Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
[F]
Het proces-verbaal van ambtshandeling, opgenomen in het zaakdossier Witwassen [verdachte] , […] voor zover dit inhoudt als relaas van bevindingen:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens onder meer witwassen door middel van een fictief dienstverband en het voorhanden hebben van contant geld en meubels afkomstig uit misdrijf.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op een omvangrijk bewijsdossier, waaronder loonstroken, tapgesprekken, getuigenverklaringen en inbeslaggenomen contant geld en meubels. Het hof concludeerde dat verdachte via een fictief dienstverband met een werkgever contant geld heeft omgezet in legale inkomsten, waarbij werd aangenomen dat verdachte 130% van zijn brutoloon in contanten aan de fictieve werkgever heeft betaald.
De advocaat-generaal stelde in cassatie dat deze veronderstelling onvoldoende is gemotiveerd en niet blijkt uit het dossier dat verdachte daadwerkelijk contante betalingen aan de werkgever heeft gedaan. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft onderbouwd waarom het uitgaat van deze 130%-regel als feit van algemene bekendheid en dat het ontbreken van bewijs voor contante betalingen aan de werkgever een bewijsgat vormt.
Desondanks leidt dit gebrek aan bewijs niet tot cassatie wegens gebrek aan belang, omdat uit het dossier wel blijkt dat verdachte een fictief dienstverband had en contant loon ontving dat uit criminele activiteiten afkomstig was. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De rest van het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.