Conclusie
1.Aanduiding partijen, korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
€ 351.000,-- aan verbeurde boetes.
Centra-Klima heeft gevorderd [verweerder 1] en [verweerder 2] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van respectievelijk € 481.000,-- en € 459.000,--, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten, en met veroordeling van [verweerders] in de proceskosten en de beslagkosten. [4]
Tegen [verweerder 1] en [verweerder 2] is op 9 juni 2023 verstek verleend.
[verweerder 2] heeft op de rol van 8 september 2023 het verstek gezuiverd, in het principale cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping, en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [9] Centra-Klima heeft in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot referte voor wat betreft de ontvankelijkheid [10] en, voor zover het incidentele cassatieberoep ontvankelijk is, tot verwerping.
Op de rol van 8 september 2023 is de zuivering van het verstek toegestaan.
Centra-Klima en [verweerder 2] hebben een schriftelijke toelichting ingediend, waarna Centra-Klima heeft gerepliceerd en [verweerder 2] heeft afgezien van dupliek.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Matiging concurrentiebeding
Ruiz-Mateos/Spanje [18] heeft het EHRM dit recht als volgt verwoord:
bij conclusiezal kunnen reageren op door de gedaagde bij antwoord geproduceerde bescheiden. Wanneer de eiser bij de comparitie na antwoord (thans mondelinge behandeling) voldoende heeft kunnen reageren op deze bescheiden, zal de rechter daarmee volledig rekening mogen houden, aldus de wetgever. [21]
Vervolgens heeft het hof in rov. 17 voorop gesteld dat in het kader van art. 7:653 lid 3 BW Pro [23] een belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij de toets is of [verweerders] in verhouding tot het te beschermen belang van Centra-Klima door het beding onbillijk worden benadeeld.
Het hof heeft in de bestreden rov. 18 geoordeeld dat dit inderdaad het geval is, met als motivering (onder meer) de overweging dat Centra-Klima onvoldoende heeft onderbouwd welk belang met een langere termijn voor het concurrentiebeding is gediend.
schriftelijkop een nieuwe stelling of verweer te reageren.
De in subonderdeel 1.2 genoemde omstandigheden maken dit niet anders. Bovendien is in dit geval geen sprake van een situatie zoals die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 [24] (waarnaar subonderdeel 1.2 verwijst). Het gaat hier immers niet om (zeer omvangrijke) stukken die (kort) voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht.
concreetkomt vast te staan. Het enkel drijven van de onderneming van [A] is op zichzelf beschouwd, los van wat hiervoor in r.o. 23. is geoordeeld, geen overtreding. Ook is nodig dat een overtreding plaatsvond door activiteiten “
binnen een kring met het perceel waar werknemer zijn werkzaamheden verrichte als middelpunt en met een straal van 50 km”.”
vestigendie gelijk, gelijksoortig of aanverwant is aan die van Centra-Klima, maar dat het hem ook verboden is om zo’n zaak te
drijven, zoals Centra-Klima ook heeft gesteld. [27] Zonder nadere motivering is volgens het subonderdeel, zakelijk weergegeven, dan ook onbegrijpelijk waarom het enkel drijven van de onderneming van [A] geen overtreding van het concurrentiebeding zou zijn, nu die onderneming gelijk, gelijksoortig of aanverwant is aan die van Centra-Klima (rov. 22 van het bestreden arrest) en door [verweerders] is gedreven tijdens de looptijd van het concurrentiebeding (rov. 39.1 van het bestreden arrest).
subonderdeel 2.2klemt dit temeer omdat het hof in rov. 23 heeft geoordeeld dat het vestigen van [A] wél een overtreding van het concurrentiebeding is. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk (want innerlijk tegenstrijdig) waarom het vestigen van de onderneming van [A] wel een overtreding van het concurrentiebeding is, maar het drijven van de onderneming niet, terwijl het concurrentiebeding beide verbiedt, aldus, zakelijke weergegeven, het subonderdeel.
drijvenvan de onderneming van [A] . [28] Dit uitgangspunt is juist.
Zo heeft Centra-Klima o.m. in de inleidende dagvaarding onder 4.3 gesteld dat het niet goed denkbaar is dat gedaagden zonder een eigen onderneming te drijven: wel een ruimte zouden huren voor materialen, stickers met hun bedrijfsnaam laten drukken, bestelbusjes aanschaffen, klanten (van Centra-Klima) te woord staan om werkzaamheden te verrichten, airconditioning units plaatsen en die voorzien van hun bedrijfsnaam, kerstgeschenken ontvangen van leveranciers, inkoopnummers hebben bij alle relevante leveranciers en bij kredietverzekeraars bekend zijn en een creditrating hebben, zonder actief aan het handelsverkeer deel te nemen. Verder heeft Centra-Klima onder 7.1 van de inleidende dagvaarding veroordeling van [verweerders] gevorderd tot betaling aan haar van het bedrag ter zake de verbeurde boetes op de grond dat [verweerders] artikel 15 hebben Pro overtreden door middel van het vestigen van [A] en dat zij om die reden een boete van € 10.000,-- zijn verschuldigd en verder een boete verbeuren van € 1.000,-- voor iedere dag dat die overtreding voortduurt.
Verder lijkt de door [verweerder 2] voorgestane uitleg van rov. 26 te worden weersproken door de conclusie van het hof in rov. 36, waarin het hof m.i. teruggrijpt op rov. 23.
Rov. 36 luidt als volgt:
omdat het oprichten/vestigen van [A](onderstreping A-G) en de in r.o 27 en 28 genoemde onderhoudswerkzaamheden overtredingen van de concurrentiebedingen zijn.”
concreetkomt vast te staan. (…)”
Het gaat het hof wel te ver om [verweerders] te gelasten volledige openheid van zaken te geven ter zake van de financiën van [A] en henzelf in privé, zoals Centra-Klima wenst, om dat tot de bodem uit te zoeken.(curs. A-G) Echter, het feit dat [verweerders] zelf geen volledige openheid van zaken geven is een argument dat tegen matiging pleit.”
Verder bevat subonderdeel 3.1 de klacht dat, gezien de in het subonderdeel onder a t/m g genoemde door Centra-Klima gestelde omstandigheden, het oordeel in rov. 39.3 dat het te ver zou gaan om [verweerders] te gelasten om volledige openheid van zaken te geven onjuist is, althans dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, ontoelaatbaar onduidelijk en derhalve onbegrijpelijk is waarom dit te ver zou gaan.
Subonderdeel 3.2voegt daaraan toe dat het ook gezien de proceshouding van [verweerders] onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het te ver zou gaan om [verweerders] te gelasten volledige openheid van zaken te geven.
Een beroep op matiging van een boete is een zelfstandig verweer. Het was dus aan [verweerders] om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen, op grond waarvan de boetes zouden moeten worden gematigd. In zoverre mist subonderdeel 3.1 ook feitelijke grondslag. Bovendien oordeelt het hof in rov. 39, als geciteerd, dat het geen grond ziet om de boetes te matigen, zodat Centra-Klima in zoverre ook geen belang heeft bij de klachten die betrekking hebben op rov. 39.3.
Ik licht dit als volgt toe.
nietde bewijslast rust tot het verstrekken van feitelijke gegevens ter motivering van de betwisting van de stellingen van de wederpartij op wie de bewijslast rust, teneinde laatstgenoemde aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Steeds gaat het daarbij om gegevens die zich bevinden of zich zouden behoren te bevinden bij de wederpartij van de partij met bewijslast, waarbij die wederpartij aldus gegevens uit zijn ‘domein’ dient te verstrekken. Dit wordt ook wel de ‘domeinleer’ genoemd. [36]
(i) In rov. 27 en 28 heeft het hof geoordeeld dat met de werkzaamheden op de twee aldaar genoemde adressen in Spijkenisse inderdaad sprake is geweest van overtredingen van het concurrentiebeding.
(ii) Vervolgens heeft het hof in rov. 29 geoordeeld dat het maken van stickers en het gebruik maken van (bestickerde) bestelbussen niet als overtreding van het concurrentiebeding kunnen gelden.
(iii) Tot dezelfde uitkomst komt het hof in rov. 31 (laatste drie volzinnen) met betrekking tot de stelling van Centra-Klima dat [A] al in 2020 aankopen deed bij Warmteservice.
(iv) In rov. 30 heeft het hof overwogen dat de stelling dat [verweerders] reclame hebben gemaakt voor [A] in de relevante periode in het door het concurrentiebeding bestreken gebied door Centra-Klima onvoldoende is onderbouwd.
(v) Het hof heeft in de eerste drie volzinnen van rov. 31 geoordeeld dat de stelling dat [verweerders] debiteurennummers bij groothandels hebben aangevraagd en bij Atradius een kredietbeoordeling hebben aangevraagd door [verweerders] is betwist en door Centra-Klima niet is onderbouwd, zodat het gestelde niet is komen vast te staan (en ook geen voldoende concreet bewijsaanbod is gedaan).
(vi) In rov. 33 heeft het hof, met betrekking tot de stelling dat [verweerders] voor aanzienlijke bedragen materialen, gereedschap en meetapparatuur hebben aangekocht bij Centercon, geoordeeld dat deze zaken zijn aangekocht buiten de looptijd van het concurrentiebeding, zodat geen sprake is van een overtreding van het concurrentiebeding.
(vii) Tot slot heeft het hof met betrekking tot een aantal gestelde overtredingen geoordeeld dat Centra-Klima onvoldoende heeft onderbouwd
datde door Centra-Klima gestelde gedragingen een overtreding van het concurrentiebeding zijn (rov. 31, 32, 34 en 35).
welkestelling(en) van Centra-Klima het hof zou hebben geoordeeld dat Centra-Klima niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Het subonderdeel klaagt slechts in algemene zin dat het hof (in rov. 26 en in aansluiting daarop in rov. 27 t/m 35) heeft miskend dat de omstandigheden op basis waarvan beoordeeld moet worden of [verweerders] het concurrentiebeding tijdens de looptijd ervan overtreden hebben, zich geheel of grotendeels bevinden in het domein van [verweerders]
Onderdeel 3 faalt daardoor in zijn geheel.
Subonderdeel 4.1klaagt – samengevat - dat het hof (bij zijn oordelen in rov. 27-28 en 39.1) ten onrechte niet heeft gerespondeerd op essentiële stellingen van Centra-Klima die erop neerkomen dat [verweerders] het concurrentiebeding ook hebben overtreden (en derhalve boetes verbeuren) door concurrerende werkzaamheden te verrichten op twee andere adressen dan de adressen die in rov. 27 en 28 zijn genoemd. Centra-Klima heeft namelijk (samengevat) gesteld dat:
productie 10: foto’s gemaakt bij de [familie] , adres: [adres 1] .
productie 11overgelegd en een kopie van de betreffende opname wordt als
productie 12overgelegd. Daarnaast deelt [betrokkene 3] mee dat de heren van [A] al enige jaren het onderhoud aan de installatie verzorgden.
productie 14worden overgelegd foto’s van een door [A] aangebrachte airco unit op het adres [adres 2] met de inmiddels bekende [A] -sticker. Dit betreft een oude (sinds 2011) klant van Centra-Klima. De bewoner heeft aan Centra-Klima bevestigd dat de airco eind 2019/begin 2020, derhalve vol in de verboden periode, is geleverd en is geïnstalleerd door [A] . Enige tijd daarna is het onderhoudscontract van de destijds door Centra-Klima geplaatste ketel, dat jarenlang probleemloos had gelopen, ineens en zonder opgaaf van redenen opgezegd door de bewoners, zoals blijkt uit
productie 15.
productie 10, foto’s van een ketel, wederom in de verboden periode voorzien van de [A] -sticker en meer van hetzelfde met
productie 14, wederom een in de verboden periode geplakte sticker wegens verleende diensten. (…)
na het einde van het concurrentiebeding.Zo zijn de foto’s van een CV-ketel met een sticker van oktober 2021 (productie 10 van Centra-Klima in hoger beroep) en blijkt uit de verklaring van de eigenaar van deze CV-ketel ook duidelijk dat dit van oktober 2021 is (producties 11 en 12 van Centra-Klima in hoger beroep). (…)”
Het subonderdeel is derhalve terecht voorgesteld.
[…] /NOM [40] en
[…] / […] [41] heeft de Hoge Raad de mogelijkheid tot wijziging of aanvulling van feitelijke of juridische stellingen in beginsel beperkt tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen. Dit volgt uit de in art. 347 lid 1 Rv Pro besloten twee-conclusie-regel. [42]
subonderdeel 4.2heeft het hof met het oordeel in rov. 43 dat het bewijsaanbod van Centra-Klima wordt gepasseerd, miskend dat Centra-Klima een (voldoende specifiek en) ter zake dienend bewijsaanbod heeft gedaan met betrekking tot de in subonderdeel 4.1 onder a en b genoemde stellingen, [44] en dat die stellingen tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.
grieven 8 en 10zijn veeggrieven zonder zelfstandige betekenis. Er is geen belang bij deze verder te behandelen.”
Althans is volgens het onderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom de door Centra-Klima gevorderde beslagkosten niet van de beslagenen teruggevorderd zouden kunnen worden (en in het verlengde daarvan: waarom grief 10 een veeggrief zonder zelfstandige betekenis zou zijn en Centra-Klima geen belang zou hebben bij de behandeling daarvan).
Grief 10:
Onderdeel 5 slaagt dus.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
De onderdelen 1 t/m 3 hebben betrekking op rov. 39.7, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:
grief 6betoogt Centra-Klima dat zij pas een beroep op de concurrentiebedingen is gaan doen nadat zij zich er voldoende van had kunnen vergewissen, dat er daadwerkelijk sprake was van (meerdere) overtredingen. Het hof gaat hier in mee. Centra-Klima mocht tijd nemen om te onderzoeken of er sprake was van overtreding van de concurrentiebedingen.”
[verweerder 2] heeft in eerste aanleg, in het kader van zijn verzoek tot matiging van de in het concurrentiebeding opgenomen boetebedragen, aangevoerd dat Centra-Klima na de door haar geconstateerde overtredingen van het non-concurrentiebeding een onaanvaardbare hoeveelheid tijd heeft laten verstrijken voordat zij aanspraak heeft gemaakt op de boetes, en dat Centra-Klima daarom in redelijkheid geen aanspraak kon maken op boetes. [47] Dit verweer is door de kantonrechter gehonoreerd. [48] Centra-Klima is in hoger beroep met grief 6 tegen dit oordeel opgekomen.
Hoewel [verweerder 2] in zijn gedingstukken heeft gewezen op de redelijkheid en billijkheid, is zijn verweer, aldus de toelichting op subonderdeel 1a, niet anders te duiden dan een beroep op schending van de klachtplicht in de zin van art. 6:89 BW Pro. Volgens het subonderdeel heeft de kantonrechter ook in deze zin geoordeeld, al werd daarbij in het vonnis een andere terminologie gebruikt. Het subonderdeel voert aan dat de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro ook van toepassing is op de overtreding van een (arbeidsrechtelijk) non-concurrentiebeding. [49] Voor zover het hof zijn oordeel over grief 6 (mede) heeft gebaseerd op een verweer van [verweerder 2] dat neerkomt op schending van de klachtplicht door Centra-Klima, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 6:89 BW Pro niets vermeldt over een onderzoeksperiode voor de schuldeiser nadat het gebrek in de prestatie door de schuldenaar is vastgesteld. Integendeel, de klachtplicht noopt ertoe dat een werkgever die een schending van een non-concurrentiebeding ontdekt, daar binnen bekwame tijd over dient te klagen teneinde de werknemer niet te lang in onzekerheid te laten en de daaraan verbonden boete of vordering te laten oplopen. Daarin speelt het goed werkgeverschap zoals bedoeld in art. 7:611 BW Pro een rol, welke norm de rechter al dan niet op grond van art. 25 Rv Pro dient te hanteren. Het moment van ontdekking van de tekortkoming van de werknemer door de werkgever is het beginpunt van de 'bekwame tijd' die de werkgever heeft om zijn klacht over de gebrekkige prestatie kenbaar te maken, en een eventueel door de werkgever noodzakelijk geacht onderzoek kan niet leiden tot een oprekking van die tijdsperiode, aldus nog steeds de toelichting.
Matiging boetes
Ik leid dit uit het volgende af.
[…] /Rabobank [58] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 6:89 BW Pro van toepassing is op alle verbintenissen. Daarnaast heeft de Hoge Raad in het arrest
Brocacef/ […] [59] geoordeeld dat art. 6:89 BW Pro – gelet op de strekking en de bewoordingen van het artikel - slechts ziet op gevallen van
ondeugdelijke nakoming,en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht. [60] Met verwijzing naar genoemd arrest heeft de Hoge Raad bij arrest van 15 oktober 2021 [61] geoordeeld dat art. 6:89 BW Pro niet van toepassing is op een nalaten om een overeengekomen prestatie te verrichten. [62]
Brocacef/ […]en het arrest van 15 oktober 2021 blijkt dat de klachtplicht niet van toepassing is op een dergelijk niet-presteren. Zoals in de literatuur is opgemerkt past de bescherming van de schuldenaar tegen een te lang aanhoudende onzekerheid over de kwaliteit van zijn prestatie, die art. 6:89 BW Pro beoogt te bieden, niet bij de schending van een verbintenis tot nalaten. De schuldenaar zal in dat geval immers (in beginsel) niet in onzekerheid verkeren, maar zal weten dat hij de verbintenis tot nalaten heeft geschonden. Daarvoor is geen klacht van de schuldeiser nodig. In het geval van de schending van een concurrentiebeding kan de (ex-)werknemer bovendien het argument dat te veel tijd is verstreken tussen het ontdekken van de schending en het aanspraak maken op de boete, aanvoeren in het kader van een beroep op matiging van de boete in de zin van art. 6:94 BW Pro.
Daarnaast vraagt het subonderdeel in feite om een nieuwe feitelijke beoordeling, maar daarvoor is in cassatie geen plaats.
Subonderdeel 2aklaagt dat het hof zijn oordeel in rov. 39.7 ontoereikend heeft gemotiveerd, voor zover het zijn oordeel heeft gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid (dan wel de matigingsbevoegdheid). Het hof maakt immers geen kenbare afweging waarom Centra-Klima de tijd mocht nemen om het bedoelde onderzoek te doen.
Volgens
subonderdeel 2bgetuigt het oordeel van het hof in rov. 39.7 van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het oordeel van het hof berust op toepassing van art. 6:94 BW Pro en/of art. 6:248 lid 2 BW Pro en/of art. 7:653 BW Pro.
op alle omstandigheden van het geval(zie hiervoor onder 4.20).
Onderdeel 2 faalt dus.
Met betrekking tot stelling ii heeft het hof in rov. 35, in cassatie niet bestreden, overwogen dat door Centra-Klima onvoldoende is onderbouwd waarom uit de app-berichten blijkt van overtredingen van het concurrentiebeding. Aangezien het hof voor wat betreft de app-berichten geen overtreding van het concurrentiebeding heeft aangenomen, kon het hof genoemde app-berichten bij de bespreking van het beroep op matiging van de boetes achterwege laten.
Voor stelling iii geldt dat het hof genoemde omstandigheden in rov. 39.5 en 39.6 heeft besproken en verworpen. Deze overwegingen zijn in cassatie niet bestreden.
Ook stelling iv heeft het hof besproken en verworpen. Het hof overweegt immers in rov. 27, laatste volzin, en rov. 28, laatste volzin, dat de wijze waarop Centra-Klima bewijs heeft verkregen voor het hof geen reden is om aan dit bewijs voorbij te gaan. Ook deze overwegingen zijn in cassatie onbestreden. Het hof hoefde deze stelling niet opnieuw te bespreken in het kader van het beroep op matiging van de boetes.