteld dat het hof eraan voorbij gaat dat [werkgever] ook gesteld heeft dat (1) [betrokkene 1] in de bewuste periode niet meer in dienst was [33] en (2) dat zijn opvolger, [betrokkene 2] , in de periode januari tot april 2019 niets aan hem heeft uitbetaald. [34] Daarvan is getuigenbewijs aangeboden in eerste aanleg, hetgeen in het kader van de devolutieve werking van het appel in hoger beroep opnieuw door het hof had moeten worden meegewogen. [35]
subklacht ii.wordt geklaagd dat het hof de stelling onbesproken laat dat [werknemer] over de aankoop bij de bouwmarkten wisselende verklaringen heeft afgelegd, zoals blijkt uit p. 9-10 nr 33 onder c en d van het verweerschrift in appel. Het behoort tot het domein van [werknemer] precies aan te geven wat hij heeft gekocht. Het slagen van één of meer van de vorige klachten tast ook rov. 5.14 tot en met 5.16 van de tussenbeschikking en het dictum daarvan aan.