Conclusie
Nummer23/00824
Conclusie omtrent strafmaat:
gezien de paniek situatie van cliënt ontstaan door reeds eerder bedreigende uitingen van de wederpartij, van 9 jaar excessief en acht, gezien de jurisprudentie, een straf van maximaal 6 jaren passender.”
NJ2012/254 was van die ondubbelzinnigheid op zichzelf wel sprake, want aangevoerd was: “Indien geen vrijspraak volgt, dan dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.” Het hof was echter niet gehouden op dit verweer te reageren, nu het aangevoerde niet inhield op welke grond de redelijke termijn was overschreden. Achterhaling van die grond was in die zaak problematisch, omdat ook uit de desbetreffende processtukken, voor zover zich dat in cassatie liet nagaan, niet naar voren kwam waarin de gestelde overschrijding van de redelijke termijn was gelegen. [7] Recentelijk heeft mijn ambtgenoot Spronken aan de hand van een analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad uiteengezet in welke gevallen het gevoerde verweer dat de redelijke termijn is geschonden, voldoende dan wel onvoldoende was om te gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359, tweede lid, Sv waarop de rechter dient te beslissen. Mijn ambtgenoot komt tot de volgende bevindingen (met weglating van voetnoten):