Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van ongeveer €283.879,-. Deze gelden waren afkomstig uit het eigen misdrijf van verdachte en werden via vervalste vrijwaringsaktes op bankrekeningen van een derde, [betrokkene 3], gestort die feitelijk aan verdachte ter beschikking stonden.
Het hof stelde vast dat verdachte [betrokkene 3] had overgehaald zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat verdachte de bankpassen en inlogcodes van deze rekening had verkregen en dat verdachte via verschillende IP-adressen banktransacties en overboekingen verrichtte. Tevens werd een aanzienlijk deel van het geld contant opgenomen en aan verdachte overhandigd.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht oordeelde dat verdachte niet alleen het geld verwierf en voorhanden had, maar dat zijn gedragingen ook gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het cassatiemiddel dat dit oordeel zou berusten op een onjuiste rechtsopvatting wordt verworpen. Het beroep wordt afgewezen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van witwassen met een geldbedrag van ongeveer €283.879,- afkomstig uit eigen misdrijf.