Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Waar het in deze zaak over gaat
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Een proces-verbaal aangifte(…).
[betrokkene 1]:
2.Een proces-verbaal aangifte(…).
[slachtoffer 2]:
3.Een geschrift, te weten een Details afschrijving Rabo Bankieren (…).
4.Een proces-verbaal aangifte (…).
[slachtoffer 3]:
5.Een proces-verbaal van bevindingen (…).
mededeling van verbalisant:
6.Een proces-verbaal van verhoor verdachte (…)
verdachte:
4.Het verweer en de beslissing van het hof hierop
5.Het namens de verdachte voorgestelde middel
verhullen van de werkelijke aard en de vervreemdingvan de naar haar bankrekening overgemaakte gelden en het
verhullen wie de rechthebbendeop dat geld is. Dat oordeel is, zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk, aldus de steller van het middel.
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van
degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft." [5]
van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken." [6]
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult”, of (2) “
verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf”.
herkomstheeft en dat het niet anders kan dan dat de verdachte dat wist, temeer nu de verdachte heeft verklaard dat de rekening nodig was om geld door te sluizen”. De term ‘herkomst’ is hier wat ongelukkig gekozen nu dit één van de feitelijkheden betreft uit art. 420bis lid 1 onder a die niet is bewezen verklaard in onderhavige zaak. In zoverre vind ik de motivering van het hof niet zonder meer begrijpelijk: de ‘herkomst’ van een voorwerp verhullen heeft betrekking heeft op het gronddelict waaruit dat voorwerp afkomstig is, terwijl het bij het verhullen van de (bewezenverklaarde) ‘werkelijke aard’ en de ‘vervreemding’ gaat om handelingen die ten aanzien van het voorwerp worden verricht. [19]
aangeversrechthebbende op het geld zijn. Wat dat betreft hebben de steller van het middel ook een punt. De verdachte heeft een bankrekening geopend terwijl zij wist dat deze zou worden gebruikt om geld op te laten storten en dat dit geld vervolgens zou worden opgenomen door de personen aan wie zij het (enige) bankpasje had overgedragen. Door het (enige) bankpasje over te dragen aan anderen heeft zij de beschikkingsmacht over de bankrekening en de daarop gestorte geldbedragen overgedragen aan anderen en daarmee verhuld wie die anderen, de rechthebbenden (te kwader trouw) zijn op de door de aangevers gestorte gelden. [20] Ik meen echter dat met de schrapping van de tussen haakjes opgenomen zinsnede waarin de namen van de aangevers staan vermeld en die volgt op “wie de rechthebbende op dat geld was’ geen afbreuk doet aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde die er in de kern op neer komt dat de verdachte door haar handelen criminele opbrengsten aan het zicht van justitie heeft onttrokken (terwijl in dit verband niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling).
6.Het namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] voorgestelde middel
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Vaste prijsafspraak rechtsbijstand benadeelde partij in de strafzaak tegen [verdachte] /OM, hoger beroep Hof Amsterdam. Hierbij verzoek ik u om de nota van Euro 500,00 + Euro 105,00 BTW = Euro 605,00 binnen 14 dagen over te maken op bankrekeningnummer (…) t.n.v. Alex P. Stipdonk, advocaat te Leiden (…)”. [24]