ECLI:NL:PHR:2023:1134
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling poging tot moord met bijl ondanks afwijzing getuigenverzoek en motiveringsvragen
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met een bijl op zijn ex-vrouw. In cassatie werden vier middelen aangevoerd, waaronder de afwijzing van een getuigenverzoek, de bewezenverklaring van voorbedachte raad, de strafoplegging en de beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen.
Het eerste middel betrof het verzoek om een advocate als getuige te horen over de jarenlange vechtscheiding en de impact daarvan op de verdachte. Het hof had dit verzoek afgewezen omdat het dossier en de zitting al voldoende inzicht boden en de informatie van de getuige gedateerd was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verzoek terecht heeft afgewezen op basis van het criterium van het verdedigingsbelang en dat de afwijzing voldoende was gemotiveerd.
Het tweede middel betrof de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Het hof had uitgebreid gemotiveerd dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid had om zich te beraden, onder meer door het meenemen van een bijl, het plannen van de locatie en het tijdstip van de aanval, en het gebruik van gezichtsbedekking. Contra-indicaties zoals hevige gemoedsbeweging of geestesstoornis werden door het hof verworpen. De Hoge Raad vond de motivering toereikend en begrijpelijk.
Het derde middel betrof de strafoplegging. Het hof had een gevangenisstraf van twaalf jaar opgelegd, waarbij het rekening hield met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoon van verdachte. Het hof zag geen strafverminderende omstandigheden in de vechtscheiding, emoties, of de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het niet volgde op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.
Het vierde middel betrof de beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen. Het hof verklaarde de bijl verbeurd en gelastte teruggave van overige voorwerpen aan de rechthebbende, zonder nader aan te geven wie dat is. De Hoge Raad stelde dat het hof beter had kunnen besluiten tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende, maar dat dit geen reden tot vernietiging gaf. Alle middelen faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte raad blijft in stand.