ECLI:NL:PHR:2023:1134

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
23/00018
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 287 lid 1 SvArt. 287 lid 2 SvArt. 288 lid 1 SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling poging tot moord met bijl ondanks afwijzing getuigenverzoek en motiveringsvragen

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met een bijl op zijn ex-vrouw. In cassatie werden vier middelen aangevoerd, waaronder de afwijzing van een getuigenverzoek, de bewezenverklaring van voorbedachte raad, de strafoplegging en de beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen.

Het eerste middel betrof het verzoek om een advocate als getuige te horen over de jarenlange vechtscheiding en de impact daarvan op de verdachte. Het hof had dit verzoek afgewezen omdat het dossier en de zitting al voldoende inzicht boden en de informatie van de getuige gedateerd was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verzoek terecht heeft afgewezen op basis van het criterium van het verdedigingsbelang en dat de afwijzing voldoende was gemotiveerd.

Het tweede middel betrof de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Het hof had uitgebreid gemotiveerd dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid had om zich te beraden, onder meer door het meenemen van een bijl, het plannen van de locatie en het tijdstip van de aanval, en het gebruik van gezichtsbedekking. Contra-indicaties zoals hevige gemoedsbeweging of geestesstoornis werden door het hof verworpen. De Hoge Raad vond de motivering toereikend en begrijpelijk.

Het derde middel betrof de strafoplegging. Het hof had een gevangenisstraf van twaalf jaar opgelegd, waarbij het rekening hield met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoon van verdachte. Het hof zag geen strafverminderende omstandigheden in de vechtscheiding, emoties, of de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het niet volgde op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.

Het vierde middel betrof de beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen. Het hof verklaarde de bijl verbeurd en gelastte teruggave van overige voorwerpen aan de rechthebbende, zonder nader aan te geven wie dat is. De Hoge Raad stelde dat het hof beter had kunnen besluiten tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende, maar dat dit geen reden tot vernietiging gaf. Alle middelen faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte raad blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00018
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 december 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “Poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek [getuige] als getuige te horen.
2.2
De verdediging heeft ter terechtzitting van 9 december 2022 het verzoek als volgt gedaan:
“De verdediging heeft [getuige] meegebracht als getuige. Het verzoek is haar te horen. De motivering hiervoor staat reeds genoemd in mijn e-mailbericht van 8 november 2022. Het verzoek dient te worden getoetst aan het verdedigingsbelang. Het horen van [getuige] is van belang voor beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering. De straftoemeting in zaken als de onderhavige, waarbij sprake is van relationeel geweld, is altijd gekoppeld aan de omstandigheden die een belangrijke en mogelijk doorslaggevende rol hebben gespeeld. In deze zaak is de spanning en stressopbouw bij mijn cliënt aangevangen vanaf het moment van de scheiding. In de zevende maand van de zwangerschap van hun jongste kind is de ex-partner van mijn cliënt bij hem weggegaan. [getuige] is de eerste advocate die de personen- en familierechtproblematiek vier jaar lang heeft meegemaakt. Zij kan goed en duidelijk aangeven hoe de insteek van [slachtoffer] vanaf het begin is geweest. [getuige] kan ook verklaren hoe mijn cliënt daarmee omging. Ik acht het van belang dat u deze informatie rechtstreeks van [getuige] hoort. [getuige] heeft mij gezegd dat zij nog nooit zo een ‘heavy’ personen- en familierechtprocedure heeft meegemaakt.”
2.3
In het e-mailbericht van [getuige] aan de verdediging, waarnaar door de verdediging werd verwezen, staat onder meer:
“ [verdachte] is een oud cliënt van mij. In april 2010 wendde hij zich tot mij met het verzoek zijn belangen te behartigen in een echtscheidingsprocedure die [slachtoffer] aanhangig had gemaakt. Ik heb cliënt vervolgens ruim 4 jaar lang bijgestaan zulks tot eind mei 2014.
Ik werk al geruime tijd in de familierechtprakrijk, maar een zaak zoals die van [verdachte] ben ik nimmer tegengekomen. Zijn zaak zal ik dan ook niet snel vergeten. Het leek mij relevant u dit te melden.
De wijze waarop er tussen partijen werd geprocedeerd noem ik weergaloos. Cliënt heeft zich telkenmale in rechte moeten verdedigen waarbij cliënt met name als ouder werd gediskwalificeerd door [slachtoffer] . [slachtoffer] bleef maar "vechten" tegen cliënt door telkens weer nieuwe procedures aanhangig te maken.
Ik heb cliënt in deze periode van dichtbij meegemaakt en ik heb mij altijd verbaasd over de wijze waarop hij zich toch staande heeft weten te houden. Cliënt bleef zich kranig in rechte verweren ondanks het feit dat de steeds maar voortslepende procedures zwaar op hem drukten.
Medio 2014 heb ik mijn werkzaamheden als advocaat gestaakt zulks vanwege mijn verlof. Het dossier van cliënt is toen overgedragen aan [betrokkene 1] .
Ik heb later begrepen dat de civiele rechtsstrijd tussen cliënt en partij [slachtoffer] ook na 2014 enkele jaren heeft voortgeduurd zulks met alle droevige gevolgen van dien.
Ik schrijf u dit alles omdat ik van mening ben dat kennis van de geschiedenis tussen [verdachte] en [slachtoffer] inzicht geeft in de situatie waarin cliënt is komen te verkeren.”
2.4
Het hof heeft het verzoek tijdens de terechtzitting als volgt afgewezen:
“Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van [getuige] wordt afgewezen. Het verdedigingsbelang is een belangrijk punt binnen het strafrecht, waarvan enkel vanaf kan worden geweken als verdachte daarbij redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad. Het hof heeft op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting al een goede indruk gekregen over hoe bepalend en sturend de echtscheidingsprocedure in het leven van verdachte is geweest. Het hof is van oordeel dat het daarom redelijkerwijs niet nodig is om [getuige] als getuige te horen. Temeer nu de informatie van [getuige] gedateerd is. Mocht er toch nog informatie hieromtrent nodig zijn volgens de verdediging, dan kan de raadsvrouw dit eventueel bij pleidooi naar voren brengen.”
2.5
In de schriftuur wordt allereerst geklaagd dat het hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, namelijk het noodzaakcriterium in plaats van het verdedigingsbelang.
2.6
Bij de beoordeling van de klacht zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Artikel 287 lid 1 en Pro 2 Sv:
“1. De voorzitter stelt vast welke personen, al dan niet daartoe opgeroepen, als getuige ter terechtzitting zijn verschenen.
2. De verschenen getuigen worden gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en van de verdachte dan wel op de gronden genoemd in artikel 288, eerste lid, onder b en c.”
- Artikel 288 lid 1 Sv Pro:
“1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
a. (…);
b. (…);
c. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.”
2.7
Het hof heeft, in lijn met art. 287 lid 2 en Pro art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Sv, terecht tot uitgangspunt genomen dat het verzoek in deze zaak alleen kan worden afgewezen als de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.
2.8
Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het van oordeel is geweest dat het op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting al een goede indruk heeft gekregen over hoe bepalend en sturend de echtscheidingsprocedure in het leven van de verdachte is geweest. Het hof heeft vervolgens – en ik ben met de steller van het middel van oordeel dat dit aanleiding kan geven tot misverstanden – overwogen dat “het daarom redelijkerwijs niet nodig is om [getuige] als getuige te horen”, temeer nu de informatie van [getuige] gedateerd is.
2.9
Met deze laatste frase (“niet nodig”) lijkt het hof het noodzaakcriterium toe te passen en de stellers van het middel zijn die mening ook toegedaan. Ik meen echter dat uit de overwegingen van het hof in hun geheel kan worden afgeleid dat het hof dit toch niet heeft gedaan, nu het hof in de zin ervoor uitdrukkelijk heeft overwogen dat het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is en de overwegingen van het hof geredelijk aldus kunnen worden begrepen dat het hof van oordeel is dat de informatie van de getuige redelijkerwijs niet in het belang van de verdediging kan zijn. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de verdediging de getuige niet in verband met de bewezenverklaring wilde ondervragen, maar in verband met een strafmaatverweer en dat het hof juist in het kader van de strafmaat in zijn arrest heeft overwogen dat het “in de jarenlange vechtscheiding tussen verdachte en zijn ex-vrouw en de naderhand gevoerde gerechtelijke procedures en de emoties die daar evident bij speelden, geen strafverminderende omstandigheid” ziet. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk, en het lijkt mij dat de getuigenverklaring – in het licht van het tenlastegelegde feit, namelijk een poging tot moord met een bijl op de openbare weg – in dat oordeel redelijkerwijs geen verandering kan brengen. Daarmee faalt de klacht.
2.1
In de schriftuur wordt verder geklaagd dat het hof de afwijzing ook ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd. Daartoe wordt gewezen op wat de Hoge Raad heeft overwogen over het verdedigingsbelang, namelijk dat een getuigenverzoek alleen op grond van het verdedigingsbelang kan worden afgewezen indien (1) de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor een in zijn strafzaak te nemen beslissing of (2) redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten kan verklaren. [1]
2.11
Volgens de stellers van het middel is in deze zaak evident geen sprake van grond (2) en ligt in het oordeel van het hof ook grond (1) niet besloten: in het licht van wat de verdediging naar voren heeft gebracht kan niet worden geconcludeerd dat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor de straftoemetingsbeslissing. Het hof zou met de afwijzing van het verzoek zijn vooruitgelopen op wat de getuige ter terechtzitting zou hebben verklaard.
2.12
Naar mijn idee is het hof inderdaad niet uitgegaan van de onder (2) genoemde grond, maar heeft het hof het verzoek op basis van grond (1) wel degelijk toereikend gemotiveerd afgewezen. Uit de overwegingen van het hof blijkt immers dat het hof van oordeel is geweest dat de getuige niets kan verklaren wat relevant is voor de straftoemetingsbeslissing. Het hof heeft geoordeeld dat het “op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting al een goede indruk [heeft] gekregen over hoe bepalend en sturend de echtscheidingsprocedure in het leven van verdachte is geweest”, terwijl de verdediging met het horen van de getuige enkel dat voor het voetlicht wilde brengen. Het hof kon het verzoek dus op die grond – met erkenning van wat de verdediging wilde aantonen – afwijzen, nu het horen van de getuige verder niet van belang kon zijn voor de positie van de verdediging.
2.13
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van voorbedachte raad.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 16 oktober 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] met een bijl, meermalen, tegen het hoofd en gezicht en de arm geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring van voorbedachte raad overwogen:
“Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling).
Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de ochtend van 16 oktober 2020 een brief heeft ontvangen van het LBIO, waarin stond dat hij een groot bedrag aan achterstallige alimentatie moest betalen aan [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat hij boos/furieus was en naar [plaats] is gegaan omdat zijn ex-vrouw daar woonde. Voordat verdachte in de auto is gestapt, heeft hij een bijl gepakt en meegenomen. Kort daarvoor heeft verdachte een (gewijzigde) notitie in zijn telefoon opgeslagen, waarin hij spreekt over etterende ex-vrouwen, het recht in eigen hand nemen en waarin hij aangeeft dat hij er na 10 jaar klaar mee is. Ook heeft hij een schermafbeelding gemaakt van een afbeelding van Fokke en Sukke en de tekst ‘Fokke en Sukke bepalen zelf wel wie de doodstraf krijgt’. Het hof is van oordeel dat dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, duidt op het hebben van een plan voor c.q. een besluit tot een gewelddadig treffen met zijn ex-vrouw [slachtoffer] .
Hier komt bij dat verdachte tussen het moment dat hij in de auto is gestapt tot het moment dat hij zijn ex met de bijl heeft aangevallen, voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit om dit te doen. Zowel gedurende de autorit naar [plaats] als het gedurende enige tijd opwachten van het slachtoffer op of nabij het fietspad, heeft verdachte tijd en gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het hof acht het ook redelijk om aan te nemen dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn daad.
Verdachte heeft vanaf zijn eigen huis de bijl meegenomen. Hij heeft deze bijl in een tas gestopt en vervolgens pas tevoorschijn gehaald op het moment dat het slachtoffer dichtbij hem was. Het hof leidt hieruit af dat verdachte de bijl zo lang mogelijk aan het zicht wilde onttrekken. Daarnaast heeft verdachte gezichts- en hoofdbedekking meegenomen en gebruikt, in de zin van een mondkapje (in de buitenlucht) en een zwarte pet, waaruit het hof afleidt dat verdachte herkenning wilde voorkomen.
Gedurende de autorit richting [plaats] heeft verdachte een parkeerplaats ingevoerd in zijn navigatiesysteem die precies is gelegen nabij het fietspad waar hij het slachtoffer uiteindelijk heeft aangevallen. Hieruit leidt het hof af dat verdachte heeft nagedacht over de plek waar hij het slachtoffer zou treffen. Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft verdachte ook nagedacht over het tijdstip waarop zijn kind uit school zou komen en de route die het slachtoffer zou nemen om haar op te halen, waaruit het hof afleidt dat verdachte (dus) nagedacht heeft over het moment waarop hij het slachtoffer zou treffen.
Verdachte heeft zijn auto geparkeerd op de nabijgelegen parkeerplaats waardoor hij, na de aanval op het slachtoffer, snel kon vluchten.
Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, duiden op een opeenvolgende serie (wils)besluiten en logistieke handelingen op grond waarvan het hof het redelijk acht om aan te nemen dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn daad.
Contra-indicaties
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.
De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden -die zij als contra-indicaties aanmerkt- te weten (kort gezegd) de onlogische plaats delict, tijdstip en (achterlaten van het) het wapen, maken dat niet anders. Dat iemand in een concreet geval niet handelt volgens de algemene wetten van logica die -volgens de verdediging- zouden gelden voor iemand met de persoonlijkheid van verdachte, maakt nog niet dat geen sprake zou kunnen zijn van voorbedachten rade. Daarnaast bevat het dossier aanknopingspunten dat verdachte niet zozeer uit was op het voorkomen van ontdekking van zijn misdaad maar vooral uit was op het kunnen plegen ervan, met het plan om na het ombrengen van [slachtoffer] zichzelf het leven te benemen. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij onderweg terug naar huis drie keer geprobeerd heeft zichzelf tegen een boom te rijden maar dat hij het niet kon. Verdachte heeft ook eerder, op 29 september 2020, op de term ‘zelfmoord miljardair’ op internet gezocht. Ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij op het internet op 1 oktober 2020 heeft gezocht op de zoektermen ‘testament’ en ‘notaris’ met de bedoeling te kijken hoe hij kennissen van hem als voogd van zijn dochter zou kunnen aanwijzen, een situatie die eerst relevant zou worden indien eerst de moeder van zijn dochter en pas daarna verdachte zelf zou overlijden, duidt op het plan om na het doden van [slachtoffer] zichzelf te doden. In dat licht gezien, staan de door de raadsvrouw aangevoerde contra-indicaties geenszins in de weg aan het aannemen van voorbedachten rade.
Ook de geestestoestand van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachten rade. Het hof wil wel aannemen dat de aanleiding van het door verdachte gepleegde geweld zijn oorsprong vindt in de jarenlange vechtscheiding tussen verdachte en zijn ex-vrouw en de naderhand gevoerde gerechtelijke procedures en acht het invoelbaar dat bij verdachte verschillende emoties speelden die van invloed waren op zijn draagkracht. Het hof acht het, in het bijzonder gelet op de hiervoor genoemde opeenvolgende serie (wils)besluiten en logistieke handelingen van verdachte niet aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld in een zodanig hevige gemoedsopwelling dat dit aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staat. Het door verdachte genoemde gebrek aan herinnering doet daar ook niet aan af. In dit verband wijst het hof op de in hoger beroep opgestelde pro justitia rapportages van psychiater R.J.P. Rijnders van 30 juni 2022 en psycholoog F.S. van den Huis van 30 mei 2022. Uit die rapportages volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling bij verdachte in aanloop tot en ten tijde van het tenlastegelegde, dat er geen aanwijzingen bestaan voor het bestaan van een dissociatieve stoornis, op grond waarvan de door verdachte geclaimde amnesie (het zich niet kunnen herinneren) kan worden verklaard en dat er geen sprake was van een pathologie die maakte dat de wils- en handelsvrijheid van verdachte werd beperkt.
Conclusie
Alles overwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven.”
3.4
In de schriftuur wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd omdat (i) het oordeel van het hof dat de verdachte niet tijdens de hele periode van het rijden naar [plaats] tot en met de gewelddadige handeling in een hevige gemoedsbeweging verkeerde onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is, (ii) het hof in het midden heeft gelaten of de verdachte op het moment van of vlak voorafgaand aan de geweldshandelingen aan een hevige gemoedsbeweging onderhevig was en (iii) het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat een plan zonder meer voorbedachte raad oplevert, terwijl een plan ook kan voortvloeien uit een opwelling. Ik begin met de tweede klacht. Daarna bespreek ik de eerste en de derde klacht, die in elkaars verlengde liggen.
3.5
De tweede klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk vastgesteld dat de verdachte tijdens het tenlastegelegde geen hevige gemoedsbeweging had: “Het hof acht het, in het bijzonder gelet op de hiervoor genoemde opeenvolgende serie (wils)besluiten en logistieke handelingen van verdachte niet aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld in een zodanig hevige gemoedsopwelling dat dit aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staat.” Het hof heeft dat dus niet in het midden gelaten.
3.6
Met betrekking tot de eerste en de derde klacht wordt in de schriftuur gesteld dat de vaststellingen van het hof innerlijk tegenstrijdig zijn en van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nu het hof enerzijds heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake was van een ‘gemoedsbeweging’ – de woede toen hij met de auto vertrok – en anderzijds dat er een vooropgezet plan was dat voorbedachte raad oplevert. Volgens de stellers van het middel levert dat laatste niet zonder meer voorbedachte raad op en had het hof daarom moeten uitleggen waarom de gemoedsbeweging van de verdachte daaraan niet in de weg staat.
3.7
Naar mijn oordeel heeft het hof dat echter gedaan. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom het van oordeel is dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en heeft in dat kader gewezen op een serie (wils)besluiten en logistieke handelingen. Het hof heeft erop gewezen dat de verdachte (i) tussen het in de auto stappen en het aanvallen van zijn ex met de bijl voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit dit te doen, zowel tijdens de autorit als tijdens het opwachten van het slachtoffer, (ii) vanaf zijn huis de bijl heeft meegenomen, deze in een tas heeft gestopt en pas tevoorschijn heeft gehaald op het moment dat het slachtoffer dichtbij hem was, (iii) gezichts- en hoofdbedekking heeft meegenomen en gebruikt, (iv) tijdens de autorit richting [plaats] een parkeerplaats heeft ingevoerd in zijn navigatiesysteem die precies is gelegen nabij het fietspad waar hij het slachtoffer uiteindelijk heeft aangevallen, (v) heeft nagedacht over het tijdstip waarop zijn kind uit school zou komen en de route die het slachtoffer zou nemen om haar op te halen en (vi) zijn auto heeft geparkeerd op de nabijgelegen parkeerplaats waardoor hij na de aanval op het slachtoffer snel kon vluchten. Daarom is niet onbegrijpelijk dat het hof van oordeel is dat in deze zaak geen sprake is van de door de Hoge Raad genoemde situaties waarin de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, er slechts een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering is en de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. De overwegingen van het hof zijn in het geheel niet onbegrijpelijk.
3.8
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het middel klaagt dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
4.2
Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aarden de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.
Verdachte heeft opzettelijk en met voorbedachten rade op de openbare weg geprobeerd zijn ex-vrouw om het leven te brengen door meerdere keren met kracht met een bijl op haar hoofd, gezicht en lichaam te slaan. Dat het slachtoffer deze brute aanval heeft overleefd is geenszins te danken aan verdachte maar enkel aan de adequate hulp die snel ter plaatse was. Het slachtoffer heeft door het feit fors en deels blijvend letsel opgelopen waarmee zij en haar omgeving de rest van haar leven zullen worden geconfronteerd. Dat het feit diep heeft ingegrepen op het leven van het slachtoffer is onder meer gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep namens het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring.
Moord is een levensdelict en daarmee een zeer ernstig misdrijf. De wijze waarop verdachte zijn ex-vrouw van het leven heeft willen beroven, is schokkend geweest voor de direct betrokkenen en voor de samenleving als geheel. Dit blijkt onder meer uit de indringende getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen gevoelens van onmacht en frustratie. Hij heeft het belang van zijn eigen kinderen om met hun moeder op te groeien volledig opzij geschoven en zelfs het risico genomen dat zijn jongste kind onderweg naar huis geconfronteerd zou worden met haar ernstig verwonde moeder. Deze afschuwelijke daad heeft zonder twijfel een traumatische inwerking op de jongste kinderen van hem gehad. De kinderen zullen ook altijd geconfronteerd blijven met deze daad van hun vader wanneer zij hun moeder aankijken, aangezien zij forse littekens in haar gezicht heeft en een blijvende beperking aan haar rechteroog. Ten slotte rekent het hof het verdachte zwaar aan dat hij heeft gemeend het recht in eigen handen te kunnen nemen.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 november 2022 blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Het hof weegt dit niet in strafverzwarende of-verminderende zin mee.
Omtrent de persoon van verdachte, is een aantal rapportages opgemaakt. Het hof heeft van alle kennisgenomen. Bij de strafbepaling heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de opgestelde pro justitia rapportages.
In eerste aanleg is verdachte onderzocht door psycholoog M.F. Raven, rapportage gedateerd 6 april 2021, en psychiater I.F.F.M. Elzakkers, rapport gedateerd 5 april 2021. Deze deskundigen hebben geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening. Zij adviseren verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen. Het risico op herhaling van soortgelijke delicten wordt door de deskundigen als laag ingeschat.
Zoals hiervoor ook al staat vermeld is verdachte in hoger beroep onderzocht door psychiater R.J.P. Rijnders, rapport 30 juni 2022, en psycholoog F.S. van Huis, rapport 30 mei 2022. Ook deze deskundigen concluderen dat er bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen aanwijzingen waren voor een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en ook zij adviseren verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen. Wel concluderen Rijnders en Van Huis dat thans bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis en dat hij suïcidale gedachten ervaart.
Verdachte is vanaf november 2021 gestart met psychotherapie gesprekken vanuit [A] , waarbij wordt teruggekeken op zijn leven en wordt stilgestaan bij nare ervaringen en welke impact dit op hem heeft gehad. Daarbij worden door verdachte emoties steeds meer geuit en gevoeld.
Het hof ziet in de jarenlange vechtscheiding tussen verdachte en zijn ex-vrouw en de naderhand gevoerde gerechtelijke procedures en de emoties die daar evident bij speelden, geen strafverminderende omstandigheid.
Het hof acht gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, oplegging van een langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd. Er kan niet met een straf worden volstaan die geen (langdurige) vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft in het oordeel ook betrokken de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat soortgelijke gevallen zich nauwelijks laten vergelijken omdat de feitelijke gang van zaken vaak verschilt.
Alles afwegende is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De door de verdediging overigens aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden van verdachte, waaronder de invloed van het slachtoffer, maken dit niet anders.”
4.3
In de schriftuur wordt aangevoerd dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat standpunt houdt volgens de schriftuur in dat een substantieel lagere straf moet worden opgelegd dan de twaalf jaar gevangenisstraf die de rechtbank had opgelegd omdat (i) de verdachte een blanco strafblad heeft, (ii) de verdachte depressief is, (iii) de verdachte in therapie is, (iv) het recidiverisico laag is, (v) het slachtoffer een eigen aandeel heeft gehad door de verdachte af te snijden van zijn kinderen, (vi) de verdachte diepe spijt en berouw heeft en (vii) de verdachte “gedurende 10 jaren onverbiddelijk meegezogen is in door zijn ex gevoerde niet (…) ophoudende juridische procedures met als doel het neerleggen van vele obstakels voor het onderhouden van normaal contact met zijn kinderen en het financieel ‘leegtrekken’ van verzoeker”. [2]
4.4
Bij de beoordeling van het middel is van belang dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt sprake kan zijn als beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een of meer specifieke omstandigheden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. [3] De rechter moet dan nader motiveren waarom hij tot een andere beslissing komt. [4] In cassatie wordt in de kern slechts gecontroleerd of de feitenrechter acht heeft geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en of hij, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. [5] De feitenrechter hoeft dus niet op alle onderdelen van de argumentatie afzonderlijk te reageren, maar hoeft alleen uit te leggen waarom het de eindconclusie van de verdediging (in dit geval: een substantieel lagere gevangenisstraf dan 12 jaar) niet volgt. [6]
4.5
Naar mijn oordeel heeft het hof dat toereikend gedaan. Het hof heeft allereerst geoordeeld dat het onder (i) aangevoerde over het blanco strafblad niet tot strafverzwaring of strafvermindering hoeft te leiden. Het oordeel dat het niet hebben van een strafblad niet leidt tot strafvermindering is niet onbegrijpelijk en het hof hoefde dat niet nader te motiveren. De onder (ii), (iii) en (iv) aangevoerde omstandigheden dat de verdachte depressief is, in therapie is en dat het recidiverisico laag is, zijn door het hof in de strafmotivering erkend. Het hof heeft immers in het bijzonder acht geslagen op de opgestelde pro-justitia-rapportages, waaruit van een en ander blijkt. Dat lijken mij echter geen omstandigheden die bij een poging tot moord per se leiden tot strafvermindering. Daarom wordt het arrest niet onbegrijpelijk doordat het hof deze omstandigheden in het kader van de hoogte van de straf verder buiten beschouwing heeft gelaten. Met betrekking tot de onder (v) en (vii) beschreven eigen rol van het slachtoffer heeft het hof geoordeeld dat die niet leidt tot strafvermindering, omdat het hof geen strafverminderende omstandigheid ziet in de jarenlange vechtscheiding tussen de verdachte en het slachtoffer, de gevoerde gerechtelijke procedures en de daarbij spelende emoties. Dat oordeel lijkt mij in het licht van de ernst van het bewezenverklaarde feit niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de onder (vi) aangevoerde omstandigheid dat de verdachte diepe spijt en berouw heeft. Dat het hof zijn oordeel op dat punt niet nader heeft gemotiveerd, maakt de strafoplegging niet onbegrijpelijk.
4.6
Het middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het middel klaagt dat het hof over de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen niet heeft geoordeeld dat ze moeten worden teruggegeven aan de verdachte maar aan “de rechthebbende”.
5.2
In de schriftuur wordt erop gewezen dat in deze zaak de rechtbank heeft geoordeeld dat de voorwerpen moesten worden teruggegeven aan de verdachte:
“9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de op de beslaglijst vermelde bijl verbeurd te verklaren en de overige op de beslaglijst vermelde goederen terug te geven aan verdachte.
(…)
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de bijl dient te worden verbeurd verklaard. Met behulp van de bijl is het feit begaan. De overige op de beslaglijst vermelde goederen dienen te worden teruggegeven aan verdachte.”
5.3
Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep integrale bevestiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd. In het requisitoir is niets over de inbeslaggenomen voorwerpen te vinden. Dat geldt ook voor de pleitnotities van de verdediging in hoger beroep.
5.4
Het hof heeft vervolgens over de inbeslaggenomen voorwerpen overwogen:
“Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bijl. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Van de overige inbeslaggenomen goederen zal teruggave aan de rechthebbende worden gelast.”
5.5
Het hof heeft in het dictum van het arrest opgenomen:
“Het hof:
(…)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Bijl (G2715015).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Geluidsdrager, telefoon, zwart, merk lphone (G2714994);
- 1 STK Schoeisel, blauw, Asics (G2714997);
- 1 STK Kleding, Trui, grijs (G2715007);
- 1 STK Kleding, Broek (G2715008);
- 1 STK Kleding, Shirt met rits (G2715013);
- 1 STK Kleding, Vest (G2715015);
- 1 Personenauto, kenteken: [kenteken] , zwart, Audi (G662173);
- 1 STK Kleding, Manchet (G2715122);
- 2 STK Papieren zakken (G2715364);
- 1 STK Kleding, Jas, blauw (G2715371);
- 1 STK Kleding, Broek, blauw (G2715372);
- 1 STK Kleding, Trui, blauw (G2715373);
- 1 STK Kleding, Ondergoed, wit (G2715374);
- 1 STK Schoeisel, 1 Schoen en 2 sokken (G2715375);
- 1 STK Mondkap (G2716293).”
5.6
Art. 353 lid 1 en Pro 2 Sv, dat op grond van art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep geldt, luidt:
“1. In het geval van (…) oplegging van straf of maatregel, (…) neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen Pro voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. (…)
2. De rechtbank gelast, (…)
a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;
b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of
c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.”
5.7
De Hoge Raad heeft over de toepassing van deze bepaling geoordeeld dat een inbeslaggenomen voorwerp a) wordt teruggegeven aan de beslagene tenzij b) er een ander is die redelijkerwijs als rechthebbende op dat voorwerp kan worden aangemerkt, in welk geval dat voorwerp aan die ander wordt teruggegeven, doch dat het c) de rechter vrij staat de bewaring van dat voorwerp ten behoeve van de rechthebbende te gelasten, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene geen recht heeft op het voorwerp en er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. [7]
5.8
De rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat de in het dictum van het arrest van het hof omschreven voorwerpen zijn inbeslaggenomen onder de verdachte, zodat zij in beginsel aan de verdachte moeten worden teruggegeven. In hoger beroep waren kennelijk zowel het openbaar ministerie als de verdediging hetzelfde oordeel toegedaan. Het hof heeft echter in zijn arrest geoordeeld dat de voorwerpen moeten worden teruggegeven aan “de rechthebbende” en heeft in het midden gelaten wie die rechthebbende is. Dat is een oplossing die art. 353 lid 2 Sv Pro niet kent, nu het hof ofwel moet aanwijzen aan wie de voorwerpen kunnen worden teruggegeven (sub a en b), ofwel moet besluiten dat de voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende (sub c).
5.9
In cassatie kan niet worden gecontroleerd of de voorwerpen inderdaad van de verdachte zijn, mede omdat de beslaglijst op dat punt niet duidelijk is. Kennelijk was ook het hof die mening toegedaan. Daarom meen ik dat het arrest van het hof verbeterd kan worden gelezen in die zin dat het hof de bewaring van de voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast. Het voordeel van die benadering is dat het beslag op de voorwerpen niet is beëindigd, zodat de verdachte zich tot drie maanden na de strafzaak op grond van art. 552a Sv kan beklagen bij het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de voorwerpen. [8] Bij cassatie heeft de verdachte vervolgens onvoldoende belang. [9]
5.1
Het middel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.5. Herhaald in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, r.o. 3.4.
2.In de schriftuur wordt na deze klacht (onder 8) gesteld dat “voor zover uw Raad oordeelt dat het standpunt van de verdediging niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, op dezelfde gronden wordt betoogd dat gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd de straftoemeting van het gerechtshof onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is en/of verbazing wekt en/of dat het arrest niet de omstandigheden aangeeft waarop bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf is gelet”. Nu naar mijn oordeel wel sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, kan dit onbesproken blijven.
3.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.5.4.
4.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.5.4.
5.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.5.4.
6.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, r.o. 3.8.4.
7.HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785, r.o. 3.6.
8.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens van 10 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:893, onder 47.
9.HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2814, r.o. 2. Vgl. ook, over een verzuim te beslissen over het beslag, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, r.o. 2.2.3; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610, r.o. 2.2; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, r.o. 2.4.2.