Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Complexwaarde
de eerste klacht uit subonderdeel 1aheeft de rechtbank in deze overwegingen (in het bijzonder in de slotzin van rechtsoverweging 2.18) miskend dat een zaak slechts geacht kan worden deel uit te maken van een complex in de zin van art. 40d Ow indien binnen dat complex sprake zal (kunnen) zijn van een omslag van lasten en baten die naar verwachting uit de exploitatie van het complex zullen voortvloeien.
bepalend is, namelijk de vraag of volgens dat plan een (volledige) omslag van lasten en baten zal (kunnen) plaatsvinden. Dat het zo niet werkt, blijkt zeer duidelijk uit art. 40d Ow. Niet alleen gaat de kwalificatie als complex volgens lid 2 logisch vooraf aan de beide in het eerste lid benoemde rechtsgevolgen, ook komt in de tekst van het artikel duidelijk tot uitdrukking dat ook zonder een omslag van lasten en baten de kwalificatie als complex kan bestaan en dat dan nog steeds wél het tweede rechtsgevolg intreedt, namelijk de egalisatie van bestemmingen. Volgens de bepaling van lid 1 onder a hangt de omslag van lasten en baten binnen hetzelfde complex immers af zowel van de ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken als van hetgeen waarmee een redelijk handelend verkoper en koper rekening plegen te houden. Zulke mitsen en maren ontbreken in de bepaling van lid 1 onder b met betrekking tot de egalisatie van bestemmingen. Treedt het rechtsgevolg van lid 1 onder a (de omslag van lasten en baten) niet in, hetzij omdat zo’n omslag niet past bij de ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken, hetzij omdat en voor zover een redelijk handelend verkoper en koper met een zodanige omslag geen rekening plegen te houden, dan nog worden wel de diverse bestemmingen binnen hetzelfde complex geëgaliseerd.
medevan belang, dus als gezichtspunt naast andere gezichtspunten. Zie hiervoor 3.5.
de tweede klacht van subonderdeel 1aheeft de rechtbank miskend dat de omvang van een complex wordt beïnvloed door hetgeen de ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken betreffende lasten en baten die uit de exploitatie van een complex zullen voortvloeien, inhouden over de vaststelling van een exploitatiegebied. Daarom heeft het exploitatieplan [complex 2] dat is vastgesteld voor het plangebied [complex 2] hier te gelden, aldus de klacht.
nietnoodzakelijk is voor de verwerkelijking van het plangebied [complex 2] , zoals de steller van het middel aanvoert. [10]
Vereenzelviging (rechtspersonen) [eiser]
subonderdeel IIais de overweging van de rechtbank onder 2.10 die inhoudt dat beide partijen bezwaar hebben gemaakt tegen het onder 2.9 vermelde uitgangspunt, onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat hij het volledig met dit uitgangspunt eens was en dat zijn betoog zich slechts richtte op de implicaties ervan.
subonderdeel IIbrichten zich tegen rechtsoverwegingen 2.11 en 2.12. In de klachten wordt – mijns inziens terecht [12] – verondersteld dat de rechtbank zich heeft verenigd met de toelichting van de deskundigen, zoals beschreven onder 2.11. Die toelichting is volgens de klachten onjuist of onbegrijpelijk.
Vado/Gemeente Maastricht. [13]
van die activiteiten op het onteigende. De levensvatbaarheid van bedrijfsonderdelen die op andere locaties worden uitgeoefend (hier zelfs op grote afstand: in Spanje) en de grootte van het vermogen binnen gelieerde rechtspersonen was daarmee alleen indirect aan de orde. De formulering van de eerste onderzoeksvraag voor de deskundige [betrokkene 1] en de verwerping door de rechtbank van de bezwaren van [eiser] daartegen, dunkt mij in dit licht niet onbegrijpelijk.
volledigevoortzetting van de bedrijfsactiviteiten in Nederland, in plaats van de gedeeltelijke waarvan deskundigen en rechtbank uit zijn gegaan). Uiteraard is het achterwege laten van ambtshalve onderzoek in een geval dat voor zo’n onderzoek geen aanleiding (aanknopingspunt) bestaat, niet in strijd met de leer van het arrest
Vado/Gemeente Maastricht.